Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

'Ik ontdekte dat de bijbel een 'goddeloos' boek is'

Paul Visser analyseert hoe zijn prediking in de loop van 35 jaar is veranderd.

Heeft de veranderende tijd voor mij geleid tot een andere manier van preken? Dat is een van de vragen die aan bod komen tijdens de Areopagus-studiedag, The times they're a-changin'. Eerlijk gezegd vond ik het niet eenvoudig om dat scherp in beeld te krijgen. Ik begon te preken toen ik 22 jaar was en ben inmiddels 57 jaar. In de loop van die 35 jaar is er het nodige veranderd in aanpak en uitwerking. Het zou wel heel vreemd zijn als dat niet zo was. Maar om precies na te gaan en aan te geven wanneer en hoe die verandering dan plaatsvond is ingewikkelder. Het is vooral een geleidelijk proces geweest, waarop verschillende factoren hun invloed hebben uitgeoefend.

Radicaler en krachtiger

Om te beginnen is er de factor van je eigen geloofsontwikkeling. De ervaring die je opdoet met God en met jezelf, soms ook door momenten van heftige crisis heen, vormen en stempelen je niet alleen als gelovige, maar ook als prediker. Juist omdat mijn eigen geloof en twijfel, mijn vragen en zekerheden, mijn vreugde en verwarring, mijn overgave en hardnekkigheid, mijn leven als verzoend en zondig mens, van het begin af aan een belangrijke rol hebben gespeeld in de doordenking van de Schrift en bij de voorbereiding van mijn preken, is er qua inhoud en toonzetting door de loop van de jaren het nodige veranderd. Als ik dat kort moet typeren, dan ben ik daardoor genuanceerder én radicaler geworden, milder én krachtiger. Genuanceerder en milder als het gaat over onszelf, omdat ik gaandeweg ontdekte - niet alleen bij mezelf overigens maar ook bij anderen - dat we in ons geloven kwetsbaarder en in ons volgen dwarser zijn, dan je aanvankelijk waar wilt hebben. Radicaler en krachtiger als het gaat om Gods genadige, geduldige, soms onnavolgbare maar altijd vasthoudende omgang met ons.

Traditie

Afkomstig uit een traditie (waar ik veel aan te danken heb!), waarin het komen tot de 'zekerheid van het geloof' en het leiden van een 'heilig nauwgezet leven' de twee belangrijkste pijlers van de prediking waren, was er wel ruimte voor (veel) twijfel rond de toe-eigening van het heil, maar veel minder ruimte voor het 'dubbelhartige' waar je als gelovende mee geconfronteerd wordt. De zekerheid over het heil bleef weliswaar een aangevochten zaak en je kwam het zondaar-zijn nooit te boven, maar het last hebben daarvan was eerder een onderdeel van de geleefde vroomheid en als zodanig een teken van 'echtheid', dan dat het je echt dwars zat en existentieel overhoop haalde. Integendeel, het ontbreken van die 'kenmerken van het ware' was juist een veeg teken. Zonder iets van de oprechte bedoelingen af te doen in de beleving en prediking van deze dingen, had het toch soms meer iets van een virtueel opgeroepen en in stand gehouden bevindelijkheid, dan van een bittere realiteit en verwarrende ervaring. Er kon bij wijze van spreken 'genoegelijk' over gepraat en gepreekt worden. De preken cirkelden vooral om twee thema's: zonde en genade, ontdekking en vertroosting, veroordeling en vrijspraak, waarbij bewezen genade om voortdurende bevestiging vroeg. Ook preken over levensheiliging stonden vaak in dit kader: minder zonde doen, maar groter zondaar worden, omdat een scherper zicht op de wil van God altijd leidde tot een verdiept inzicht in eigen tekort. Het werd er opgeteld en afgetrokken nooit beter op en het enige wat uiteindelijk overschoot was 'genade'. Daar zat en zit natuurlijk waarheid in, maar of dit de volle waarheid is, waag ik in het licht van de Schrift te betwijfelen.

Vroomheid

Als ik terugdenk, herken ik die trant van preken ook bij mezelf in de beginjaren. Het had iets van een gesloten systeem, dat een bepaalde bevindelijke vroomheid voedde. De visie op en benadering van de gemeente werd er mede door bepaald: er waren er die dit leven kenden en er in geoefend waren én er waren er die het niet kenden, daar geen kaas van hadden gegeten. Voor de eersten gaf de prediking herkenning, bij de anderen gaf het (vaak onuitgesproken) vervreemding. Na verloop van tijd hoorde ik mezelf 'praten', voelde het steeds meer als herhaling van zetten. Dat bracht iets bij me op gang. Ik besefte: het moet echter, anders, bijbelser. Gaat het echt altijd volgens dit stramien, staat dat alleen in de Bijbel? Het was een 'waagstuk' om me los te maken van dit patroon. Maar ook onontkoombaar. Sterker nog: geboden, om aan de Schrift én de gevarieerdheid in het geloofsleven van de gemeente recht te doen. De cirkelgang moest worden doorbroken om mensen meer nabij te komen en geestelijk verder te helpen. Het gaf hernieuwde verrassing in voorbereiding en verkondiging om meer te focussen op het eigene van het Schriftgedeelte. De herkenning bij de hoorders werd breder en dieper.

