Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Het lege scherm en de lege woorden

Sprakeloosheid als homiletisch thema na Pinksteren

Een beproefde combinatie van lezingen op de Pinksterzondag is die van Genesis 11:1-9 en Handelingen 2. Spraakverwarring en onderling onbegrip worden opgeheven door de komst van de heilige Geest. De Geest maakt spreken over Gods grote daden mogelijk op zo’n wijze dat een ieder het in de eigen taal kan horen (Hand. 2:11b). Als een van de directe gevolgen van de uitstorting van de Geest krijgt Petrus het woord: de preek als Pinkstergave. Ook deze preek van Petrus wordt verstaan, in elk geval door diegenen die zich op die dag lieten dopen.

Het is zaterdagavond, of eigenlijk zondagmorgen. 01.30 uur. ‘Gemeente van Christus’ staat er op het scherm. Achter die woorden knippert de cursor. De rest van het scherm is leeg. Volgens Richard Lischer, hoogleraar homiletiek aan Duke Divinity School in Durham, North Carolina, heeft elke prediker op zaterdagavond weleens in een lege kamer lopen ijsberen of in een verlaten kerk gestaan. In de hoop dat hem of haar een woord gegeven zal worden. Met onderkoelde humor stelt Lischer vast: ‘we were not warned about this particular problem’ (Lischer 2005, 9-10).

Agenda

Nu is het ene lege scherm het andere niet. Soms zegt het lege scherm vooral iets over de persoon van de prediker. Bijvoorbeeld over het verlammende perfectionisme waaraan de prediker lijdt, waardoor elke zin alweer wordt gewist voor er een punt gezet had kunnen worden. ‘Verbindet sich mangelnde systematische Denkfähigkeit mit Skrupulosität, steht [der Prediger] in Gefahr, überhaupt nicht oder zuspät anzufangen‘ (Bohren 1971, 381). Soms zegt het lege scherm iets over de drukte van de week. Er was domweg geen ruimte voor vertalen, exegetiseren, mediteren (eerlijker: de prediker heeft het niet aangedurfd dusdanig te schrappen in de agenda dat er ruimte voor preekvoorbereiding vrij gehouden werd). Daarom heeft tekst niet de kans gekregen de prediker te verrassen, te verleiden, te overmeesteren en lijkt daarom slechts dat te zeggen wat de tekst van vorige week ook al zei. Bovendien kan volgens Bohren de prediker zo moe zijn, dat hij op zaterdagavond wellicht nog wel zou kunnen schrijven, maar zeker niet meer in staat is om te denken. Het is dan een daad van geloof naar bed te gaan met de gedachte dat de HEER het zijn beminden in de slaap geeft. ‘Eine Stunde am frühen Morgen schenkt oft mehr als späte, übermüdete Nachtstunden, gelobt sei darum der Schlaf des Predigers‘ (Bohren 1971, 382).

Symptoom

Maar er zijn ook lege schermen die niet te voorkomen zijn met wat cursussen 'time management' of 'strategisch plannen' of een betere inhoudelijke voorbereiding. Volgens Lischer is het mogelijk dat de prediker haar exegese op woensdag al af had. Dat haar theologie onberispelijk is. Ze heeft de New York Times gelezen, een paar homiletische websites bezocht. ‘And yet, the wordsmith is fresh out of words.’ Niet vanwege een gebrek aan bijbelse informatie of een paar leuke illustraties, ‘but because the path to authentic expression has closed’ (Lischer 2005, 10). Het lege scherm kan ook een symptoom zijn van een samenleving die aan het verleren is zich uit te drukken op een wijze die er toe doet. Het is al weer bijna een cliché geworden om daarvoor te verwijzen naar een programma als De Wereld Draait Door waar alleen nog maar gesproken wordt in soundbites, waar meningen gerecycled worden en waar de herhaling van zetten na elke nieuwe terreurdaad duidelijker aan de dag treedt. Er wordt gesproken, maar wordt er iets gezegd dat er toe doet? We leven in een cultuur ‘that is suffering a certain exhaustion with words’ (Lischer 2005, ix).

