Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

De man had een punt

Kritische feedback in de consistorie – een ervaring

Een dienst in een stadsgemeente, in de veertigdagentijd, in de aanloop naar de verkiezingen. Ik kom vaker in deze gemeente als gastvoorganger. Ik weet dat het merendeel van de kerkgangers student is of na de studie daar is blijven wonen en/of blijven meeleven.

Onderweg van het parkeerterrein naar de kerk plenst het en ik arriveer als een verzopen kat in het kerkgebouw. De verwarming daar is uitgevallen. Het is heel koud, 13-14 graden. Mede door een bijzondere dienst ’s morgens en nog een Alpha-dienst om 19.30 uur is de opkomst matig. Verspreid door de kerk zitten zo’n 60 kerkgangers, de meesten rond of onder de dertig jaar. De lezingen zijn uit Ezechiël 34 – de profetische scheldrede over de herders die zichzelf weiden – en uit Johannes 10:11-16, over de Goede Herder, die de zijnen kent en zijn leven zet voor de schapen, want hij is geen huurling. De focus van de preek is de vraag ‘Wat is een goede herder?’ Doorgetrokken naar de vraag ‘Wat zijn leiders die wij de leiding over de kudde kunnen toevertrouwen?’ En het zicht, gescherpt door het Woord van Jezus over de Goede Herder, dat ‘er herders zijn die de kudde uiteenjagen, zodat zij schare wordt, dwalend, en angstig. En de schare kan dan zomaar worden tot een massa die de kwetsbare schapen vertrapt.’ 

Ik kom niet goed in de dienst. Met name tijdens het preken merk ik dat. Ik vergis mij een paar keer, en gebruik een paar keer meer woorden dan nodig (constateerde mijn vrouw tijdens het luisteren). De preek is nieuw, daar ligt het niet aan. Het was anders dan ’s morgens in een volkskerkelijke GB-gemeente.
Terug in de consistorie geeft een van de kerkenraadsleden een directe reactie. Niet onheus, wel duidelijk en beslist. Wat had mij ertoe gebracht om deze thematiek te kiezen? Hij had grondiger schriftuitleg verwacht van mij. Had ik mij voldoende gerealiseerd dat het merendeel van de kerkgangers hoogopgeleid was? ‘Begrijp ik u goed dat u de inhoud van de preek erg vanzelfsprekend vond?’ 
Mijn vraag was in de roos. Precies dat had hij ervaren. We praatten nog wat door, waarbij de andere kerkenraadsleden zich er ook in mengden met hun, andere, luisterervaringen.

Kritische feedback 


Opmerkingen na de dienst, in de consistorie, zijn er in soorten. Dat weet iedere prediker. Bijna altijd gaan ze over de preek: instemming, bevestiging, delen van geloof en verwondering, informatie, doorvragen, aarzeling, bezwaar, gemis, onuitgesproken afwijzing, uitgesproken kritiek. Vaak wordt er niets gezegd of blijft het bij een handdruk en een ‘bedankt’ of ‘Gods zegen op het Woord’. Dat is ook prima, denk ik. Maar daartussen varieert het. 

Na een aantal jaren weet je als voorganger de reacties ook steeds beter te peilen. Een informatieve vraag kan een uitnodiging zijn om even van hart tot hart door te praten. Het kan ook zijn dat je aanvoelt dat je gesprekspartner eigenlijk bedoelt dat hij het helemaal niet met de preek eens was, of zich zelfs heeft zitten ergeren. Door de jaren heen weet je als voorganger ook waar je eigen kwetsbare plekken zitten, waar je op moet passen wanneer er gereageerd wordt. Want op dat kwetsbare punt kun je al te zeer afhankelijk worden van positieve reacties, en verdrietig of boos worden – of allebei – als die uitblijven. Juist op zo’n kwetsbaar punt komt kritische feedback hard binnen. Het is goed om je dat te realiseren. Niet om eelt op je ziel te ontwikkelen: daar wordt niemand geestelijk beter van. Wel om jezelf te beschermen, zonder in de verdediging te schieten of kritische vragen te ontwijken. Ook dat valt te leren. Als het goed is weten wij ook waar onze allergieën zitten, voor typen reacties of voor typen mensen. Dat is ook niet onbelangrijk. Ben je je daar niet van bewust of heb je het even niet door, dan kunnen daar de dingen ineens heel verkeerd
uitpakken. Je gesprekspartner voelt zich – terecht – niet gekend in je (korzelige of afwerende)
reactie.
Feitelijk betreffen bovenstaande opmerkingen je professionaliteit, je ambtsbewustzijn, je zelfkennis
en zelfvertrouwen. Die samen maken je innerlijk vrij om gewoon te ontvangen wat naar je toekomt.
En om je voordeel te doen met reacties, ook als ze kritisch uitvallen. Niets is volmaakt, en wie heeft
nooit eens een mindere zondag? Je had al aarzelingen bij de voorbereidingen, je kwam er niet echt
uit. Heel vaak, leert de ervaring, raken de reacties aan punten waar je wat van leren kunt.
Het helpt om even te kauwen op de reacties. Ook wel: ‘effe knauwen!’ ‘Gewoon je voordeel ermee
doen’, zeg ik tegen mijzelf en mogen we tegen elkaar zeggen.
(Tussen twee haakjes: Ik ben mij ervan bewust dat ik hier uitga van een goede verhouding tussen
kerkenraad en predikant. Waar verhoudingen verstoord zijn, en geen sprake meer is van een kerkelijk, geestelijk gesprek maar van negatieve kritiek, is iets anders nodig. Iets vergelijkbaars geldt voor consistories waar nooit gereageerd wordt, waar geen gesprek is over de dienst of de preek. Daar lijdt menig voorganger aan, is mij bekend. Ook dan geldt dat iets anders nodig is, om het geloofsgesprek weer te leren voeren).

