Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

'In de Bijbel zit heel veel communicatiekracht'

Interview met dr. John van Eck

‘Ga pas over communiceren nadenken als je vanuit de tekst wat te communiceren hebt, en probeer mij niet langs andere wegen te paaien’, zegt dr. John van Eck (1952). Als legerpredikant zat hij al regelmatig onder de kansel, sinds zijn emeritaat is hij zeker ervaringsdeskundig als hoorder. Een gesprek over bevinding en authenticiteit, leegte en ervaring. Rapper Typhoon komt voorbij en dichter Lucebert. En uiteraard, Calvijn.

U hebt 38 jaar preekervaring. Wat is er in die periode vooral veranderd?

Van Eck: ‘Misschien mag ik beginnen met een belangrijke constante: in de preek moet de ‘waarheid Gods’ over de dingen worden gezegd. Dat is van het begin af mijn overtuiging geweest. Calvijn heeft mij de grondstructuur van wat een preek moet zijn aangereikt: het Bijbelgedeelte dat aan de orde is moet worden omgezet in beloften pro nobis, heilsaanzeggingen ‘voor ons’. De vermaningen rondom de beloften zijn niets anders dan aansporingen om je die aanzeggingen toe te eigenen, erop te vertrouwen, er gebruik van te maken, en om - verdere - vervulling ervan te bidden. Alle andere soort aanmaningen of appèls leiden tot vermoeiend activisme. Daar hebben we al genoeg van in de kerk.

Die grondstructuur is gebleven. Wat veranderd is, is dat ik vanuit de tekst steeds ontspannener toepassingen heb gemaakt op het geleefde leven. Dat komt natuurlijk doordat je zelf meer van het leven leert kennen. Ik preek veel minder ‘stug’ dan in het begin. Toch ben ik niet ontevreden dat het zo gegaan is. Preken waar veel uit het dagelijks leven in zit, zonder veel theologische geloofsbezinning, spreken misschien meer aan, maar brengen op den duur niemand verder. Je kunt het beste eerst helemaal in de tekst kruipen, hoe vreemd of zelfs afstotend die ook lijkt. Dan doen zich meestal vanzelf de toepassingen voor op het leven, dat vaak al even vreemd en afstotend is.’

Verhaaltjes

U bent ook als hoorder ‘ervaringsdeskundig’. Welke ‘trends’ neemt u waar? Waar schort het wat u betreft aan?’

‘”Het gaat tegenwoordig vaak over ‘gemeente-zijn”, zei laatst een ervaren preekluisteraar. “Meestal gaat het dan niet over mijn Here en Heiland”. Gelijk had ze. In principe kunnen alle thema’s aan de orde komen, maar enkel ‘uit Hem, door Hem en tot Hem’. Daar moet, voor je over wat dan ook gaat preken, in de studeerkamer diep over worden nagedacht en dat nadenken kan nooit stoppen.

Ik constateer bij predikanten een toenemende zorg om ‘over te komen’, wat kan leiden tot een overmaat aan voorbeelden en verhaaltjes. Soms met de haren erbij gesleept, kennelijk omdat dominees menen met een verhaaltje te moeten beginnen. Het verhaaltje of voorbeeld lijkt er soms eerst te zijn en ook de uitleg van de tekst te beïnvloeden. Soms voel ik er een angst onder die de verkondiging van een vertrouwenwekkende boodschap al bij voorbaat in de weg staat. En dat terwijl de Schrift zelf al zoveel boeiends en schokkends heeft te bieden. Wat is er mis mee om gewoon te beginnen met de tekst en even te laten zien hoe mooi, vreemd, schokkend, indrukwekkend enz. die is?

