Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Biografie en theologie

Lezing op de Predikantendag van de Bond van Nederlandse Predikanten

Tafelgenoten (Ramsey Nasr)

Al wie dit hoort: schrikt niet.
Peinst niet dat ik echt in ’t radiomachien
of in uw woonst verborgen zit – hier klinkt
uw eigen onbekende stem van ether.
Modern-kekke mens, komt toch aan tafel
laat ons een kleine geschiedenis eten.

Hangt eerst uw zelfbeeld in de gang.
Legt goede smaak op de bestemde plank.
Veegt voeten, handen, eigenschappen.
Trekt uw beroep uit. Laat u zich gaan.
Staat u mij toe de laatste dromen
en vaste lastjes van u af te slaan.

Ik moet u, als in vroeger dagen
vragen het ras voorzichtig los te pellen.
Afkomst verwijderen, kleur ontkennen.
Wandelt nu rond, geheel doorschijnend
door alle lege kamers van het lijf.
Doden gelijk. En o ja: zeg jij tegen mij.

We zijn nu bijna zonder opsmuk.
Ontkleed je. Ga tot op de huid.
Kijken we samen naar je buik, je rug
tien vingers, één navel, het vet in je zij
alle botten, wervels en kiezen verzameld
alle trilharen aan tafel. Dat ben jij.

En in deze schaamte zijn wij vrij.
Ik proost vandaag op onze naaktheid
in de hoop dat niemand ooit
het werelddeel in je ontdekt
je longen bezet, opvult met honger
en zijn geloof in je plant als een schoffel.

Zet je schrap tegen mij. Alleen hier
in weerloosheid zijn wij vrij.

Het is woensdag midden in de Paasweek. Brussel is nog vers. En zoveel meer. Ik zit achter mijn bureau en probeer de exegese voor de Paasochtend te doen. De Griekse tekst ligt opengeslagen op mijn bureau en de concordantie staat aan op mijn scherm. Terwijl ik een werkvertaling probeer te maken, merk ik hoe vol mijn hoofd zit. Waar gaat het allemaal over? Maanden geleden koos ik voor de perikoop over de Emmaüsgangers. En ik merk tot mijn schrik: het zegt me niks. Te bekend misschien. En de preek zit al een beetje in mijn hoofd. Zoals ik hem wel vaker heb gehouden. Jezus laat die twee uitpraten. Zoiets. Heel pastoraal verantwoord. Kun je altijd mee aankomen en de mensen vinden het mooi. Ik weeg de woorden maar wordt voortdurend afgeleid. Wat moet er niet allemaal in zo'n week die onderhand veel drukker is geworden dan de dagen van Kerst. Alsmaar moeten produceren. Alsmaar output. Waar haal je het vandaan? Geloof ik het allemaal wel? En wat geloof ik dan? Het gevoel dat alles op losse schroeven staat. Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar mij overkomt dit met regelmaat. Hoe krijg je die werelden bij elkaar? En wat heb je eigenlijk te zeggen? Heb je wel iets te zeggen? En zo gaat de worsteling voort. Ik lees nog wat met een groep gemeenteleden ter voorbereiding. En men vindt het allemaal wel mooi. Maar je hebt het gevoel: ik kom er niet bij. Het blijft op een afstand. En dan gaat Johan Cruyff ook nog dood.

Toch moet die preek geschreven en ik begin maar heel eerlijk bij mezelf. Bij de vraag die ik zelf heb: hoe moet je in hemelsnaam met Pasen preken? Dat ‘Daar juicht een toon’ klinkt me dit jaar veel te triomfalistisch. Ik zie voortdurend mensen kloppen op onze gesloten deuren. Een lamgeslagen Europa. Een aanslag in de achtertuin. En een voor velen niet al te optimistisch stemmend rapport over God in Nederland. Waar mijn gemeenteleden zeer bezorgd over zijn terwijl hun eigen dominee misschien wel het meeste ‘weet ik niet’ zou hebben aangekruist als hij de gelegenheid zou hebben gehad. Wat weten we nou helemaal? En waar geloven we in? Ik kan ook steeds minder met dat algemene woordje ‘God’ waar iedereen het over heeft. Ingewikkeld. En ik schrijf mijn preek. Het moet eruit want ook Witte Donderdag, Goede Vrijdag en een begrafenispreek wachten. Ik print hem uit en laat hem nog maar even liggen. Er zit heel veel Brussel in. Ik heb mijn hoofd leeggeschreven.

