Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Fluitend huiswaarts fietsen

Na de preek: Seelsorge, feedback en zelfkritiek

Nadat Martin Luther King zijn I’ve been to the Mountaintop-preek heeft uitgesproken, direct na het befaamd geworden slotakkoord, I’ve seen the promised land, but I may not get there with you, keert hij aangedaan van het spreekgestoelte terug. Op de beelden is dan zichtbaar dat hij opgevangen en omhelsd wordt door zijn levenslange kameraad, Ralph Abernaty. Daar is tussen die twee een intuïtief weten dat dit moment veel heeft gevraagd en dan is er na dat moment een kompaan die hem opvangt. Nu is het natuurlijk grotesk om onze eigen momenten na de kerkdienst daarmee te vergelijken. De fysieke en psychische druk waaronder King veertien jaar heeft geleefd en gepreekt, is niet te vergelijken met de onze. Wij staan daarnaast in een andere homiletische traditie: de gereformeerde preektraditie is bijvoorbeeld didactischer. De prediker is eerder didaskalos dan mysticus, laat staan extaticus. En toch: iets ervan begrijp ik wel. Iets ervan is misschien ook wel verweven met de acte van het preken zelf. Manfred Josuttis heeft beschreven hoe de prediker in de prediking voorgaat in het betreden van de ‘zone van het Heilige’ en hij voegt daaraan toe dat die zone in onze cultuur een ‘verboden zone’ is, ‘weil diese Macht die einzige reale Alternative gegenüber den destructiven Tendenzen des Mammonismus darstellt’. Het Heilige, zegt Josuttis, is de enige macht die de Mammon aankan. Preken is dus verweven met het je begeven in krachtenvelden. Je preekt in een gemeente, in een cultuur, in een wereld van machten en belangen en vanuit een eigen bestaan. Prediking is bijna ondenkbaar zonder deze vormen van spanning. Natuurlijk die zijn gradueel en contextueel, maar ook, op de een of andere manier, intrinsiek verbonden met de verkondiging van de Naam.

Der Pfarrer nach der Predigt bedarf Seelsorge, schrijft Bonhoeffer in zijn Homiletik. Na de dienst ben ik kwetsbaar, merk ik. Moe, soms onbestemd, soms bijna euforisch, soms door iets ongrijpbaars dat in de dienst gebeurde beschäftigt. Maar altijd raakbaar. Het is de ontlading van een spanning, als het goed is: een gezonde spanning. Je leeft een hele week studieus toe naar de zondagse dienst, je hebt gezocht naar het goede en het bevrijdende woord en daar bid je om, je hebt mensen in gedachten gehad, je bent in de liturgie daadwerkelijk ook samen in een verdichte zone van het bestaan. Er speelt zoveel in levens van mensen, en dat weet je als gemeentepredikant. Ik zie de geraaktheid, of juist de afwezigheid daarvan, en dat alles absorbeer ik. Daarnaast speelt de eigen voorafgaande week mee in de dienst, denk ik. Een ruzie, een zorg, een zelfverwijt, een drukte. Dat concentreert zich op een bepaalde manier in de dienst, en dat vraagt ook om zorgvuldigheid, in de omgang met jezelf, met de gemeente en ook: in de omgang van anderen met de prediker. Bonhoeffer spreekt dus over momenten van Seelsorge na de dienst. Dat is denk ik ook: beschutting. Dat heb ik in ieder geval nodig. Bescherming tegen een reductie van de eredienst in clichés, bescherming tegen de trivialisering, de snauw of de vileine manier waarop iets goeds uit de dienst ook afgebroken kan worden. Ik ben na de preek vatbaar voor inkepingen in mijn gevoelsleven die een dag en soms langer in mijn ziel in kunnen trekken.