Neem de bekende gelijkenis over de koopman die alles over heeft voor die ene parel. Een vreemd verhaal, want door zijn handelwijze kan hij verder geen zaken meer doen. Waar moet hij eigenlijk van eten? Een enkele hint naar nu maakt een lang verhaal over het moderne zakenleven overbodig. Kan die gelijkenis niet beter worden ongedoopt tot ‘De koopman die zich arm koopt’? Er staat niet: ‘Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een parel van grote waarde’, maar ‘gelijk aan een koopman’, die op zoek naar parels die ene grote parel tegenkomt, waarvoor Hij alles wil geven. De waarde van die parel is de waarde die Hij er, vanuit zijn liefde, aan toekent. Al luisterend begint het tot de hoorders door te dringen dat zij die parel zijn. Ik wil maar zeggen: denk liever nog eens na over de verhalen die de Bijbel je aanreikt, dan je hoofd te pijnigen over een nieuw verhaal, dat overigens altijd ver beneden het niveau van het Bijbelverhaal zal blijven.

Natuurlijk kun je, vanuit het Bijbelverhaal, nog tot allerlei voorbeelden komen, bijvoorbeeld dat je, als je leeft vanuit de waarde die Christus aan je toekent, je je minder angstig hoeft af te vragen hoe anderen over je denken, omdat het laatste oordeel, het oordeel waarvan je leeft, niet aan hen maar aan Christus is. Kortom, ga pas over communiceren nadenken als je vanuit de tekst wat te communiceren hebt, en probeer mij niet langs andere wegen te paaien.’

Bevindelijkheid

Een van de zaken die u in uw theologisch leven veel heeft beziggehouden is de vraag hoe de hoorder met huid en haar betrokken kan raken bij de Bijbel. Hoe maak je de boodschap persoonlijk? Hoe kom je tot een gezonde vorm van ‘bevindelijkheid’?

‘Ik kom niet uit een typisch bevindelijk milieu, maar vanaf het moment dat ik bewust preken begon te beluisteren, merkte ik dat er steeds verwezen werd naar iets wat je meegemaakt moest hebben. In mijn jeugd was het heel gewoon dat vanaf de kansel gevraagd werd of je iets al ‘kende’, verslagenheid over je zonden bijvoorbeeld, of dat je een ontmoeting met Christus had gehad, of dat de Heilige Geest je was komen troosten. In het slotgebed werd dan soms nog gevraagd of de Here ons dat wilde geven. De predikant ging er dus niet vanuit dat we in het gelezen Bijbelgedeelte of in de prediking God of Christus ontmoetten. Er werd over die ontmoeting gepreekt, maar die ontmoeting zelf leek zich ergens anders af te spelen. In de ziel - wat dat dan ook was - of in het hart.

Hoe anders gaat het er aan toe in de preken van Calvijn; ik raad iedere predikant aan die te (her)lezen. Het is opvallend dat Calvijn alles wat hij uit de Bijbel bepreekt - een verhaal, een profetie, een psalm - in verkondiging van Gods genade aan ‘ons’ omzet, aan allen dus die hem op dat moment horen. Zo begint hij een preek over het geslachtsregister van Jezus (Matth. 1) met de mededeling dat de hoofdzaak daarvan is dat wij ‘zouden verstaan, dat Hij waarlijk onze broeder is’, en dat wij, nu Hij de afstand tussen God en ons mensen heeft overbrugd, niet bang hoeven te zijn om tot God te naderen – ook al zijn we zondaren. Calvijn vraagt niet: ‘Mag u dat al van uzelf zeggen?’ zoals dominees uit mijn jeugd wel deden. Of: ‘Bidt er maar om, dat u dat mag’. In dat laatste voelde ik altijd een inconsequentie: want wat heeft zo’n gebed voor zin, als je nog niet weet of je tot God mag naderen? Niet dat ik me door die vraagjes van Christus of van het geloof liet afhouden, daarvoor was het Bijbelwoord te sterk bij mij overgekomen, maar ik vond het toch vreemd dat daar vanaf de preekstoel telkens weer vraagtekens bij werden geplaatst. Alsof het Woord in zich geen basis voor het geloof kon bieden en daar nog iets – een gewaarwording, een ontmoeting of iets dergelijks – bij moest komen.’

