Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

God almachtig?

“Ik geloof in God de Vader, de Almachtige.” Zo begint de bekendste christelijke geloofs­belijdenis. Het klinkt misschien mooi, maar het roept ook veel vragen op. Als God almachtig is, waarom maakt hij dan geen einde aan de ellende? Als God alles kan, waarom gebeuren er dan toch veel afschuwelijke dingen? Wat zegt de Bijbel eigenlijk over Gods almacht? Hierbij de eerste blog over die vraag.

Is God volgens de Bijbel almachtig? In deze eerste blog over Gods almacht bespreek ik de vraag of het woord “almachtig” in de Bijbel voorkomt. Als je oudere Bijbelvertalingen leest, lijkt het antwoord op die vraag meteen duidelijk: Ja, God is almachtig. Maar nieuwere vertalingen laten zien dat er iets aan de hand is.

Oude Testament

In de oudere Bijbelvertalingen wordt God herhaaldelijk aangeduid als “de Almachtige”. In de Statenvertaling (17de eeuw) en NBG-vertaling (1951) vind je die benaming ongeveer vijftig keer in het Oude Testament en ongeveer tien keer in het Nieuwe Testament. In de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) komt de vertaling “de Almachtige” alleen nog voor in het Nieuwe Testament en helemaal niet meer in het Oude Testament. Hoe kan dat?

Voor de verklaring moeten we terug naar het Hebreeuws, de oorspronkelijke taal van het Oude Testament. In het Hebreeuws van de Bijbel komt geen woord voor dat “almachtig” betekent. Het Hebreeuwse woord dat de oudere vertalingen weergeven met “de Almachtig” is Sjaddaj. Dat woord komt bijna vijftig keer voor, bijvoorbeeld in Genesis 17:1, waar God tegen Abraham zegt: “Ik ben God Sjaddaj.”

Hoewel de naam Sjaddaj dus vaak voorkomt in het Hebreeuwse Oude Testament, is de betekenis niet zeker. Waarschijnlijk wisten de Bijbelschrijvers ook niet meer precies wat die oude naam betekende. Maar in elk geval is de betekenis niet “de Almachtige”. De Nieuwe Bijbelvertaling (2004) vertaalt Sjaddaj met “de Ontzagwekkende” en de Bijbel in Gewone Taal (2014) heeft vaak “de Machtige” als vertaling, maar ook die vertalingen zijn waarschijnlijk niet juist.

De aannemelijkste betekenis van Sjaddaj is “de Bergbewoner”. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een vreemde benaming voor God, maar in de tijd van de Bijbel was de voorstelling dat de goden op een hoge bergtop woonden heel gangbaar. De oude Grieken dachten dat de goden op de Olympus woonden. Zo werd in het oude Midden-Oosten gedacht dat de goden op de berg Zafon woonden (aan de Middellandse Zeekust op de grens van Syrië en Turkije), of op de berg Ararat (in Turkije, bij de Armeense grens), of in het geval van de God van de Bijbel op de berg Zion in Jeruzalem. “Bergbewoner” was dus een passende aanduiding voor een god.

Oud vertaalprobleem

In de derde eeuw voor Christus woonden veel joden buiten hun eigen land Israël. De joden in Egypte vergaten het Hebreeuws na enige tijd en hadden behoefte aan een Bijbelvertaling in de taal die ze nu spraken, het Grieks. De vertaling kreeg de naam Septuaginta. De vertalers vonden het lastig om voor het raadselachtige woord Sjaddaj een goede weergave te vinden. Ze kozen de ene keer voor de ene vertaling en de andere keer voor een andere. Het woord Sjaddai komt verreweg het meeste voor in het boek Job, in de lange gesprekken tussen de doodzieke Job en zijn drie vrienden (31 keer). Daar kozen de vertalers er meestal voor om Sjaddaj weer te geven met het Griekse woord Pantokrator, dat “de Almachtige” betekent.

