Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Het Onze Vader

Toen de discipelen aan Jezus vroegen hoe ze moesten bidden, leerde Jezus hun het gebed dat bij ons bekend is geworden als het Onze Vader. Maar is dit gebed wel typerend voor Jezus? Of lijkt het erg op andere joodse gebeden?

In haar interessante blog over Jezus en de ethische plichten van de historicus schreef collega Annette Merz dat in sommige exegetische kringen geen recht meer wordt gedaan aan Jezus als schepper van poëtische en ethische tradities. Zij gaf daarbij als voorbeeld een kerkelijke internetpagina waarop het Onze Vader het bijschrift “anoniem” had gekregen. Volgens Merz behoort dit gebed tot de religieuze schatten die in de kern op Jezus teruggaan. Zij wijst er daarbij op dat deze schatten zijn ingebed in de wijsheids- en Tora-tradities van Israël. Toch ziet ze Jezus als auteur van dit gebed in plaats van als leraar en doorgever van een bestaande traditie. Het is een interessante kwestie die me aan het denken zette – en wie weet u ook.

Er zijn in de evangeliën twee versies van het Onze Vader, de bekendste in Matteüs 6:9-13 en een kortere in Lucas 11:2-4. Zijn beide versies door Jezus uitgesproken of één van beide? Is Jezus dan de auteur van beide versies of van één van beide? En is de betwiste laatste frase van de lange versie in Matteüs van hem of niet? Ik vraag me daarbij ook af of het impliciete waardeoordeel dat schuilt onder het auteurschap ten opzichte van leraarschap wel terecht is. Dat geldt misschien voor onze westerse samenleving, maar zeker niet toen. Een van de kernwaarden van het jodendom ten tijde van Jezus – en tot op vandaag – is het belang van de rol van een leraar, een rolmodel dat niet zozeer zelf creatief is, maar de tradities doorgeeft en voorleeft.

Bekende tradities

In deze blog wil ik een aantal tradities bekijken waar Jezus als gelovige Jood mogelijk uit heeft geput. We bekijken de verschillende elementen met tradities uit de Hebreeuwse Bijbel (het Oude Testament) en uit bekende joodse gebeden.

Eerst even iets over het gebruik en de functie. De versie in Matteüs is verreweg het bekendst geworden en is in veel kerken opgenomen als vast formuliergebed. Dat is een heel oud gebruik. Al in de Didache, een orde van voorschriften voor de christelijke eredienst uit de tweede eeuw, wordt het gebruik voorgeschreven. Daar staat (Did. 8:2): “Bidt niet zoals de huichelaars, maar zoals de Heer in zijn evangelie geboden heeft. […] Driemaal daags moeten jullie zó bidden”.

Dit voorschrift doet denken aan de voorschriften voor het oude joodse Achttiengebed, dat ook driemaal daags gebeden wordt, in herinnering aan de offers in de Tempel. Het gebed wordt het liefst in de gemeenschap gebeden, maar het kan ook privé. In de Misjna (rabbijnse leefvoorschriften) zegt de beroemde rabbi Gamaliël ­– bekend als leraar van Paulus – dat men het Achttiengebed iedere dag moet bidden. Zijn tijdgenoot rabbi Josjua zegt dat een verkorte vorm waarin de essentie doorkomt ook goed is. Rabbi Akiva zei daarover: “Als hij het Achttiengebed vloeiend kan bidden dan moet hij dat doen, maar anders kan hij volstaan met de essentie” (Misjna Berachot 4:3).

Parallellen

Laten we nu beter kijken naar de inhoud van het Onze Vader. We doen dat stukje bij beetje aan de hand van de langere versie uit Matteüs. Ik geef steeds aan of er parallellen zijn met gebeden in het Oude Testament of de vroeg-joodse traditie.

Onze Vader. Deze aanhef is bekend uit Jesaja 63:16 en 64:7. Ook uit andere teksten is de beschrijving van God als een liefhebbende vader bekend, bijv. 2 Samuel 7:14, 1 Kronieken 22:10. De uitbreiding “in de hemel” komt niet voor in de Hebreeuwse Bijbel, maar wel in de vroeg-rabbijnse literatuur uit de eerste eeuwen. In Misjna Sota 9:15 wordt bijv. in een lange klacht over moreel en religieus verval als een refrein de retorische vraag gesteld: “Op wie kunnen wij nog steunen?” Deze vraag wordt gevolgd door het antwoord: “Op onze Vader in de Hemel”.

Ik benadruk dit omdat het een hardnekkig misverstand is dat alleen wij christenen op zo’n intieme voet staan met God dat we hem “onze Vader” mogen noemen. Ook vandaag de dag is het aanspreken van God als Vader onder joden gebruikelijk, zelfs met een liefhebbende koosnaam. In een van de bekendste sabbatsliederen, “Ya Ribbon olam” (O Heer van de wereld), wordt de plechtige lofprijzing in het Aramees onderbroken met een klein Jiddisch tussenzinnetje “Oy Tate Siser”, wat zoiets betekent als “mijn lieve pappa”.

Laat uw naam geheiligd worden.

