Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

De niet-talige preek

Bijdrage aan een studiemiddag ter gelegenheid van de presentatie van het boek van Gerrit Immink ‘Over God Gesproken; preken in theorie en praktijk’. Op PreekWijzer kun je gratis twee gedeeltes uit dit boek lezen: De preek als performance en Van uitleg naar vertolking.

Zie ook

Is er een Protestantse performance?

Niet preken bij Defensie

Over God gesproken. De preek in theorie en praktijk.

Oefening baart kunst

14 maal. De preek die ik het vaakst gehouden heb, heb ik 14 x gehouden. Waarvan 12 weken opeenvolgend. Alle 14 keren was ook mijn vader in de kerk. In de tijd dat ik nog geen eigen gemeente had en wekelijks, met mijn vader, ‘uit preken’ ging, herhaalde ik preken veelvuldig.

Vaak is mij toen de vraag gesteld: ‘Verveelt het niet, telkens dezelfde preek te houden?’ Mijn vader kreeg om en nabij dezelfde vraag: ‘Verveelt het niet, om telkens dezelfde preek te horen?’ Voor ons beiden was het antwoord ‘nee’. Een goede preek breekt je leven, de week die net achter je ligt, je eigen geloofsleven, open tot op God. Hoe God in die ruimte, gecreëerd door de preek, werkzaam is, dat is elke week weer nieuw en heilzaam.

In mijn ervaring is een ingeoefende preek beter in staat zo’n ruimte te creëren dan een nieuwe preek. De eerste maal dat ik een preek houd, is zelden de beste. Aan de reactie van de gemeente kan ik bijna altijd merken dat de tweede keer beter landt, terwijl ik vaak geen woord aan de preek heb gewijzigd. De intonatie is de tweede keer bijna altijd beter, de accenten liggen op de juiste woorden, de stiltes vallen met meer trefzekerheid. Het lukt mij beter om de verschillende spanningsbogen in de preek vast te houden en samen met de gemeente naar het slot toe te bewegen. Ik heb de preek eenvoudigweg ‘beter in de vingers’. Door de jaren heen heb ik mij erover verbaasd hoeveel invloed een goede performance kan hebben!

Belangrijk voor die performance is ook dat mijn persoonlijk engagement bij een herhaalde preek groeit. Veel mensen veronderstellen dat die daalt. Bij mij groeit die. De ‘objectieve betekenis’ van de preek – waar professor Immink aan het einde van hoofdstuk 3 van Over God gesproken over schrijft (pagina 144) – is als het ware meer ingedaald bij mij. Ik kan de intensieve voorbereiding, exegese en het denkwerk beter loslaten en dat wat gezegd wordt beter tot mijzelf laten spreken. Dit persoonlijk engagement, deze ‘hartstocht’ zo je wilt, verbetert mijn welsprekendheid.

Voor mij dus veel herkenning in het 3e hoofdstuk van Over God Gesproken. Professor Immink vraagt daar, mijns inziens, héél terecht aandacht voor de preek als performance.

Vier punten van welsprekendheid

Deze performance weegt reeds mee tijdens het schrijven van de preek. Een viertal zaken zijn daarin voor mij door de jaren heen belangrijk geworden:

1. Hoe simpeler des te beter.
De religieuze láággeletterdheid (waar profesoor Immink in Hoofdstuk 1 over schrijft) is in mijn ervaring torenhóóg.

2. Zoveel mogelijk expliciteren wat ik in een preek doe.
Dus: signaalwoorden toevoegen, de functie van een voorbeeld uitleggen, verbanden verwoorden. Ik moet dus niet aan het slot van een preek de hoofdpunten gaan samenvatten, maar zeggen dát ik ze ga samenvatten en zo de hoorders meenemen in de gang van de preek. In mijn ervaring is er niet alleen sprake van religieuze laaggeletterdheid, maar van laaggeletterdheid in het algemeen. Waarbij mensen ook nog eens ánders geletterd zijn. Zoeken op het internet werkt associatief, teksten op de sociale media zijn vaak kort, veel taalgebruik is heel alledaags. Het is niet meer vanzelfsprekend dat mensen verbanden in een betoog kunnen volgen.

3. Ik gebruik vaak de directe rede,
waarbij ik hoorders op directe wijze aanspreek, bemoedig of een vraag stel. Zo betrek ik hen actief bij het preekgebeuren. Vooral vragen stellen maakt daar een belangrijk onderdeel van uit, met het doel de hoorder in beweging te zetten, niet zozeer na de preek (dat ook), maar tijdens de preek. Ik wil gemeenteleden in zekere zin laten participeren in de preek.

4. Daarbij aansluitend besteed ik altijd veel tijd aan het vinden van een aansprekend voorbeeld.
Een goed functionerend voorbeeld is in mijn ervaring een grote aanwinst voor je preek.

Niet-talige dimensies van de preek

En dat laatste, vierde punt brengt mij bij een thema dat in Hoofdstuk 3 van Over God gesproken enigszins onderbelicht blijft: de niet-talige aspecten van de preek en haar performance. De preek is bij mij zelden een enkel talige aangelegenheid. Ik gebruik redelijk veelvuldig beeldmateriaal: ik neem een voorwerp mee, of een foto, een cartoon, zet tekst op slides.