De vertalers van de Statenvertaling en de NBG-vertaling (1951) kenden de oude Griekse vertaling van het Bijbelboek Job. Daarom besloten ze het woord Sjaddaj consequent met “de Almachtige” te vertalen, ook in alle andere boeken van het Oude Testament. Zo kwam dat woord “Almachtige” terecht in onze Nederlandse Bijbelvertalingen. Die vertaling gaat dus terug op de laatste eeuwen vóór Christus, maar juist is die vertaling zeker niet.

Machtig of Almachtig?

In de Griekse vertaling van het Oude Testament werd God dus weleens aangeduid als Pantokrator, oftewel “de Almachtige”. Dat Griekse woord was niet alleen de vertaling voor het Hebreeuwse Sjaddaj. Het kon ook de weergave zijn van een andere benaming van God, namelijk van “de Heer Zebaot”. Die benaming “de Heer Zebaot” betekent letterlijk “de Heer van de legers” en duidt aan hoe machtig God is. Zie bijvoorbeeld 1 Samuël 17:45. Daar zegt David tegen zijn vijand Goliat:

Jij komt op me af met je zwaard en je lans en je kromzwaard, maar ik kom naar jou toe in de naam van de Heer van de legers, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt.

De benaming “Heer van de legers” werd in de oude Griekse vertaling dus vaak weergegeven met Pantokrator, “de Almachtige”. Die vertaling is natuurlijk niet letterlijk. Ze sluit min of meer bij de bedoeling van de oorspronkelijke tekst, maar gaat een stapje verder: God is niet alleen machtig, hij is zelfs almachtig.

Nieuwe Testament

Het woord Pantokrator, oftewel “de Almachtige”, komen we niet alleen tegen in de Griekse vertaling van het Oude Testament, maar ook in het Nieuwe Testament, dat ook geschreven is in het Grieks. Het wordt bijna uitsluitend gebruikt in het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes. Het komt ook nog één keer voor als Paulus een stukje uit het Griekse Oude Testament citeert in een brief aan de Korintiërs (2 Korintiërs 6:8), maar Paulus kiest er verder nooit voor om het woord te gebruiken. Ook Jezus gebruikt het woord Pantokrator in de evangeliën niet.

In het Bijbelboek Openbaring wordt het woord Pantokrator negen keer gebruikt. Waarom staat het woord zo vaak in dat laatste Bijbelboek? Dat kan toch geen toeval zijn! Het heeft ermee te maken dat het boek geschreven is voor christenen die vervolgd worden door de Romeinse overheid. Ze geloven in God, maar wat ze aan den lijve ervaren is niet dat God het voor het zeggen heeft, maar dat hun vervolgers heel veel macht hebben. Deze christenen dreigen de moed te verliezen. Dat God machtig is, is voor hen zeker niet vanzelfsprekend. Het boek Openbaring wil laten zien dat God alles in zijn handen houdt, ondanks de vervolgingen. In zijn visioenen ziet Johannes God zitten op een troon. Dat betekent dat hij meer macht heeft dan wat dan ook. Hij is machtiger dan al het slechte, ook machtiger dan de Romeinse vervolgers.

Dat God almachtig is, is voor de christenen op dat moment niet iets dat ze zien, maar toekomstmuziek. Pas later zal blijken dat het zo is. Dan bereikt God wat hij altijd al wilde. Alle ellende is voorbij en dus wordt er gejuicht. Zie Openbaring 19:6:

Halleluja! De Heer, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap op zich genomen.

De weergave hierboven komt uit de Nieuwe Bijbelvertaling (2004). Dat hier “de Almachtige” staat is terecht, want dat is precies de betekenis van het Griekse woord Pantokrator.

In de Openbaring van Johannes wordt God dus “almachtig” genoemd. In het Oude Testament is dat niet zo. Daar komt in de Nieuwe Bijbelvertaling het woord “almachtig” terecht niet meer voor. Toch zegt dat nog niet alles: als het woord “almachtig” in het Oude Testament niet voorkomt, zou de gedachte dat God almachtig is daar misschien wel kunnen voorkomen. Of is dat toch niet zo?