Heilsaanzegging

Daarmee zijn we terug bij de grondstructuur van de preek.

‘De preek is van het begin tot het einde heilsaanzegging. Je kunt die geloven of verwerpen. In die heilsaanzegging zelf ligt de ontmoeting met God en met Christus. Heilsaanzegging ‘aan ons’, dat wil zeggen: iedereen die de preek hoort, dus niet alleen aan degenen die al van zichzelf kunnen zeggen dat ze geloven of die iets hebben meegemaakt waardoor ze de heilsaanzegging op zichzelf zouden mogen betrekken. Wel ligt in dit ‘ons’ de aansporing opgesloten om God te geloven en daaruit te leven. Het heil wordt ons aangezegd opdat wij geloven. Op dit punt zijn de preken van Calvijn voorbeeldig en je moet volgens mij goede papieren hebben om het anders te doen. Vooral omdat Calvijn hiermee aansluit bij een lange traditie dit teruggaat tot het Nieuwe Testament. “U komt de belofte toe, en uw kinderen”, zegt Petrus op de Pinksterdag; het is de grondslag waarop men opgeroepen wordt tot geloof, en om zich te laten dopen. Verderop in Handelingen (13:32) vind je het nog eens: “Wij verkondigen u de belofte”. Deze rechtstreekse heilsaanzegging is en blijft het fundament van de prediking. Ik zou vanuit de Bijbel niet anders kunnen.’

Authenticiteit

Waar is het dan ergens ontspoord, waardoor het accent is verlegd naar de ziel of het hart van de hoorder?

‘Toen ik theologie ging studeren, werd me duidelijk dat dat iets van het einde van de zeventiende, en met name in de achttiende eeuw was geweest, een periode dat men, niet alleen in de prediking, maar in de hele cultuur, naar authenticiteit, zocht. Alles wat men deed of dacht, ook wat men geloofde, moest innerlijk worden gevoeld, en wat men voelde moest ook honderd procent echt zijn. Dat gold niet alleen voor het geloof, het ging ook meer en meer in liefde en relaties gelden. Zekerheid kon men zich alleen nog als gevoelde zekerheid voorstellen. Een zekerheid die gebaseerd werd op iets wat tegen je werd gezegd, kon aan dat criterium niet voldoen en begon, zowel in de kerk als in de maatschappij, in waarde te dalen. Tussen twee haakjes: het lijkt erop dat deze ontwikkeling nog niet ten einde is. In de liefde geldt bijna enkel wat men voelt. Afspraken en beloften worden als iets uiterlijks gezien. Wat men voor elkaar voelt geeft de doorslag. Ook in de politiek moeten argumenten steeds meer wijken voor het gevoel.’

Smijtegelt

We kunnen authenticiteit ook positiever waarderen. Ten aanzien van de heilsaanzegging in de preek kun je zeggen: de hoorder is er ook nog. Het moet een keer persoonlijk worden.

‘Je kunt inderdaad niet naar Calvijn teruggaan alsof er na hem niets is gebeurd. Je kunt evenmin buiten je tijd gaan staan. De vragen van het gevoel en de behoefte aan authenticiteit zijn er en je kunt ze niet negeren. Daarom is het ook goed om naast Calvijn ook de preken van iemand als Bernardus Smijtegelt te lezen en je af te vragen wat het probleem was wat hij wilde tackelen, welke methoden hij daarbij gebruikte, en of hij het doel dat hij wilde bereiken ook werkelijk bereikt heeft. Zijn preken bevatten schitterende beschrijvingen van wat God aan een ziel komt doen, als Hij iemand overtuigt dat hij zondaar is, als Hij hem de ogen opent voor Christus, als Hij hem in zijn verdriet komt troosten met de Heilige Geest, als Hij hem zo met zijn vreugde vervult dat hij wel in de lucht kan springen - al komt dat laatste niet zo vaak voor. Als je Smijtegelt leest, voel je dat het om iets wezenlijks gaat, namelijk om de ontmoeting met de Levende God, die zich ook als Levende in ons leven laat gelden. Ook het gemis aan gevoel en de hunkering die dit teweegbrengt komen aan de orde. Ook dat gemis en verlangen vormen een band met God. Het eerste wat je van God ‘bevindt’, gewaarwordt, is dat je Hem mist, maar daarin ligt ook meteen het eerste verlangen dat je met Hem verbindt.