Drie leerpunten


Terug naar de casus. Een typisch voorbeeld van less good practice. De kritische feedback bleef mij bezighouden, op de terugweg en in de dagen erna. De broeder had een punt. Hij raakte mij bij een open zenuw. Hij beaamde de inhoud van de preek ‘vanzelfsprekend’ te vinden. Als ik iets erg vind, als kerkganger, is het dat wel. ‘Vanzelfsprekend’ staat voor mij gelijk aan ‘overbodig’. ‘Woorden, woorden, woorden’, maar ze voegen niets toe. Er gebeurt niets. Zulke feedback raakt mij als prediker in de kern van mijn zending. Ik moet er iets mee.

Ik formuleer drie conclusies / leerpunten. Daarmee rond ik de zaak voor mijzelf ook af.

  1. Allereerst een belangrijk punt van retorisch-homiletische, communicatieve aard. Het is op dat moment niet bij mij opgekomen om te vragen: zullen we dienst niet omgooien? Ik schetste de context: een koude kerk, met her en der in totaal 60 mensen. Had ik hen niet veel beter uit kunnen nodigen om op de voorste rijen een halve kring te vormen, voor een goed gesprek, van achter de katheder. Zonder toga of kansel. Na een lied en een kort gebed, de lezingen inleiden en doen, zeggen wat mij getroffen heeft bij de voorbereiding en dat ik deze teksten sterk hoor in relatie tot wat er rond leiders in deze wereld gaande is, de komende verkiezingen, de enorme kwetsbaarheid van de kudde, scharen die massa kunnen worden. Dan in 10 minuten, zoveel mogelijk uit het hoofd verwoorden wat ik graag wil doorgeven. Het mooiste zou zijn het uit te laten lopen op een interactief moment, of het helemaal interactief met de aanwezigen te doen. Met andere woorden: een leerhuis-achtige samenkomst. Die afsluiten met een lied, met voorbeden die uit de thematiek opkomen, en die hoorders aanreiken, en een gezamenlijk gebeden Onze Vader, dan slotlied en zegen. Alles samen drie kwartier. Ik weet zeker dat dat een hartverwarmende invulling zou hebben kunnen zijn.

  2. Cruciaal leerpunt is echter hermeneutisch van aard. Ik ben in de valkuil getrapt waar ik het in colleges en in de workshops homiletiek in de nascholing vaak over heb gehad. De boodschap die mij had geraakt en die ik aan de orde wilde doen komen, was er eigenlijk al voordat ik echt met de tekst bezig ging. De boodschap – focus, function – was wanneer ik terugkijk vooral de vrucht van mijn geïnvolveerd zijn in wat zich afspeelt in samenlevingen in deze wereld als het gaat om leiderschap, zorg over wat zich afspeelt in eigen samenleving, de lezing van een prachtige preek van Miskotte over Ezechiël 34 enJezus’ bewogenheid over de schare en de thematiek van de psychologie van volk en massa, waar Gustave Le Bon het al over had, begin twintigste eeuw. Deze beweging in mijzelf bij de voorbereiding, versterkt bij de lezing van de preek van Miskotte over Mattheüs 9 vers 36, heeft blokkerend gewerkt voor een eigen zeggingskracht van Johannes 10, het woord van en over de Goede Herder. Johannes 10 en dan met name het beeld van de Goede Herder in contrast met de huurling werd niet meer dan illustratief tegenbeeld van de herders die zichzelf weiden. Dat het in Johannes 10 nog wel om meer en anders gaat, kreeg geen kans. Mijn gesprekspartner in de consistorie had dus een punt.

  3. En dat wreekt zich vervolgens homiletisch. De preek was inhoudelijk toch vooral ‘mijn thema’ geworden. Dat werd nog versterkt door mijn inzet waarin ik vrij direct al het verband leg met het thema ‘leiderschap’, wat is een goede leider, et cetera. Door Ezechiël 34 vers 1 tot 6 wordt dat vanzelf een heel politieke thematiek. Dat is ook op zichzelf geen onzin. Het is een zeer politiek geladen gedeelte. Maar omdat de uitleg van Johannes 10 geen eerste en zelfstandige rol kreeg, kreeg de preek inhoudelijk geen verbinding met de zelfopenbaring van Christus in het ’Ik-ben’-woord in Johannes 10.

Achteraf teruglezend zie ik dat ik deze preek kan horen als een niet onware, en terzake uiteenzetting over wat leiders tot goede herders maakt, en wat de consequenties zijn voor mensen, samenlevingen, wanneer herders zichzelf weiden. De tegenstelling met de huurling spreekt voor zich. Ineens wordt een preek een thematische lezing, met Jezus als illustratie. En dan wordt het ‘vanzelfsprekend’ voor hoorders die ook wel een goede krant lezen, zo gaf mijn gesprekspartner mij terug. Daar kom je niet voor, zeker niet in zo’n koude kerk, om een half uur te luisteren wat je allemaal toch ook al door hebt.

Dat is het homiletische punt, en ook het geheim van de goede preek, als inwijding of heilsbemiddeling: dat je geraakt wordt in een onontkoombaar moment. Wanneer dat gebeurt, heeft altijd te maken met wat in het veld van de hoorders gaande is. Daarom sloeg dezelfde preek in de morgendienst duidelijk wel aan: wat aan de orde kwam raakt sterk aan wat daar speelt in de samenleving. En de liturgie gaf veel meer ruimte voor inwijding, toewijding, dan in deze middagdienst. Maar eerste voorwaarde is dat focus en function, of plot en narratief overtuigend opkomen uit de tekst.

Met dank aan de ouderlingen in de consistorie