Buitenbeentje

Persoonlijk had ik bovendien al vroeg een andere beleving. Ik vat die in een paar begrippen samen: momenten van diepe existentiële twijfel die raakten aan het bestaan van God zelf; daar middenin en dwars doorheen een onopgeefbare overtuiging van aangesproken zijn door God zelf; met als gevolg een geloof dat enerzijds aan een zijden draadje hing en dat anderzijds zekerder van God was dan van wat ook maar; een onmiskenbaar geschonken en daarom vast vertrouwen in Gods genade in Christus en in Zijn geduld en trouw; een daadwerkelijke vernieuwing van gezindheid, doen en laten dankzij de Geest á la Paulus als hij schrijft 'niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij'; en een terugkerende pijnlijke confrontatie met mijzelf die eveneens á la Paulus geregeld leidde tot de existentiële verzuchting 'ik stuk ongeluk'. Op een bepaalde manier voelde ik me daarmee, ten opzicht van de traditie waarin ik ademde - terecht of onterecht, wie het weet mag het zeggen - een buitenbeentje. En dat in dubbele zin. Enerzijds was menig collega voor mijn gevoel geloviger en vromer, anderzijds waren ze weifelender en voorwaardelijker. Hoe dit ook zij, gaandeweg heeft deze geloofsbeleving mijn verstaan van de Schrift en de toonzetting van mijn preken al meer gestempeld. Ik ontdekte dat het er in de Schrift geregeld ook paradoxaal aan toe gaat: het nergens naar lijkt, twijfel en zonde de overhand hebben, maar dat dit niets afdoet van Gods trouw. Dat er niet alleen geloofd wordt met het hart, maar ook tegen je eigen hart in, als dat tegensputtert en je veroordeelt.

Zekerheid

Het heeft al meer geleid tot een verkondiging waarin ruimte is voor diepgaande twijfel en tegelijk sprake is van een onopgeefbare zekerheid, een prediking waarin de strijd tussen 'vlees en Geest' dramatischer verloopt dan je waar wilt hebben, maar waarin tegelijk Gods ontfermen en genade in Christus verder reiken dan je zelf voor waar kunt houden. Het 'gemoedelijke' maakte zodoende steeds meer plaats voor het schokkende en het verrassende, voor het hardnekkige van ons hart en het vasthoudende van Gods hart. In mijn preken gingen die twee al meer hand in hand. Juist dat echter gaf in toenemende mate de nodige mildheid en nuance ('zo kan het je als gelovige vergaan') én de nodige radicaliteit en kracht ('zo is en blijft God ondanks alles'). Riep het aanvankelijk nog wel eens vervreemding en kritische reacties op ('zo kan het toch niet gaan als je een kind van God bent'), door de loop van de tijd vond het steeds meer herkenning en instemming ('wat ben ik blij dat u het zo eerlijk en genadig zei'). Ongetwijfeld heeft dat laatste te maken met het leven in veranderende tijden, waarin meer ruimte is gekomen voor authenticiteit en mondigheid. Die veranderende tijden leren mij om de Schrift al paradoxaler te lezen én stimuleren mij om nog milder, genuanceerder, radicaler en krachtiger te preken. Terwijl genade meer dan ooit de boventoon voert.

Als ik dit eerste punt samenvat dan komt het hierop neer dat een 'bekende' bevindelijke prediking, die bij een groeiend aantal hoorders overigens meer afstand schept dan herkenning geeft, gaandeweg plaatsgemaakt heeft voor een existentiële verkondiging, waarin menigeen zichzelf tegenkomt en (hopelijk) God in Christus nieuw ontmoet. Een doorgewinterde Amsterdamse bonder noemde het met een knipoog 'modern-bevindelijke preken'.

Context

Een tweede factor die impact heeft (gehad) op mijn preken is de veranderende context waarin ik heb geleefd en leef. Ik ben weliswaar van de ene naar de andere 'bondsgemeente' gegaan, maar vooral de laatste twee plekken, Den Haag en Amsterdam, hebben het nodige gedaan met mijn Schrift-verstaan. Dat kwam niet zozeer door de gemeente zelf: juist in de stad kan men om begrijpelijk redenen extra gefocust zijn op het behoud van de eigen identiteit. Het had en heeft te maken met de wereld waarin je verkeert. Kortweg gezegd: een wereld waarin God goeddeels afwezig is, niet ter zake doet, beleefd wordt genegeerd of bruut wordt afgewezen. Geconfronteerd met en overweldigd door die werkelijkheid, werd ik me gaandeweg meer dan ooit bewust, na het nodige hoofdschudden over de ontstellende secularisatie, dat het er in de Schrift niet anders aan toegaat, deze afwerende houding daar geen uitzondering maar regel is. Dat had ik natuurlijk al lang kunnen weten, als ik goed gelezen had. Maar blijkbaar geeft de Geest je ook door de context waarin je leeft 'verlichte ogen van het verstand' om het geheimenis van God dat geopenbaard is in Christus des te beter te verstaan.