Deze gewaarwordingen probeert Smijtegelt zo goed mogelijk in woorden te vatten, zodat de hoorders van zijn preken zich daaraan kunnen spiegelen en kijken of ze ook zoiets hebben meegemaakt. Als ze zich er (enigszins) in herkennen, mogen ze moed vatten en op grond daarvan besluiten dat God, of Christus, ze heeft aangeraakt en mogen ze zich van hun heil in Hem verzekeren. Al blijft dat vaak aarzelend, want Smijtegelt weet goed dat het menselijk innerlijk een onrustig ding is en dat het moeilijk is daar zekerheid te vinden. Toch blijft hij het proberen, preek na preek, zonder dat de twijfel bij de hoorders ooit helemaal tot rust komt. Dat kan volgens Smijtegelt alleen als God rechtstreeks tot de ziel spreekt en zegt ‘Ik ben uw heil’. Maar die zekerheid wordt slechts aan enkelen gegeven. Via het luisteren naar preken bereikt men deze zekerheid niet.’

Een heel andere kant van het spectrum: onzekerheid.

‘Wat bij Calvijns preken de grondslag is – de rechtstreekse heilsaanzegging ‘aan ons’ – is bij Smijtegelt afwezig. Het onmiddellijk spreken van God tot de ziel (‘Ik ben uw heil’) wordt bij Smijtegelt slechts aan enkelen wordt gegeven. Bij Calvijn is dat de basis van elke preek; het wordt ons gezegd opdat wij het zouden geloven: ‘Ik ben uw heil’, of : ‘Christus is waarlijk onze broeder’. Dat wij voor diezelfde God ook zondaren zijn, en dat wij enkel om Christus wil voor zijn aangezicht mogen leven, en dat Hij ons werkelijk met zijn Geest ook troost, dat kan ook bij Calvijn allemaal aan de orde komen en we worden er ook toe opgeroepen om ons dat te realiseren, maar de zekerheid ligt daar bij Calvijn niet in. Die ligt enkel in het heil dat God ons in zijn woord aanzegt en dat wij – luisterend naar Bijbel en preek – nu uit zijn mond mogen horen.’

Leegte

Schieten we eigenlijk wel zoveel op met Smijtegelt?

‘Los van de zekerheidsvraag kunnen de beschrijvingen van het innerlijk leven ons ook de ‘troost van de herkenning’ geven. Je herkent er je eigen twijfels en vreugden in en weet dan: ik ben niet de enige die dit meemaakt. We zouden de erfenis van Smijtegelt – als degene die zich het diepste met de vragen van het gevoel heeft beziggehouden – eigentijds moeten verwerken. Een belangrijke voorwaarde vind ik wel dat die erfenis wordt ingekaderd in de grondstructuur zoals we die aantreffen in de preken van Calvijn. Zodat je voor je laatste zekerheid niet bent aangewezen op je onstandvastige innerlijk, maar op het Woord. Ook Calvijn herhalen alsof er niets gebeurd is, is na zoveel eeuwen gevoelscultuur geen optie. Als je de vragen van het gevoel onaangeroerd laat, laat je de hoorder met een leegte achter en die leegte wil worden gevuld.

De kans dat die leegte oningevuld blijft, is in onze belevingscultuur klein. Ook met de opmars van de evangelische spiritualiteit in de kerk.