Deze lofprijzing heeft een parallel in de beginfrase van het zogenaamde Kaddiesj-gebed. Dit is een oud Aramees gebed dat meerdere keren per dag wordt uitgesproken, o.a. door mensen die een dierbare hebben verloren. Dit gebed begint met de lofprijzing: “Moge zijn grote naam verheven en geheiligd worden in de wereld die hij naar zijn wil geschapen heeft”.

Laat uw koninkrijk komen.

Dit lijkt opnieuw direct verwant aan het Kaddiesj, dat na de aanhef zegt: “Moge Hij zijn koningschap vestigen in uw leven en in uw dagen en in het leven van het gehele huis van Israël, weldra en spoedig.”

En laat uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.

Volgens de rabbijnse theologie hebben de engelen geen vrije wil. Zij doen dus altijd wat God wil. De mens echter moet Gods wil doen door volgens de Tora te leven. In het Achttiengebed is dat in de vijfde bede als volgt geformuleerd: “Doe ons omkeren, onze Vader, tot uw Tora. En breng ons nader, onze Koning, tot uw dienst. En voer ons in volledige omkeer terug tot voor uw aangezicht.” In de Tosefta (een vroeg-rabbijnse wetstekst) staat beschreven hoe op een moment van gevaar een kort gebed gebeden mag worden. Een van de beschreven mogelijkheden is (Tosefta Berachot 3:7): “Moge uw wil gedaan worden in de hemel boven en geef gemoedsrust aan degenen die u vrezen. Doe wat goed is in uw ogen.”

Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.

Deze bede doet denken aan het manna in de woestijn, dat steeds slechts voor één dag gegeven werd, behalve op de dag voor de sjabbat (Exodus 16:13-20). Ook Spreuken 30:8 klinkt erin door: “Maak me niet arm, maar ook niet rijk, voed me slechts met wat ik nodig heb.” In het deel uit Tosefta Berachot 3:7 dat hierboven geciteerd werd, staat ook de volgende korte bede: “Moge het uw wil zijn, Heer onze God, dat u aan eenieder geeft wat hij nodig heeft en aan elk schepsel wat hij ontbeert.”

Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben ver­geven wie ons iets schuldig was.

In het Achttien­gebed staat de vraag om schuldvergeving in bede 6: “Vergeef ons, onze Vader, want wij schoten te kort. Scheld ons kwijt, onze Koning, want wij hebben misdreven. Want kwijtscheldend en vergevend zijt gij. Gezegend gij Heer, die zoveel vergeeft.”

En breng ons niet in beproeving, maar red ons uit de greep van het kwaad.

Deze bede heeft geen parallel in het Achttiengebed. Wel staat er een vergelijkbare bede in een avondgebed in de Talmoed (Babylonische Talmoed Berachot 60b): “Leid me niet in de macht van de zonde, of de macht van de schuld, of de macht van de verzoeking, en ook niet in de macht van de verachting. Laat de goede neiging in mij overheersen en laat de kwade neiging niet heersen.”

Want aan u behoort het koningschap, de macht en de majesteit tot in eeuwigheid.

De laatste lofverheffing staat niet in de oudste handschriften en is daarom in onze nieuwe NBV-vertaling niet opgenomen. Ze doet denken aan de lofzang van David in 1 Kronieken 29:10-12. Ook lijkt ze op de lofverheffing die werd gesproken door het volk nadat de hogepriester op grote verzoendag in de Tempel het offer had gebracht. Men sprak dan “Gezegend is de heerlijke naam van zijn koninkrijk voor eeuwig en altijd” (Misjna Joma 6:2).

Schepper of overleveraar?

Ik kom terug op de vraag naar de oorsprong. Kunnen we van het Onze Vader zeggen dat het van Jezus afkomstig is? Of gaat het om oude tradities die van geslacht op geslacht zijn overgeleverd en zijn geslepen aan de tijd?

In de inleiding op het gebed in Lucas 11 vraagt een van de leerlingen aan Jezus om hun te leren bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen heeft geleerd. Jezus leert hun vervolgens de essentie van het dagelijks gebed: heiliging van de naam, bidden voor de komst van het koninkrijk, voorzien in de menselijke behoeften, vergeving van zonden en verlossing van het kwaad. Dit past volgens mij in de discussie in Misjna Berachot, waarin het bidden van de essentie wordt toegestaan voor mensen die niet het hele gebed vloeiend kunnen bidden. De goede leraar weet wat de leerling nodig heeft en spreekt hem/haar aan op zijn eigen niveau. Is de leraar dan een schepper van iets nieuws of een overleveraar? U mag het zeggen.

Literatuur

  • H.L. Strack & P.Billerbeck, Das Evangelium nach Matthäus erläutert aus Talmud und Midrasch, München 1982

  • A.J. Levine & M.Z. Brettler, The Jewish Annotated New Testament, Oxford 2011

  • D.J. van der Sluis et al., Elke Morgen Nieuw. Inleiding tot de Joodse gedachtenwereld aan de hand van het Achttiengebed, Arnhem 1978

  • Gerhards et al. (red.), Identität durch Gebet. Zur Gemeinschaftsbildenden Funktion institutionalisierten Betens in Judentum und Christentum, Paderborn etc. 2003

  • R. Zuurmond, In Hemels Naam. Over vertaling en betekenis van het Onze Vader, Vught 2012