De preek is dus ook een visuele aangelegenheid en dat stelt heel eigen eisen aan de performance. Je moet daarvoor vaak samenwerken met beamisten, hen duidelijk maken wanneer wat in beeld komt, en – minstens zo belangrijk: wanneer niet. Timing is essentieel. Kwaliteit van het beeldmateriaal is van belang, maar ook de kwaliteit van de projectie, lichtinval, leesbaarheid. Het zijn aspecten die soms lastig te beheersen zijn, en waar vaak ook te weinig aandacht voor is. De beamer wordt al snel gezien als ‘ondersteunend’ bij de preek. Terwijl het beeldmateriaal mijns inziens onderdeel is ván de preek. Een belangrijk onderdeel zelfs. Want waar de geletterdheid daalt, vult de wijdverbreide beeldcultuur de leemte.

Niet-talige aspecten van de performance betreffen daarnaast ook je voorkomen, je kleding en de setting. Ik draag geen toga, dus kledingkeuze is best een ding. Als ik op de startzondag een spijkerbroek aandoe, omdat we na de dienst gaan fietsen, dan ‘werkt’ dat niet voor de preek. Andersom wekt het ook bepaalde verwachtingen dat ik geen toga draag, relatief jong ben, vrouw. Vorige week nog kwam een man na de verkondiging naar me toe en zei: ‘Sorry, dat ik het u zeg dominee. Maar tijdens de preek dacht ik: Dat meissie kan warempel nog preken ook!’

De preek als gezamenlijke performance

Bij de performance van de preek denk ik tegenwoordig niet enkel aan mijn performance, taal en beeldgebruik. Ik benader de preek ook al vaker als een, in ieder geval deels gezámenlijke performance. De vraag is dan: Hoe bereik ik dat gemeenteleden niet slechts hoorders en ontvangers zijn, maar participanten? Ik zoek bewust naar manieren om gemeenteleden te laten participeren in de preek om daarmee ‘geloofsaandacht’ (pagina 134) te genereren. Het begrip ‘performance’ dwingt mij daarbij om na te denken over de concrete, zintuigelijke en lijfelijke aspecten daarvan.

Een eenvoudige manier is om gemeenteleden tijdens de preek aan het woord te laten. Ga maar met elkaar in gesprek, wat roept de Bijbeltekst bij jullie op?

Ik zet de gemeente ook regelmatig aan het werk met een puzzeltje of opdracht. Ik laat mensen elkaar bijvoorbeeld handen geven. Ik heb weleens een puzzeltje met 9 stippen meegenomen. De 9 stippen zijn gearrangeerd zoals het toetsenbord van een telefoon: 3 naast elkaar, 3 eronder en nogmaals 3 eronder. Met 4 rechte lijnen moet je vervolgens alle 9 stippen verbinden. Mensen moeten dan letterlijk actief worden, hun liturgie pakken waar de afbeelding op staat, soms samen doen met hun buurman, actief puzzelen, en aan den lijve ondervinden dat outside-the-box denken zo makkelijk nog niet is, ervaren dat je als mens beperkt bent. De opdracht werkte goed om geloofsaandacht te constitueren, waarin we ons vertrouwen stellen op God die onze denkkaders overstijgt.

De performance van dergelijke elementen van de preek vind ik overigens allerminst makkelijk. Daar gaat het ook weleens mis. Ik had eens een fysieke oefening, waarbij de mensen moesten gaan staan en draaien, wat in de kerkbanken niet bleek te gaan. De verkondiging viel in het water.

Spanning

De preek als performance vind ik in dat opzicht ook een spannende onderneming. Gaat het wel werken wat ik bedacht heb?

Professor Immink schrijft daar verschillende treffende dingen over: over de persoonlijke kwetsbaarheid die het performen met zich meebrengt (pagina 114), het beroep dat de performance doet op je vermogen om in te kunnen keren tot jezelf (pagina 125). De mogelijkheid om je te verschuilen achter woorden of beelden (pagina 115), waardoor je toch niet helemaal eerlijk voor de gemeente staat. Gebruik ik deze insteek of dit voorbeeld om goed voor de dag te komen, of doet het wat het moet doen? En trouwens ook de spanning ten opzichte van God: Gebruik ik de relatieve machtspositie die ik als predikant heb integer? Doe ik God en zijn heil niet tekort?

Toch is er ook geen andere weg. Geloven is géén louter rationeel gebeuren, waarbij de preek dient voor de onderbouwing en overdracht geloofsovertuigingen. Geloof wordt geleefd en komt tot stand in doen, laten, voelen en denken. De preek dient daar mijns inziens bij aan te sluiten. Wie zich enkel druk maakt over de correcte inhoud van de preek, geeft daarmee óók een misrepresentatie van het geloof. Ik voel het daarom als mijn roeping om mij óók druk te maken over de performance.

En mócht de spanning daarover me te veel worden, dan denk ik maar weer eens terug aan die vele one-liners, die vroeger, in de evangelische gemeente waar ik opgroeide, te pas en te onpas gebruikt werden. En dan denk ik: ‘Ik doe gewoon mijn best, dan zorgt God wel voor de rest.’