MACHT VAN DE ONTVANGER VERSUS ‘LUISTERCAPACITEIT’

Ik denk dat predikant-zijn een bestaanswijze is met een moeilijk te preciseren ‘afbraakrisico’. Iedere publieke functie met enig gezag is in onze samenleving een aangevochten en bekritiseerde positie, en op al die terreinen hoor ik van afbraakrisico, van agressie en van al heel snel ‘ik ben helemaal klaar met jou’ (in het onderwijs, in de politiek, in het leiding geven in de publieke sector, bij politie en justitie). Alom agressie. Er is een virulente argwaan werkzaam ten opzichte van een ieder die ambtelijk of persoonlijk gezag draagt. Jossutis heeft ook geschreven over de agressie die altijd onder de oppervlakte ook in de gemeente werkzaam is. Ik denk dat predikanten dat bewust of onbewust weten en voelen. Om een voorbeeld te geven: Neem nu de eis om ‘bediend te worden’. Welhaast de eis tot zogenaamde ‘boeiende prediking’, de eis tot relevantie voor tal van uiteenlopende doelgroepen in de gemeente, de eis om zowel missionair te zijn als geleerd, praktisch en tegelijkertijd contemplatief, meeslepend en nuchter, profeet en buurman. Dat is een uiterst complexe spanning. Je hebt je ertoe te verhouden, ze is immers onderdeel van het communicatieproces waarin je je begeeft. Je hebt je ertoe te verhouden, en er zelfs van te leren. En tegelijkerker tijd kun je jezelf er niet aan uitleveren, kun je niet zonder momenten waarop je dat weerspreekt en er niet aan toegeeft. Over spanning gesproken.

Jan Driessen, oud-journalist en communicatiedeskundige schrijft in zijn nieuwe boek over de macht van de ontvanger in onze huidige samenleving. In het communicatieproces heeft volgens hem een verschuiving plaatsgevonden, waarin de ontvanger keurt, oordeelt en conclusies trekt. Daar ligt de macht. Veel communicatieprocessen in media, in onderwijs, in amusement, zijn erop gericht om die ontvanger tevreden te houden en dat stimuleert de consumerende macht. Soms kunnen mensen dat stilzwijgend of expliciet aan je communiceren, dat ze het recht hebben om na een drukke week ‘bemoedigd, geïnspireerd en met praktische tips’ de dienst te kunnen verlaten, en ‘jij hebt daarvoor te zorgen’. Ik heb het idee dat die druk toeneemt. Je zou eens nader moeten onderzoeken op grond waarvan die macht van de ontvanger uitgeoefend wordt, ook in de eredienst. Wat zijn eigenlijk de criteria waarmee geluisterd wordt? Het punt is dat er in onze samenleving tal van contexten zijn waarin wij daaraan wennen, aan die selecterende macht van de ontvanger. Misschien groeit een hele generatie er wel mee op. Dat gebeurt dus ook in de gemeente, en die druk voel ik. Prediking staat onder druk. Je ziet mensen mentaal wegzappen wanneer er even niet geappelleerd wordt aan wat zij voor ogen hebben. In veel gemeentes zijn zoveel ‘belangengroepen’ die op een bepaalde manier allemaal hun eisen hebben ten aanzien van de liturgie, de prediking, de prediker, de vormgeving en aan de gestalte van de gemeente.

Dat zou een mooie thematiek voor een Areopagus-cursus zijn: hoe daarmee om te gaan in de gemeente, ook als predikers. Hoe misschien het didactische op nieuwe manieren vorm te geven? Hoe, tegelijkertijd en nog veel belangrijker, de gemeente misschien ook te leren om te luisteren. Want dat is het navrante: Je moet in je leven ook leren om naar preken te luisteren. Dat krijg je op weinig plekken meer mee. Wie leert je dat eigenlijk? De cultuuroverdracht betreffende de houding in de eredienst kalft af. Ouders, die hun eigen vluchtigheid amper de baas zijn. Een omgeving die zo laatdunkend over prediking kan spreken. Misschien zouden we een cursus kunnen ontwikkelen voor de gemeente, juist hierover: leren luisteren. Eigenlijk denk ik dat vaak: de kracht van een preek wordt voor een groot gedeelte bepaald door de geestelijke ontvankelijkheid en de ‘luistercapaciteit’ in de gemeente. Als je amper luisteren kunt hoor je zelfs het prachtige niet, en als je goed luisteren kunt hoor je het prachtige zelfs in het gebrekkige. Misschien zouden we het onderzoek van Theo Pleizier (over de positie van de hoorder in het preekproces) kunnen vertalen naar een format voor gemeente-avonden. Josuttis, een theoloog van de nuance, is uitzonderlijk fel over de verhouding tussen prediking en de toenemende belevingscultuur: ‘Wer sich dem Diktat der Erlebnisgesellschaft unterwirft, hat schon verloren.’

