Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Fictie rond Judas

In onze seculariserende samenleving komt kennis van de bijbel steeds meer bij de mensen binnen langs niet-kerkelijke of niet-theologische wegen. Boeken met wetenschappelijke pretenties zoals ‘Jezus en de vijfde evangelist’ van Fik Meijer en ‘Judas’ van Peter Stanford liggen in stapels in boekwinkels. Maar ook langs de weg van fictie komt de bijbel binnen. Een voorbeeld daarvan is de bestseller ‘Judas’ (2014) van de Israëlische auteur Amos Oz. Deze fictie kan een rol gaan vervullen in het gesprek over de bijbel, en in het geval van het boek van Amos Oz ook in het gesprek tussen Joden en christenen. Vanuit dat perspectief schrijft Hans Schravesande er over. Hij is theoloog en lid van de Protestantse Raad voor Kerk en Israël.

Het verhaal van Amos Oz gaat over de student Sjmoeël Asj die in 1959 een scriptie schrijft over ‘Jezus in de ogen van de joden’. Daarbij wordt hij gefascineerd door de persoon en rol van Judas Iskariot. Delen van de scriptie zijn bijna als een apart te lezen essay in het geheel van het boek verweven. In de gesprekken van Sjmoeël met de andere hoofdpersonen in het boek krijgen Jezus en Judas nadere contouren.

Hoe historisch verantwoord zijn de beelden die daarbij naar voren komen? In het Nieuwe Testament zijn rond de figuur van Judas feit en fictie al onontwarbaar verweven, met steeds meer negatieve bewerkingen vanaf Markus tot en met Johannes. Wat als daar nog eens de verhalende fictie van Amos Oz overheen gaat?

Jorge Luis Borges

Judas heeft altijd aanleiding gegeven tot literaire fictie, soms vermengd met theologische fictie. Het mooiste voorbeeld daarvan is het korte verhaal van de Argentijnse auteur Borges ’Drie versies van Judas’ (in ‘Fantastische verhalen’, 1944). De fictieve Zweedse hoogleraar Nils Runeberg schrijft achtereenvolgens drie boeken over Judas waarin hij telkens een ander en verder reikend standpunt inneemt. Bij de derde gestalte van Judas is hij zelfs een incarnatie van God geworden. Als God echt door mens te worden de mens wil verlossen, moet hij wel de meest afschrikwekkende vorm aannemen: die van Judas. Borges kleedt zijn verhaal wetenschappelijk in. Hij noemt de drie boektitels in het Zweeds, veel namen van andere geleerden (soms zelfs een echte) en weet binnen de zeven pagina’s van het verhaal ook nog flinke (pseudo?) wetenschappelijke voetnoten toe te voegen. Tegelijk leent het verhaal zich niet alleen voor een literaire analyse, maar ook voor theologische reflectie. Hoe ver reikt de incarnatie om werkelijk incarnatie te zijn, en geen schijn? Hoe kan God een menselijke natuur aannemen die zonder zonden is, en die daarom naar het gevoel van sommigen daarom juist niet meer menselijk is? Wat betekent het als volgens 2 Kor. 5,21 God Christus ‘één met de zonde heeft gemaakt’?

Jezus in Joodse ogen

Ook bij Amos Oz is de literaire fictie verweven met theologische fictie. Zijn Jezusbeeld is nog het duidelijkst wetenschappelijk gefundeerd. Dat is geïnspireerd door het bekende boek van de joodse geleerde Josef Klausner, die in 1922 in het Hebreeuws een belangrijk boek over Jezus schreef. Klausner was een oudoom van Amos Oz. In zijn autobiografie ‘Een verhaal van liefde en duisternis’ vertelt Oz hoe zijn positieve beeld van Jezus mede door zijn oudoom ontstond. Dat beeld vinden we ook nog in zijn boek ‘Judas’ terug. Jezus was in alle opzichten joods. Pas bij Paulus begint het christendom zich af te tekenen.

Voor de tekst van de scriptie van Sjmoeël over ‘Jezus in de ogen van de joden’ verwijst Oz aan het eind van het boek naar wetenschappelijke bronnen. Maar hij heeft de tekst van de scriptie wel aangepast aan de gehele opzet van de roman. Daarin ontdekt Sjmoeël dat geen van de joodse commentatoren over Judas geschreven heeft. Hij doet dat in zijn scriptie wel. Maar zou Oz niet geweten hebben dat zijn oudoom Klausner dat al op een originele manier gedaan heeft? In de scriptie wordt ook verwezen naar het befaamde joodse anti-christelijke geschrift ‘Toledot Jesjoe’ (‘Geschiedenis van Jezus’). Maar juist daarin staat Judas in een tweestrijd diametraal tegenover Jezus. De verwijzing van Oz naar zijn bronnen vormt geen garantie voor een goede historische verantwoording: de fictie vervormt de feitelijkheid van zijn bronnen.

Van infiltrant tot vertrouweling

De meeste elementen van de visie van Sjmoeël op Judas vinden kunnen we bij anderen terug vinden. Maar er zijn ook eigen accenten en ‘plots’. Iskariot leest hij als ‘man (‘is’) uit Keriot’, en hij neemt aan dat Keriot een plaats in Judea is. Deze achtergrond onderscheidt Judas van de andere discipelen, die allen uit Galilea afkomstig zijn. De priesters in Jeruzalem vragen hem in de groep van Jezus te infiltreren en hem te bespioneren. Een motief dat ook in de ‘Toledot Jesjoe’ voorkomt. Judas raakt echter onder de indruk van Jezus en wordt zijn vriend en vertrouwensman. Hij gaat zelfs als eerste in de goddelijkheid van Jezus geloven en wordt zo de eerste christen. Maar om anderen, of zelfs de hele wereld, van Jezus’ goddelijkheid te overtuigen zou hij volgens Judas levend van het kruis moeten afdalen. Zo zou het Koninkrijk der hemelen aanvangen. Judas doet alle moeite om de priesters te overtuigen dat Jezus berecht moet worden. Maar ook Jezus, die aarzelt, zet hij aan om de weg van berechting en kruisiging te gaan. Zo wordt Judas ’de bedenker, de impresario, de regisseur en de producent van het spektakel van de kruisiging’. Omdat het scenario anders uitpakt, krijgt Judas wroeging: ‘Ik heb hem vermoord. Hij wilde niet naar Jeruzalem en ik heb hem tegen zijn zin meegesleept’.