‘Integratie van Smijtegelts erfenis in de Calvijnse aanzegginsprediking lijkt me die leegte beter te vullen dan leentjebuur spelen bij wat ik nu even grofweg de ‘evangelischen’ noem. De suggestie die van de prediking van die richting uitgaat is dat gevoelens stuurbaar of zelfs opwekbaar zijn, wat in de praktijk maar heel ten dele wil lukken, waardoor men aan het eind met dezelfde onzekerheid blijft zitten als de hoorders van Smijtegelt. Bij Smijtegelt komen de dingen van God en moet men er soms op wachten, maar als het komt, dan hééft men ook wat. En tijdens het wachten, zegt Calvijn, hoeven we aan Gods trouw niet te twijfelen. Daar mogen we zeker van zijn op grond van wat Hij ons aanzegt in zijn woord.’

Moderne ‘Tale Kanaäns’

Daarnet ging het over een “eigentijdse verwerking van de erfenis van Smijtegelt”. Hoe zou die eruit kunnen zien?

‘Het gaat om taal die het gevoel, ook het moderne levensgevoel, herkenbaar beschrijft. Ik pleit voor een moderne ‘Tale Kanaäns’, de taal van Paulus en de Psalmen in termen van onze tijd, aangevuld door die van rappers en moderne dichters. Neem de manier waarop een dichter als Lucebert de leegte van het menselijk bestaan weet te schilderen:

er is alles in de wereld het is alles 

de dolle hondenglimlach van de honger 

de heksenangsten van de pijn (…) 

binnen het gebroken papier van de macht 

gaapt onder de verdwaalde kogel van de vrede 

gaapt voor de kortzichtige kogel van de oorlog 

de leeggestolen schedel 

de erosie

er is alles in de wereld
het is alles 

arm en smal en langzaam geboren
slaapwandelaars in een koud circus alles
is in de wereld het is alles
slaap

De ‘leeggestolen schedel’, de ‘erosie’, de ‘slaapwandelaars in een koud circus’; als de dichter het je voorzegt, zie je het om je heen. Dat kun je misschien niet zo in een preek herhalen, maar het kan wel je taal en je verbeelding zo vormen dat je de taal van de Bijbel kunt aanvullen met woorden die met hedendaagse beleving in verbinding kunnen brengen.

Ook de rappers die het menselijk bestaan in al zijn aspecten tot hun thema hebben gemaakt, kunnen ons daarbij helpen. Ik denk aan ‘Als de hemel valt’ van Typhoon:

Als de hemel valt, de hemel valt 

De druk op God wordt groter en ze draagt het allemaal 

Maar als de hemel valt 

zullen we het samen moeten dragen 

en kunnen zij en Allah even weg

Wat deze woorden precies betekenen en wat je er van kunt vinden, ze vertolken een gevoel dat kennelijk voor velen herkenbaar is. En een zinnetje als ‘De druk op God wordt groter’ kan je ook theologisch aan het denken zetten. Ik kan het me ook nog wel ergens in een preek voorstellen.

Wat ik maar wil zeggen, ga voor de ontwikkeling van je geestelijke taalschat niet enkel bij theologen te rade. Je kunt je oor overal te luisteren leggen waar over het leven wordt nagedacht. Houdt je oren altijd open want – zoals Lucebert zegt:

over het krakende ei 

dwaalt een hemelse bode 

op zoek naar zijn antipode 

en dat zijt gij

Of een paar regels als deze:

Daar is in de wereld niets, mijn God, 

dan de ruimten om ons, 

dan de zingende oceanen, 

dan de zonnen en `t gegons 

der zwermen in den avond laat, 

daar is niets dan wat hol gepraat 

en mijn verlangen dat vecht naar U.
(Richard Minne)

Zo kun je in een paar woorden een hele wereld oproepen. Dat is in een preek soms nodig.’

Antenne

Kun je hier gericht aan werken? Veel media volgen?

‘Juist door heel veel Bijbellezen kun je een antenne ontwikkelen voor taal waarin de diepere gevoelens worden geuit. Bij hedendaagse dichters, maar ik weet dat er mensen zijn die nooit gedichten lezen. Mijn mentor, wijlen dr. A. van Brummelen, las sprookjes van Andersen om zijn verbeelding te stimuleren. Je moet doen wat je ligt. Als je in het pastoraat goed luistert, kun je ook prachtige uitdrukkingen opdoen waarin het moderne levensgevoel kernachtig is verwoord.