Maar één God

Het Oude Testament beweert dat er maar één God is die iets voorstelt. Er komen ook andere goden ter sprake, maar dat die macht hebben en iets voor mensen kunnen betekenen wordt uitdrukkelijk ontkend.

De visie dat andere goden machteloos zijn was in de wereld van het Oude Testament niet vanzelfsprekend. Het was gebruikelijker om polytheïstisch te zijn en in meer dan één god te geloven. Van al die goden werd aangenomen dat ze macht hadden. Die macht was altijd beperkt, want iedere god moest rekening houden met de andere goden, die ook macht hadden. Geen enkele god was almachtig.

In de verhalen uit de Kanaänitische stad Ugarit (Syrische kust, 13de eeuw v.Chr.) had iedere god een eigen specialisme. Zo kon Baäl zorgen voor neerslag, maar je kon alleen bij de god El terecht als je nageslacht wilde. Soms lukte het zulke goden niet om te doen wat ze eigenlijk graag wilden. Zelfs de machtige Baäl kon van tijd tot tijd aan banden gelegd worden, bijvoorbeeld door de god van de dood. Daardoor kon Baäl een tijd geen regen meer geven, met alle consequenties vandien.

In het Oude Testament is dat anders. Daar is er maar één God. Die God heeft geen andere goden naast zich die zijn macht kunnen beperken. Omdat er maar één machtige God is, verwachten mensen ook geen hulp van andere goden. Ze vragen in heel verschillende situaties die ene God om hulp: als ze een kind willen, als de aarde uitgedroogd is door gebrek aan regen, maar bijvoorbeeld ook als ze onderdrukt worden door vijanden. Of God ze zal helpen moeten ze altijd afwachten. Maar in elk geval is hij de enige God die je hulp zou kunnen bieden.

Hulp van God

Veel oudtestamentische verhalen lopen goed af. Als Abraham en Sara denken dat ze te oud zijn om nog kinderen te krijgen, is de boodschap: “Is ook maar iets voor de Heer onmogelijk?” (Genesis 18:14) Een jaar later krijgen ze een zoon. De Israëlieten die onderdrukt werden in Egypte konden niet geloven dat ze uit Egypte zouden kunnen ontsnappen. Maar volgens het Bijbelboek Exodus lukt het toch, dankzij Gods hulp. Het is niet moeilijk om andere voorbeelden van Bijbelverhalen te vinden waarin mensen niet hopen op een goede afloop en waarin het aan het einde toch goed komt. Volgens het Oude Testament is zo’n goede afloop te danken aan God.

Vragen aan God

Maar er valt meer over te zeggen, want het spreekt niet vanzelf om te geloven dat God wel zal ingrijpen, ook niet in de Bijbel. De ellende die mensen meemaken is soms te groot en er lijkt maar geen einde aan te komen. In de Bijbel komen veel mensen aan het woord die zich afvragen waarom God juist niets doet. Ze zijn daar des te verbaasder over, omdat ze de mooie verhalen waarin alles goed afloopt goed kennen.

Een duidelijk voorbeeld is het verhaal van Gideon. Omdat de Midjanieten, een vijandig volk, de stam van Gideon onderdrukken, zegt Gideon:

Als de Heer ons werkelijk bijstaat, waarom overkomt dit ons dan allemaal? Waar blijft hij dan met zijn wonderbaarlijke daden, waarover onze voorouders hebben verteld? Uit Egypte heeft hij ze geleid, zeiden ze toch? Nu trekt hij zich in elk geval niets van ons aan en zijn we overgeleverd aan de Midjanieten! (Rechters 6:13)

Ook in Bijbelse gebeden komen zulke vragen voor:

Waarom, Heer, bent u zo ver en verbergt u zich in tijden van nood? (Psalm 10:1)

Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit. (Psalm 22:1)

Als mensen in de Bijbel zulke vragen stellen, komt er geen helder antwoord. Het kan zijn dat het een tijd later weer beter gaat, maar ook dan blijft een verklaring voor het nare dat er was meestal uit. Het zijn vragen waar het Oude Testament kennelijk geen goedkoop antwoord op wil geven. Dat mensen moeten lijden is en blijft een raadsel, ook in de Bijbel.