'Goddeloos'

Ik ontdekte dat de Bijbel een 'goddeloos' boek is. Wat ik daarmee bedoel? Dat God vanaf Genesis 3 nauwelijks meer voet meer aan de grond krijgt in deze wereld, terwijl goddeloosheid en afgoderij, verzet en onverschilligheid zich breed maken. Al in het begin van de Bijbel (Gen. 5) blijkt er nagenoeg niemand meer om de Levende te malen. En daarna wordt het er niet beter op. Zelfs met Israël is in de regel geen land te bezeilen. Kenmerkend is echter dat God zich niet met geweld neerzet en zichzelf opdringt, maar keer op keer op zo'n manier van Zich laat horen in levens van mensen, dat zij zich gewonnen geven. God gaat te werk volgens het principe van de liefde: die overweldigt mensen niet maar wint hun hart. Daarin blijkt Zijn macht. De verhoogde Christus doet niet anders. Via het kwetsbare woord van getuigen, die je o zo makkelijk de mond kunt snoeren en wat je zonder moeite naast je neer kunt leggen, geeft Hij door Zijn Geest oor voor wat Hij te zeggen heeft en wint hart voor hart terrein. Ongedacht en ongewild raken mensen overtuigd. Ik raakte dieper dan ooit doordrongen van het feit dat Christus daarin nederig en bescheiden aan toe gaat. Bijna ongemerkt maar ontegenzeggelijk. De Gekruisigde gaat een gekruisigde gang. Tegelijk duikt Hij als de Opgestane steeds verrassend op. Niet om in de wereld met geweld Zijn gelijk te halen. Maar om met stille overmacht Zijn genade links en rechts door te zetten. Alle verzet en ongeloof ten spijt gaat Hij Zijn ongekende gang.

Marginaal

Er zou nog veel meer over te zeggen zijn, maar waar het mij in dit verband om gaat is dit: het maakte dat ik de Schrift anders ging lezen dan daarvoor. Het grote verhaal van Gods ontfermen in Christus geschiedt daar op een marginale manier. En dat doet het nog steeds. In Den Haag, in Amsterdam en in principe overal. Het veranderde mijn manier van lezen en preken. Vanuit de Bijbelse verhalen laat ik meer dan daarvoor zien, hoe de Levende in deze wereld aanwezig is, toen al en nu nog steeds: weerloos maar onweerstaanbaar, onopvallend maar onmiskenbaar, onooglijk maar overweldigend. Ik merk dat het veel mensen verrast en verder helpt. Opgegroeid met een Godsbeeld dat God alles regeert en daarbij ook nog liefde is, lopen veel mensen, vooral ook jongeren, vast: ze zien niets van die macht en liefde en zijn geneigd hun geloof vaarwel te zeggen. Juist in deze veranderende tijden, waarin het geloven enorm op de tocht staat, kan dit andere beeld van God dan helpen om Zijn gang opnieuw te herkennen in deze wereld, tot in hun eigen leven toe. Ik ontvouw vanuit verschillende invalshoeken hoe Hij zich door ons laat negeren en wij ons van Hem kunnen afmaken, méér mans zijn in de confrontatie met Zijn woorden dan je zou denken, maar dat Hij dwars door ons verzet heen ons om de vinger weet te winden en in te winnen voor wat Hij op Zijn hart heeft. Vanuit een diep besef dat ook wij, als gelovende mensen, in principe niet van Hem gediend zijn, maar net zo goed allerlei bedenkingen, aarzelingen en tegenwerpingen hebben, zoek ik naar 'goede woorden' die onze weerstanden kunnen ontmaskeren en waardoor de Geest bevrijdend en vernieuwend het woord kan nemen. Of ons op zijn minst zó te denken kan geven dat we een duwtje in de goede richting krijgen.

Wekelijkse klus

Het is wat mij betreft een combinatie van een priesterlijke en profetische prediking: je zoekt je hoorders zoals ze zijn in Gods naam ontfermend nabij te komen, terwijl je tegelijk in diezelfde Naam het hoge Woord, Zijn goed recht en grote genade, zoekt uit te zeggen. Het vinden van die woorden is een wekelijkse klus. Wat mij daarbij het beste helpt is mezelf zo diep mogelijk ingraven in het Bijbelse verhaal om dat te ontvouwen. Vaak blijken de lijntjes tussen toen en nu dan maar kort, komt de herkenning als vanzelf, en kan Gods spreken van destijds zomaar levend en krachtig worden in het hier en nu. Deze aanpak helpt me ook voorkomen om mensen de les te gaan lezen. Dat werkt in onze cultuur, zeker in de Amsterdamse, averechts. Je hoeft alleen maar getuige te zijn van de dingen die je al lezend en luisterend zag en hoorde. En is dat niet precies onze roeping?