Christelijke plaatsbepaling

Amos Oz verwijst nergens naar motieven die Judas zou hebben vanuit zijn politieke Messiasverwachting, waarin Jezus hem teleurgesteld zou hebben. Dat is een beeld dat we bij veel joodse, maar ook christelijke commentatoren vinden. Judas zou met de Zeloten, of hun voorgangers, sympathiseren. Het beeld van Judas bij Amos Oz is anders en vertoont eerder trekken van veel christelijke theologie van de afgelopen eeuwen die uit is op een rehabilitatie van Judas. Er is in de theologie een doorlopende lijn van diabolisering van Judas, ook in termen van anti-judaïsme en antisemitisme, die culmineerde in het Nazisme en in Duitse theologie die daar voeding aan gaf. Maar er was ook een lijn die Judas zag als ‘mens als wij’. Wij zouden allemaal Judas kunnen zijn. Judas bepaalt ons bij de mogelijkheden en onmogelijkheden van het volgen van Jezus. Dat is de strekking van een toerustingsbrochure van de PKN uit 2004 met de veelzeggende titel ‘Judas, verrader of vriend? Over navolging tussen ideaal en werkelijkheid’. Veel nadruk wordt er dan op gelegd dat er in het Grieks niet staat dat Judas Jezus ‘verraadde’, maar dat hij hem ‘overleverde’, als deel uitmakend van een plan van God. Maar er zijn ook verdergaande tendensen in de theologie, waarin benadrukt wordt dat zonder de rol van Judas Jezus niet gekruisigd zou zijn en er daarom geen verlossing zou zijn. Judas zou zich daarvoor opgeofferd hebben. Zo wordt hij bijna een held. Dat is overigens nog veel meer een tendens in de literaire fictie over Judas dan in de theologie. Op de achtergrond speelt daarbij recent de invloed van de ontdekking van het apocriefe ’Evangelie van Judas’ en de positieve rol die Judas daarin vervult. Vanuit dit perspectief vertoont de Judas van Oz zich meer in een christelijk dan in een joods perspectief.

Klein gebaar

In het christendom wordt de schijnbare mislukking van het kruis opgeheven door de opstanding. Bij Oz verliest Judas zijn geloof op het moment van Jezus’ dood aan het kruis. Over Judas is de bijbelse overlevering verder alleen maar negatief (afgezien van wat Matteüs schrijft over zijn berouw). Bij Oz breekt er toch nog even een positief licht door over Judas. Oz zelf zegt in een interview dat hij niet gelooft in de grote revolutionaire scenario’s om de wereld te veranderen. Hij gelooft alleen nog in het kleine gebaar. Daarbij verwijst hij er naar hoe in zijn boek Judas zich na de dood van Jezus wil ontfermen over een zwanger dienstmeisje en over een zieke hond, ook al maakt hij kort daarna een einde aan zijn leven. Omdat het Koninkrijk niet doorbrak zoals Jezus gepredikt had, of heel anders dan verwacht, blijft ook voor ons als christenen deze navolging van Jezus soms niet anders mogelijk dan in het kleine gebaar. Ook dat is een ‘oprichten van tekenen van het Koninkrijk’, zoals we vaak vanaf de jaren zestig hoorden. Een messiaanse visie die in de praktijk niet veel hoeft te verschillen van een joodse messiaanse visie.

Verrader of klokkenluider?

Over de vraag of Judas Jezus verraden heeft is en wordt nog altijd veel geschreven. Hoewel verraad het centrale thema is van het boek van Oz, is het antwoord op de vraag of en hoe Judas een verrader is, moeilijk te beantwoorden. Maar dat geldt ook voor de hoofdpersonen van zijn boek en is mede bepalend voor de literaire kwaliteit ervan. Om de hier opduikende dilemma’s anders te benaderen kan verwezen worden naar zijn oudoom Josef Klausner. Die wees er op dat Judas Jezus mogelijk als een valse profeet was gaan zien, die daarom de doodstraf kon krijgen volgens Deuteronomium 13. Vanuit dat perspectief deed Judas zijn godsdienstige plicht door het Sanhedrin als (bevoegde?) religieuze rechtbank te laten oordelen. In het moderne onderzoek naar de historische Jezus komen motieven naar voren die hieraan verwant zijn. Zo zou Jezus met de tempelreiniging en de instelling van het avondmaal als kritiek op de offers in de tempel een voor Judas onaanvaardbare weg ingeslagen zijn. Of Judas zou de hogepriesters gemeld hebben dat Jezus zich als de koning van de Joden zag, die met zijn twaalf discipelen zou gaan heersen. Dat Judas het om het geld gedaan zou hebben, of dat hij onmisbaar was om Jezus bij zijn arrestatie te identificeren, is als belangrijkste motief zeer onwaarschijnlijk. Zou een Judas in religieuze gewetensnood niet eerder te begrijpen zijn? Eerder een klokkenluider dan een verrader? Ook in onze samenleving is de klokkenluider voor sommigen een verrader, voor anderen een held.