Twee kanten

Opvallend genoeg komen in de Bijbel dus twee kanten in beeld. Aan de ene kant wordt benadrukt dat God onverwacht voor een uitweg kan zorgen. Hij is daar machtig genoeg voor. Niets of niemand staat hem in de weg. God is ook zo betrokken op mensen, dat hij de wil heeft om iets aan hun situatie te doen.

Maar er is ook een andere kant. Die wordt in de Bijbel niet verdoezeld. Het leven is soms zo uitzichtloos, dat mensen niet anders kunnen dan zich afvragen of God wel iets kan. Of ze betwijfelen of God ze nog wel gunstig gezind is. De Bijbel drukt dat afwijkende geluid niet de kop in. Kennelijk is ook dat tegengeluid van waarde.

Marionetten?

Eén ding is wel heel duidelijk: De gedachte dat God alles wat er gebeurt bepaalt, als een soort marionettenspeler, komt niet uit de Bijbel. Volgens de Bijbel is God machtig, maar er gebeurt veel dat God juist helemaal niet wil. Mensen hebben veel vrijheid en maken soms misbruik van die vrijheid. Ze denken alleen aan zichzelf, doen elkaar verdriet en onderdrukken anderen. Dat is volgens de Bijbel in strijd met wat God wil, maar toch gebeurt het.

Mensen hebben dus veel speelruimte. Ze doen wat ze willen. Het lijkt erop dat God een stap terug zet om de mensen de ruimte te geven. Hij laat ze als het ware experimenteren, met het risico dat er iets fout gaat. Volgens de Bijbel is God dan niet verantwoordelijk voor de aangerichte schade. Hij staat juist aan de kant van de slachtoffers. De verantwoordelijkheid ligt bij de daders, die beter konden weten.

God trekt dus niet aan alle touwtjes. Aan veel ellende zijn mensen zelf debet. Een van de grootste rampen in de geschiedenis van Israël was de vernietiging van Jeruzalem door de Babyloniërs en de deportatie van veel inwoners naar Babel (begin 6de eeuw v.Chr.). Bijbelboeken zoals Jesaja, Jeremia en Ezechiël stellen dat die ellende een gevolg was van het wangedrag van het volk zelf. God valt niets te verwijten. En toch kan God de ellende niet onbewogen aanzien. Hij besluit er een einde aan te maken. Ook al heeft het volk het er zelf naar gemaakt, toch blijft het Gods volk. God kan het niet aan zijn lot overlaten en grijpt in.

Dat kan God ook, zeggen de profeten, omdat zijn mogelijkheden veel groter zijn dan die van mensen. Juist in die moeilijke periode vestigen ze de aandacht op Gods grenzeloze macht:

Weet je het niet? Heb je het niet gehoord? Een eeuwige God is de Heer, schepper van de einden der aarde. Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput, zijn wijsheid is niet te doorgronden. Hij geeft de vermoeide kracht, de machteloze geeft hij macht in overvloed. (Jesaja 40:28-30)

Vertrouwen

Het is inmiddels wel duidelijk: Als je zegt dat God machtig of almachtig is, dan is dat een geloofsuitspraak. Je kunt niet bewijzen dat het zo is. Je kunt het ook niet aantonen aan de hand van voorbeelden, omdat iemand anders voorbeelden kan noemen van dingen die niet goed afliepen, van onrecht waar geen einde aan kwam, of van lijden dat alleen maar erger werd.

Het is niet vanzelfsprekend om te geloven dat God alle macht heeft en dat hij uitkomst kan bieden. Dat was het ook vroeger niet. Het leven is onbegrijpelijk en God is ondoorgrondelijk. Dat is de ene lijn in de Bijbel. De andere lijn houdt eraan vast dat God het onmogelijke mogelijk maakt. Zo maakt oorlog plaats voor vrede. Zo maakt onrecht plaats voor rechtvaardigheid. Zo maakt lijden plaats voor geluk.