Sprachnot

Dat er in ons samenleven een crisis van het spreken rondwaart is geen nieuwe constatering. Ruben van Zwieten en Ad van Nieuwpoort wijzen op de joods-christelijke denker Eugen Rosenstock-Huessey (1888-1973) die al in de jaren vijftig van de vorige eeuw 'de échte crisis van onze tijden’ heeft geduid als Sprachnot. Deze Sprachnot hangt samen met de overmacht van algemeenheden in onze taal. ‘Wij spreken onopgemerkt louter in lege containerbegrippen als ‘duurzaamheid’, ‘innovatie’, ‘leiderschap’, ‘vertrouwen’ en ‘burgerschap’. Maar wie vertelt daar nog verhalen bij over wat dat zou kunnen inhouden? Deze Sprachnot vindt haar oorzaak in het verdwijnen van namen. Een wereld waarin geen namen meer klinken, is een onwereld, een onwerkelijkheid. Over een naam moet je een verhaal vertellen. We maken het zelf mee hoe mensen met een naam overzichtelijk en simpel worden gereduceerd tot klantnummers en burgerservicenummers. We maken mee hoe in die zin mensen worden gereduceerd tot een soort. We spreken van allochtonen, homo’s, daklozen en bankiers: allemaal soorten. We hebben de taal van de verbeelding nodig om uit deze crises te geraken’ (Van Nieuwpoort en Van Zwieten, 32).

Holle frasen

Ook preken kunnen in zulke algemeenheden verzanden. Er klinken vertrouwde klanken (welke dat zijn, zal verschillen al naar gelang het segment van de kerk dat de prediker bedient) maar naar welke werkelijkheid die woorden nu precies verwijzen, wordt niet duidelijk gemaakt. Wellicht omdat de prediker de noodzaak daartoe ontgaat —en dat zou tragisch zijn —, wellicht omdat de prediker merkt dat het haar niet (meer) lukt om die woorden te vertalen, uit te pakken, nabij te brengen — en dat is misschien nog wel tragischer. Het trof mij dat Ernst Lange in de jaren zestig al zo precies onder woorden brengt wat naar mijn waarneming van anderen en naar mijn eigen ervaring de preekvoorbereiding zo ongelooflijk ingewikkeld maakt. Volgens Lange maakt de taal van de feiten de kerkelijke taal sprakeloos. Dat geldt trouwens niet alleen voor voorgangers. Elke christen, zegt Lange, raakt het nare gevoel niet kwijt in holle frasen te spreken wanneer het over de Naam van God gaat, wanneer gesproken wordt over 'geloof', ‘zonde', ‘verlossing’. Het kan zelfs zo erg worden dat de gelovige zich afvraagt of een ‘vertaling’ van deze geloofswoorden nog wel mogelijk is. Want, ‘weiß er denn selbst, was die großen und unentbehrlichen Schlüsselworte der christlichen Überlieferung bedeuten in dieser Welt der Maschinen und der Büros, in der die Menschen so offenkundig allein sind mit dem, was sie selbst vermögen?‘ (Lange, 154-155).

Preciseringen

Tot mijn grote verbazing worden nog met regelmaat homiletische boeken gepubliceerd waarin dit onderwerp niet voorkomt of alleen als iets waaraan ‘vrijzinnigen' lijden omdat ze nu eenmaal niet orthodox willen zijn. Maar in de homiletische literatuur waarin iets van de Sprachnot wordt gethematiseerd geldt het als specifiek voor onze tijd. Lischer schrijft: ‘The crisis of the modern world is a crisis of speaking and hearing, of call and response’ (Lischer 2005, 3). Zijn boekje is geschreven tegen de achtergrond van de gebeurtenissen op 9/11. Hoe zul je over verzoening spreken in een cultuur van geweld? Zulke preciseringen van de Sprachnot helpen mij nauwkeurig vragen te stellen aan de taal van mijn eigen preken. De zondag na de aanslagen in Parijs, november 2015, vierden we als gemeente het avondmaal. Met de beelden van het bloed op de straten van Parijs, de beelden van de witte lakens die over lijken gelegd zijn nog op je netvlies, ga je zitten aan smetteloos wit gedekte tafel en spreek je woorden over vergoten bloed dat tot heil is van allen die het ontvangen willen. Tot in je taal — welke woorden zijn kitsch, onwaarachtig, effect belust, welke woorden vangen de verwardheid, de schrik over vergoten bloed èn welke woorden doen recht aan Jezus Christus — word je dan als prediker uitgedaagd. Net zoals de komst van vluchtelingen in Europa, in Nederland je gevoelig maakt voor woorden als ‘vluchtelingenstroom’, ‘vluchtelingenprobleem’, ‘gelukszoekers’. Voorbij het politiek correct willen zijn, ligt immers levensgroot de vraag op je bord welke woorden je in dienst van het Evangelie wel en niet kunt, of zelfs mag gebruiken.