Het gaat me niet om Lucebert of Typhoon; dit is de nu eenmaal de wereld waarin ik mij graag beweeg. Maar blijf werken aan je taal en heb liefde voor woorden. Ze zijn het voertuig waarop de Heilige Geest de harten van de hoorders binnenrijdt.’

Het blijft wel schakelen tussen twee werelden, twee taalvelden…Hoe sla je de brug naar de seculariserende geslaagde mensen uit de middenklasse – die een omvangrijke categorie hoorders zijn?

‘Om te beginnen moet je de openheid hebben om die brug te willen slaan. Er liggen meer aanknopingspunten dan je denkt. Mensen die de hele week managerstaal spreken, kijken in hun vrije tijd ook fantasyfilms. Ze zijn kennelijk gevoelig voor beelden van een andere wereld. Ze volgen realityseries, om daar een spiegel voor hun eigen gevoel in te zien. Dus er is meer dan de harde realiteit van hun beroepsleven.’

En dan zegt zo iemand: ik wil iets van God ervaren. Ik beleef nauwelijks iets aan de kerkdienst en als dat zo doorgaat, houd ik ermee op.

‘Er is geen recept. Jij kunt op dat moment de dingen die jou uit de Schrift te binnen schieten misschien proberen te vertolken en dan moet het toch ook nog overkomen. Soms schiet je er net naast. Of het is zijn/haar tijd nog niet. Wat dat betreft ben ik wel een beetje bevindelijk. Maar je kan ook niet anders. Je hebt het niet in de hand. Het is God zelf die binnendringt in iemands leven. In het pastoraat tast je daar naar. Onlangs las ik bij Calvijn een zinnetje dat me deed beseffen dat het gebrek aan beleving ook een vorm van bevinding is. In zijn eerste catechismus schrijft hij over het gebed dat als de mens op de juiste wijze onderwezen is in het ware geloof (lees: de 12 artikelen), “het eerste wat hij dan opmerkt is hoeveel hij mist en hoezeer hij van alle goeds ontbloot is en iedere hulp die hem kan redden ontbreekt”. Het eerste dat de prediking van het geloof, dat Christus zijn leven voor ons heeft gegeven, dat Hij opgestaan is en dat wij ons leven hebben in Hem enzovoorts, het eerste wat dat bij ons teweeg brengt is dus de gewaarwording dat wij dit alles missen. Dat is dus een leegte die door de prediking van het geloof zelf wordt opgeroepen. Dat gemis drijft ons dan tot het gebed waarmee we dagelijks putten uit dat waarvan we geloven dat we het in Christus hebben. De zekerheid dat we dat hebben ligt in het Woord. In contrast daarmee voelen we in ons de leegte. Zo’n zinnetje zet in een keer weer een hele manier van denken op z’n kop. Je moet daar niet uit concluderen dat je het geloof maar beter aan de kant kan zetten. Nee, deze ervaring van de leegte is onderdeel van het geloof. Ze is het dode punt waar je soms doorheen moet. Het komt dan aan op volharding. Ik vind dat een prachtige observatie: je begint helemaal met niets, in de beleving.’

Opgeschroefde verwachtingen

Veel predikanten worden onrustig van gemeenteleden die ‘niets’ zeggen te beleven in de kerk. De voorgangers doen hun stinkende best en toch dreigen gemeenteleden af te haken.