Maar dan kom ik thuis uit de Paaswake en lees hem nog eenmaal over en denk: dit is het niet. Zo kan het gewoon niet. En ook mijn geliefde huisgenoot reageert niet echt enthousiast. Ik kan wel vloeken: moet het nu helemaal opnieuw. Ik vrees van wel.

En zo zit ik op Paasochtend in alle vroegte opnieuw aan mijn Paaspreek. Ik zit daar met kloppend hart. Het is nu of nooit. Mijn gedachten dwalen af naar al die mensen zo meteen: de kerk zal uit zijn voegen barsten met allemaal mensen die er nu niet bepaald elke zondag zitten. Ik zie ze voor me. Die bankier uit de buurt die mij wel aardig vindt. Die leuke BN familie met wie ik nog wel eens een biertje drink. Die huisarts die bewust atheïst is maar meekomt omdat zijn vrouw een religieuze inslag heeft. Ik zie die stevig gereformeerde dame zitten die zonder het bloed van Christus niet tevreden is. Ze zit naast die jongen die, zoals hij zegt, ook aan yoga doet. Hij is samen met zijn vriendin gekomen die dan weer meer evangelicaal is. De jonkheer van het dorp van Hervormde huize is er ook. Hij vindt dat je tweemaal per jaar het christendom moet steunen. Noem maar op.

En dan zegt Dingemans dat ik een hoorder moet zijn onder de hoorders. Maar dat kerkvolk van zijn tijd zit niet in mijn kerk. Het is niet meer zo eenduidig als door contextuele theologen gedacht. Ik heb wel 100 werelden in mijn kerk zitten. En ik zit er tussen. Als ik voortdurend aan al die mensen denk en wat ze zouden kunnen meemaken van de preek en niet, kom ik niet echt verder.

Ik lees opnieuw mijn tekst. Het is reeds half 7. En dan ineens, veel te laat natuurlijk: springt die tekst als het ware open. Van binnenuit. Ik merk ineens: niet ik heb wat te zeggen, maar er wil wel iets gezegd worden. En ineens wordt ik bij de hand genomen. Ineens word ik aangesproken. Ikzelf ben die Kleopas die daar op zijn gemakje het visioen van Jeruzalem uitwandelt. Ik ben het die daar somber stilstaat en het echt even niet meer weet. Ik ben het die de Messiasman niet ziet. En ik kom ervan onder de indruk dat Lukas geen hallelujah-koren inzet. Van Pasen geen religieus feel good event maakt. Hij laat nota bene twee sombere mensen Jeruzalem uitlopen. Alsof hij mij kent en weet hoe ik eraan toe ben. Het is alsof ik bij mijn kladden wordt gegrepen. Ik moet helemaal niet beginnen bij Brussel. Ik moet helemaal niet beginnen bij mijn eigen biografie of bij het gevoel dat ik op slot zit. Ik moet gewoon beginnen bij die mannen op weg naar Emmaüs. Die mannen die niet aan hun lot worden overgelaten. Die niet worden veroordeeld of opzij gezet. Maar worden aangesproken door iemand die niet tussenbeide springt om hen een klap om de oren te geven, maar iemand die in alle eenvoud na een tijdje begint bij Mozes en de profeten. Iemand die die oude schriften opendoet die spreken over al die onmogelijke zaken die helemaal niet kunnen en toch gebeuren. En voordat ik er erg in heb, heb ik een preek geschreven. In mijn bezette hoofd en hart is ineens door die woorden van Lukas een luikje opengegaan. Ineens is daar sprake van een perspectiefwisseling. Ik begin niet bij mezelf maar heel leeg houd ik mijn hand op om 7 uur ’s ochtends. Als een bedelaar bij het woord, zoals Luther ooit schreef. En dan blijkt die tekst te gaan over waar ik zit en waar misschien al die verschillende mensen in mijn kerk ook zitten. Is het een exegetisch verhaal geworden? Keurig Amsterdamse School? Nee hoor: er zit nog steeds heel veel Brussel in en ik eindig met Griet Op de Beeck die zo fantastisch getuigde van haar hoop bij DWDD:

Laten we ze openlaten: onze deuren, onze armen, onze geesten. Laten we pantsers afleggen, en het en de andere tegemoet treden, telkens weer.
Laten we slapende honden keihard wakker maken. Blijven geloven in dromen die ook uitkomen. Veel verwachten, genoeg spijt hebben, in zeven sloten tegelijk lopen, alle dingen aankijken, ook dat wat ons verontrust.
Laten we minachting koesteren voor de hopeloosheid, weten wat we waard zijn, onszelf gunnen wat we verdienen, want dat is vaak meer dan we geneigd zijn te denken.
En laten we begrijpen wat de liefde is, onthouden dat dat alles is, of toch bijna.
Laten we durven.

Maar door niet bij mezelf te beginnen en bij wat ik allemaal geloof en denk, zappend bij de TV, is het mogelijk geworden dat er, denk ik, iets van de andere kant gezegd kon worden. En eerlijk gezegd kom ik die ervaring door heel de Schrift heen tegen. Abram komt pas werkelijk in beweging als hij die Stem hoort. Jeremia wordt pas profeet als JHWH hem het woord in zijn mond legt. Nicodemus moet van boven af opnieuw geboren worden.

Als de kerk volgens mij nou iets zou moeten doen dan is het: dat Woord te dienen dat ons denken, voelen en ons bestaan in een ander licht zet. De kerk moet niet doen wat iedereen al doet. Daar zit niemand op te wachten. Laat ze toch dat enige dat ze heeft optimaal inzetten. En daarom zou ik opnieuw een vurig pleidooi willen houden voor de aanduiding: Verbi Divini Minister. Dienaar van het goddelijk Woord. Ik zeg het met een kwinkslag, maar moet daar niet onze core business gezocht worden? Ik merk binnen en buiten de kerk, hoewel dat onderscheid gelukkig steeds onzinniger wordt, hoe men smacht naar een ander verhaal, een ander perspectief. Een verhaal dat opnieuw gelezen moet leren worden. Niet met al onze vooringenomenheden, maar liefst zonder al die vooronderstellingen. Niet historisch, dogmatisch maar als een verhaal voor vandaag. Daar zou de opleiding vol op moeten inzetten. We leven in een prachtige tijd waarin het ‘weetnietsisme’ hoogtij viert. Een prachtige kans om met zogenaamd gelovigen en ongelovigen te gaan zitten om te ontdekken wat dat aloude verhaal vandaag zou kunnen betekenen. Gelezen als boek van bevrijding in dat perspectief van ‘Heb je naaste lief, want hij is zoals jij’.

Dan worden bevrijd van onszelf. Ons eigen geloof. Onze afkomst, Ons hokje. Dan worden we even naakt en weerloos. Onszelf tot een vreemdeling maar wel steeds weer dichter bij dat visioen van dat land, dat veel belovende land dat niet ver bij hem vandaan is. Zoals Ad den Besten zo treffend dicht:

Waarom moest ik uw stem verstaan?
Waarom, Heer moet ik tot U gaan
zo ongewende paden?
Waarom bracht Gij
die onrust mij
in 't bloed is dat genade?

Gij maakt mij steeds meer vreemdeling.
Ontvreemdt Ge mij dan, ding voor ding,
al 't oude en vertrouwde?
O blinde schrik,
mijn God, mag ik
niet eens mijzelf behouden?

Want ik zie voor mij kruis na kruis
mijn weg langs en geen enkel huis
waar ik nog rust zou vinden.
Kom ik zo echt
bij U terecht,
ben ik wel uw beminde?

Spreek Gij dan in mijn hart en zeg,
dat het zo goed is, dat die weg
ook door uw Zoon gegaan is,
en dat uw land
naar alle kant
niet ver bij mij vandaan is.