Apatheïsme

Een andere specifieke achtergrond van de ervaren Sprachnot hangt samen met de gevolgen van secularisatie. Lischer citeert de dichter William Butler Yeats (1865-1939) die in een gedicht het beeld oproept van een afgerichte valk die de valkenier niet meer hoort. Het leidt ertoe dat de vlucht van de valk ‘little more than a chaotic scramble to freedom’ is (Lischer 2005, 4). De crisis van de moderne wereld is de crisis van het schepsel dat zijn Schepper niet meer hoort. En natuurlijk blijft het moeilijk om te bepalen in hoeverre het ongeloof in onze tijd groter is dan in andere tijdperken. Volgens Lischer is in elk geval duidelijk dat de moderne samenleving ‘a greater intentionality and self-consciousness in its disposal of God’ vertoont dan ooit tevoren (Lischer 2001, 67). Voor sommigen van onze tijdgenoten is God eigenlijk allang opgeruimd. Wat hen rest is apatheïsme, de levenshouding waarin God niet eens interessant genoeg meer is om een standpunt over in te nemen. (Paas, 10-11) Hoe verkondig je het evangelie aan apatheïsten, die, bij alles wat je zegt, je vriendelijk aankijken en reageren met: ‘leuk voor jou, maar ik heb er niet zoveel (meer) mee’? Je herinnert je soms gezichten van mensen die niet meer in de kerk komen. Er was geen ruzie. Geen knallende deur. Geen rancune richting God of onderdrukkende ouders. Ze waren als het ware voorbij alle apologetiek. En soms zie je datzelfde gebeuren in de blik van hen die nog voor je zitten in de kerk of tijdens catechisatie: de lege blik die lijkt te wijzen op afhaken. En je voelt opeens haarfijn aan wat Bohren bedoelde toen hij sprak over preken in een ruimte zonder echo.

Zo zijn er persoonlijke, professionele en culturele dimensies te onderscheiden aan de Sprachnot waarvan het lege scherm getuigt. Dimensies waarover genoeg te zeggen is. Waarvan het alleen al behulpzaam is ze te benoemen. In je eigen preekpraktijk. Woorden als Sprachnot en apatheïsme helpen mij om bewust te worden van de diepere lagen van mijn chagrijn en ongedurigheid over het proces van preekvoorbereiding.

Maar onder het persoonlijke, het professionele en het culturele bevindt zich nog een laag: die van de Sprachnot als theologisch onontkoombaar aspect van de preekvoorbereiding. Stefan Tobler schrijft in een boek dat handelt over Sprachnot in de soteriologie: ‘[Sprachnot] ist die fruchtbare, nie aufzulösende Spannung zwischen dem Glauben einerseits, dass Gott uns in seinem Wort die Sprache gegeben hat, um von ihm und seinem Heil zu reden, und dem Bewusstsein andererseits, dass dieses Wort nie unser Besitz werden kann. […] Sprachnot meint darum die grundsätzliche Nichtselbstverständlichkeit, vom uns geschenkten Heil adäquat und treffend zu reden’ (Tobler, 4).

Sudoku

God zelf heeft ons dus de taal gegeven om van Hem en zijn heil te spreken. Tegelijkertijd kan dat Woord nooit een bezit worden waarover wij vrijelijk beschikken. Het is dus mogelijk dat in de preek over het geschonken heil zo gesproken wordt dat het adequaat is en doel treft, maar vanzelfsprekend is dat nooit. Dat is volgens Tobler een blijvende spanning èn een vruchtbare spanning. Daar zou ik een streep onder willen zetten. Diep in mij schuilt de intuïtie dat spanning lastig is en daarom te vermijden is. En daarom verlangt een deel van mij naar een preekvoorbereidingsproces zonder spanning. Zoiets als het oplossen van een sudoku-puzzel. Het kan een tijdje duren, het kost inspanning, maar met inachtneming van de spelregels kom je er altijd zelf wel uit. Maar bij het voorbereiden van een preek is dat anders. Bij de preekvoorbereiding blijft de onoplosbare spanning ‘zwischen dem Machbaren der Predigt und dem nicht herzustellenden Wunder’ (Bohren 1971, 32). En dat maakt je als prediker blijvend afhankelijk. Het hoort daarom bij de preekvoorbereiding dat de prediker net zo lang kan wachten totdat zij iets ontvangt. Dat is het vruchtbare van de spanning: dat door te wachten het wonder verwacht wordt.