Ik kom daarop, op de nieuwe macht van de ontvanger, omdat in de spanning van de kerkdienst ook de teleurstelling een rol speelt. In ieder geval bij mij. Ik heb iets gevonden waarvan ik denk dat het bepaalde gemeenteleden echt zal helpen, ik heb er vreugde aan beleefd, dat ik tijdens de voorbereiding van de preek een woord voor hen op het spoor kwam. En terwijl ik op de kansel staat en hen zoek, zie ik dat ze er helemaal niet zijn. Dat kan zijn omdat er ergens anders een neefje gedoopt werd, maar het kan ook heel goed zijn dat de tenniscompetitie weer begonnen is. Wie zal eens schrijven over de veerkracht die predikant-zijn ook vraagt in het omgaan met dergelijke teleurstellingen. Überhaupt, wie zal eens onderzoek doen, zo dat te onderzoeken is, naar het effect van lege kerken op de kracht van de prediking alsmede op het innerlijk van de prediker? Een lege kerk is ook een wasemend signaal, teken van de macht van de ontvanger. Het

vraagt iets van mij als prediker, dat preken als een soort ins Leere reden. De twijfel die het me oplevert, maar ook soms: de grimmigheid.

DISTANTIE, FEED-BACK EN ZELF-KRITIEK

Ik blader terug in Bonhoeffers Homiletik. Boeiend om te lezen hoe hij predikers opleidt met het oog op de spanning in hun specifieke context, die er niet om loog. Bij Bonhoeffer lees ik dus ook over die intrinsieke spanning van de eredienst. Een preek wordt twee keer geboren, zegt hij, een keer in de studeerkamer en een keer op de kansel, ‘und die zweite ist die wirkliche Entstehung’. Dat is de spanning die ik herken, of de geschreven tekst zich losweeft van het papier en een nieuwe dynamiek krijgt. En ook, nogmaals Bonhoeffer: Zoals in de Joodse, de orthodoxe en de rooms-katholieke liturgie het sacramentele handelen van de priester minutieus is vastgelegd, omdat de werkzaamheid van de handeling ermee verweven is, analoog daaraan moet ook het spreken van de protestantse dominee aan een bijzondere tucht worden onderworpen, dixit Bonhoeffer. Er dient precisie te zijn in het spreken. Het spant erom wat je zegt en hoe je het zegt.

Maar wat me vooral opvalt is het volgende. Bonhoeffer zet namelijk zijn vraagtekens bij predikanten die uitgeput de kansel afkomen. Ik voel me gelijk aangesproken, want dat ken ik wel degelijk. Bonhoeffer: ‘Das ausgeschöpft-Sein nach der Predigt ist ein böses Zeichen: es steckt dahinter eine unrechte Haltung’. En zelfs: ‘Es liegt eine Schwärmerei, wenn so eine völlig Leere nach dem Gottesdienst eintritt. Die körperliche Verfassung ist oft bezeichnend für die geistliche Haltung’. In lijn met zijn eigen homiletische traditie, waarschuwt Bonhoeffer juist voor het persoonlijk je uitleveren in de prediking. Domineert je persoonlijkheid dan niet de liturgie, de uitleg en de voordracht?, zal hij me vragen. Ik denk: Bonhoeffers nadruk op het Woord, op het rechte spreken, wil juist de persoon van de prediker beschermen. Op de beslissende momenten moet er juist een stap opzij worden gezet. Dat helpt mij in mijn eigen reflectie over mijn eigen prediking. De spanning in de kerkdienst moet primair gaan om de vertolking van het Woord in het nu. Dat is onmogelijk zonder persoonlijke participatie daarin, de preken van Bonhoeffer zelf laten dat ook zien, de exegeet is voluit Zeitgenosse, en tegelijkertijd dient daar ook distantie bewaakt te worden, de distantie van de prediker tot het Woord, en die distantie is voor iedereen heilzaam.