En nu juist dat wachten is zo moeilijk. De tekst is vertaald. De exegese is klaar. De kranten zijn gelezen. De prediker weet alles wat er menselijkerwijs te weten valt. Maar nu moet er toch echt iets op papier komen. En dan tóch kunnen wachten. Het uithouden in de woestijn. Omdat de prediker gelooft dat de heilige Geest zich aan zal dienen. ‘Die Anfechtung aber, nichts zu sagen zu haben, ist die des Mangels an Heiligem Geist, die der noch ausstehenden Parusie. Im Vertrauen auf den Heiligen Geist ist diese Spanne zwischen dem Wissen und Müssen auszuhalten’ (Bohren 1971, 380-381). Het is de heilige Geest die van de onontkoombare spanning in de preekvoorbereiding een vruchtbare spanning maken kan.

In een artikel uit de jaren vijftig stelt Bohren dat het tot de menselijke kant van het ontvangen van de Geest behoort, dat wij als wachtenden in de tijd staan. Wij moeten bidden om de Geest. De Geest is een en al beweeglijkheid. Maar wie de Geest ontvangen wil, moet op zijn plek kunnen blijven. ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van Mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan’ (Hand. 1:4). Wachten als voorbereidingstijd. Zoals Jezus, die, voor Hij met gezag (exousia) zou preken, veertig dagen in de woestijn verbleef. In de stilte. In de verzoeking. En Hij niet alleen. ‘So war die Zeit vor Pfingsten, so war Arabien für Paulus, das Kloster für Luther, die Kampfzeit fur Blumhardt’ (Bohren 2013, 27). De woestijn is de plek waar God tot zijn volk spreekt. Maar ook de plek waar de demonen hun godslasterlijke verleidingen lispelen. Èn de plek waar de mens sterft. En daarom de plek die je liever mijden zou. Zeker als je er elke week moet zijn. En toch, die plek: ‘An diesem Ort müssen wir stehen, da wo wir ganz arm und hungrig sind, mit der Frage, die wir lieben, mit der Frage nach dem Geist. Wenn wir da stehen, haben wir den Geist noch nicht, aber die sichere Verheißung, dass die Bitte um den Geist erhört werde. Und vielleicht ist das die Not, dass wir nicht in die Wüste wollen und als Ungestorbene auf der Kanzel stehen’ (Bohren 2013, 27-28).

Is dat vermoeden van Bohren juist? Dat wij als predikers de woestijn niet willen en als ongestorven mensen op de kansels willen staan? Terwijl nu juist dat onze roeping tot verkondiging in de weg staat. Want, zo stelt Lischer, wat een roeping van een beroep onderscheidt, is juist het moeten sterven. Waar een beroep het beste van jezelf vraagt, roept de roeping je weg bij dat waarvan je dacht dat het het beste was dat je te geven had. Roeping maakt je tot iemand die je nog niet was. Sterven om op te kunnen staan tot nieuw leven.

De sprakeloosheid van de prediker die in het lege scherm tot uitdrukking komt, kent verschillende dimensies en gaat met regelmaat gepaard met schuld en gebrokenheid. Maar juist sinds de uitstorting van de heilige Geest is sprakeloosheid niet per definitie een te vermijden of zo snel mogelijk op te heffen ongemak. ‘Every week the preacher must begin from the end of words’ (Lischer 2005, 19). Durven wachten in Jeruzalem, wetend dat het gebed ‘Veni, Creator Spiritus’ verhoord zal worden, omdat het ons beloofd is.

Ds. Richard Saly, Ede

Literatuur

Bohren, Rudolf. Predigtlehre. München: Chr Kaiser Verlag, 1971.

Bohren, Rudolf. Geistvoll: eine Auslese. Herausgegeben von Rudolf Landau. Stuttgart: Calwer Verlag, 2013.

Lange, Ernst. Chancen des Alltags: Überlegungen zur Funktion des christlichen Gottesdienstes in der Gegenwart. Stuttgart: Verlagsgemeinschaft Burckhardthaus- und Kreuz-verlag, 1965.

Lischer, Richard. A Theology of Preaching: The Dynamics of the Gospel. Eugene, Oregon: Wipf and Stock Publishers, 2001. Lischer, Richard. The End of Words: The Language of Reconciliation in a Culture of Violence. Grand Rapids, Michigan/Cambridge, UK: William B. Eerdmans Publishing Company, 2005.

Nieuwpoort, Ad van en Ruben van Zwieten, De Bijbel op de Zuidas. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2013.

Paas, Stefan. Vreemdelingen en priesters: christelijke missie in een postchristelijke omgeving. Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2015.

Tobler, Stefan. Jesu Gottverlassenheit als Heilsereignis in der Spiritualität Chiara Lubichs: ein Beitrag zur Überwindung der Sprachnot in der Soteriologie. Berlin/New York: Walter de Gruyter, 2002.