Ik herken dat in die zin dat mijn mooiste momenten op de kansel gebeuren als het lijkt alsof ik er zelf amper toe doe. Wanneer je de ervaring soms opdoet dat je grip hebt gekregen op de tekst, dat de exegese op een organische manier zijn uitweg vond in werkelijkheden van vandaag, en dat op het moment van prediking dat voelbaar werd, zodat de tekst en de kracht van het Evangelie een eigenstandige kracht werd, dan ontstaat er een andersoortige ruimte in de prediking, een ruimte die hoorder en prediker overstijgt. Het is dan niet een directe vorm van interactie, zo voelt het, maar het is samen getuige zijn van een zich ontwikkelend krachtenveld, die generatief is voor zowel hoorder als prediker. Hoe anders voelt het ‘ploegen’, wanneer ik voor mijn gevoel in een direct spanningsveld ben gekomen met de gemeente of met mezelf, met afwezigen of met een cultuur. Ploegen omdat ikzelf moe ben of amper de tekst heb doorgenomen. Ploegen omdat het routineus is of een snelle hap, en zelf weet ik dat drommels goed. Ploegen omdat ik gehinderd wordt door de desinteresse of de lege kerk. Daar kun je zelf op zo’n dominante manier in aanwezig zijn, dat het uitput. Bonhoeffer lijkt dat te onderkennen en ervoor te waarschuwen, en dat neem ik ter harte. Je bent betrokken bij het gebeuren van het Woord, en als dat gebeurt ben ikzelf, op de een of andere manier, net zozeer ontvanger als heel de gemeente.

Misschien is deze tegenspraak van Bonhoeffer op mijn eigen vermoeidheid na de dienst, een illustratie voor hoe ik preken beleef, namelijk als een hopelijk vruchtbare en gezonde manier van continue zelfkritiek. Ik schreef hierboven wel dat het op de generatieve momenten lijkt alsof ik er zelf niet toe doe, en in een meer mystieke zin is dat ook waar. Maar het is ook niet waar. Prediking is hard werken, vind ik. Tijd nemen om te vertalen en om ‘in de tekst te zijn’. Een structurele prioriteit in je agenda voor de preek. Proberen te bidden en in mijzelf ruimte te laten ontstaan.

Studeren en zorgen dat je literatuur op orde blijft. Op een bepaalde manier raakbaar zijn. Juist in dat proces ligt zelfkritiek besloten. Je weet zelf namelijk heel goed of je de afgelopen week in dit proces integer bent geweest, of beter gezegd: trouw, of niet. Ik schaam me soms, als ik de haast bij mezelf bemerk ‘om even snel een boodschap uit de tekst te knijpen’. Stilletjes geniet ik ervan als de tekst dat weerstaat en zichzelf sluit voor mijn haast. Alsof ze zegt: Als je geen tijd hebt voor mij, sluit ik mezelf af voor jou. God ligt niet te raap voor haastige mensen, niet onder de kansel en niet op de kansel. Dat vind ik het fascinerende, het vreugdevolle en het veeleisende van preken: Juist in de ‘zone van het Heilige’ sta ik zelf toch ook steeds onder spanning en kritiek. In mijn ervaring vraagt het juist studie en voorbereiding om zelf zo min mogelijk aanwezig te zijn in de preek. En op die momenten kan preken lichtvoetig worden. En andersom idem dito: des te schraler mijn voorbereiding, des te groter mijn eigen aanwezigheid in de preek, met mijn stokpaardjes, mijn standaard tracks, met manna van vorige week. Des te schraler mijn voorbereiding, des te vaker moeten de hoorders zich tevreden stellen met junkfood.

Na de dienst heb ik Seelsorge nodig. Dat is geen complimentje ofzo. Die Seelsorge, zegt Bonhoeffer en dat herken ik gelijk, is het moment waarop door een ander uitgesproken wordt hoe en waar het Godswoord herkend is. Juist op die momenten, dat gezegd wordt hoe het Godswoord herkend is, gaat het helemaal niet over mij en eigenlijk niet eens zozeer over de hoorder die ervan spreekt. Vaak gaat het dan eindelijk over God. Als zo’n moment gebeurt na de preek ga ik fietsend naar huis, fluitend dat dit prekend bestaan een bevoorrecht leven is.

Kees van Ekris, studieleider Areopagus, predikant te Zeist.

Literatuur

Dietrich Bonhoeffer: ‘Vorlesung über Homiletik’, in: Illegale Theologen-ausbildung Finkenwalde 1935-1937 (Dietrich Bonhoeffer Werke. Band 14), pp 478-529

Jan Driessen: A story to tell. Laat je inspireren door sprekers van wereldformaat, uitg. Bertram & De Leeuw, maart 2016.

Manfred Josuttis: Die Einführung in das Leben. Pastoraltheologie zwischen Phänomenologie und Spiritualität.