‘Dat is ook niet altijd tegen te houden en je kunt er ook niet je prediking door laten bepalen. Soms heb je geen keus en moet je je neerleggen bij de feiten. Door mijn werk bij de krijgsmacht ben ik misschien meer ‘seculier’ dan menige collega. Ik was gewend te werken in een omgeving waar helemaal geen kerk is. Mijn ouders waren gemiddelde hervormde kerkgangers. Een beetje liberaal, in de zin van: tien geboden is meer dan genoeg. Allerlei vormen van christelijkheid hadden ze niets mee. Zelf zie ik me als iemand die in de wereld leeft en naar de kerk ga om te kijken wat God daarover heeft te zeggen. Daartussen zit voor mij eigenlijk weinig.’

U hebt het voordeel dat u een vrije vogel bent. U bent nooit gemeentepredikant geweest, waarbij u door een kerkenraad werd afgerekend op mensen die weglopen…

‘Ja. Die druk is een fout in ons kerkelijk systeem, waardoor het profetische in de prediking geflest wordt. Je wordt dan door je publiek betaald. Geen wonder dat je dan soms vastloopt. Als je een kerkenraad hebt die hoopt dat jij als dominee het verloop kunt stuiten, kunnen de opgeschroefde verwachtingen je verlammen. Je wilt zo graag ‘overkomen’, maar hoe? Soms moet je als je in de studeerkamer zit het hele probleem even proberen te vergeten en proberen weer dichter bij de Bijbel te komen. Daar moet je altijd dichter naar toe, want daar staat het, wat jij aan de mensen moet gaan vertellen. Communicatie is vers twee. In de Bijbel zelf zit heel veel communicatiekracht. Een recent voorbeeld: Afgelopen zondag heb ik over Ps. 69 gepreekt, waarin David zich in grote nood bevindt: hij wordt vals beschuldigd en hij dobbert zonder houvast rond in een vijandige omgeving. Als een drenkeling roept hij tot God. Wie ooit vals beschuldigd is, of het slachtoffer is geweest van pesten, in een klas, op het werk of via internet, begrijpt heel goed wat dit betekent. Het was de eerste lijdenszondag: Jezus heeft de psalm van David overgenomen. Hoe eenzaam is Hij zijn weg gegaan: onbegrepen door de wereld die Hij liefhad, onbegrepen door zijn naaste verwanten, zelfs door zijn eigen leerlingen. Onbegrepen door de kerk ook: wij putten ons uit in acties om de kerk te redden of hopen dat het met ons bidden lukt, maar hoe vaak denken we eraan dat Híj in de hemel voor ons bidt? Denken we nog wel aan Hem bij al onze kerkelijke activiteiten? Is Hij in de kerk nu misschien niet even eenzaam dan in de jaren dat Hij op aarde was? Aan toepassingen geen gebrek, vanuit de tekst.’

Politiek

Eén van de actuele toepassingen is het terrein van de politiek. Welke rol geef je politiek op de kansel? Waar liggen de grenzen? Welke rol speelt de actualiteit – de opkomst van het populisme, de geopolitieke situatie, etc. in de verkondiging? Op welke manier gaat u hier mee om?

‘Politiek moet soms aan de orde komen, zoals het in de Nederlandse Geloofsbelijdenis één van de 36 artikelen is. Maar altijd vanuit de tekst en vanuit de grondwaarden; niet vanuit partijpolitiek. In een preek schrijf je geen concreet politiek handelen voor, maar vanuit de Schrift geeft je duiding aan wat er in de wereld gebeurt en wijs je in een richting.

Zo preekte ik pas over Psalm 137, de klacht van de Israëlieten in ballingschap, met het bekende slot waarin gewenst wordt dat de ‘kleine kinderen’ van de ‘dochter van Babel’ tegen de rots mogen worden gegooid. Ik denk dat hier niet voor niets dochter van Babel staat. In Jesaja 47 vind je dezelfde uitdrukking. Babel wordt daar getekend als een moeder van kinderen. Het zou wel eens om een stukje politieke propaganda kunnen gaan: Babel als een goede moeder die voor haar onderdanen zorgt als voor haar lieve kinderen. Het was de bedoeling dat al die volkeren die door Nebukadnezar waren veroverd zich zo zouden gaan voelen: kinderen van de grote moeder Babel, en dat ze het leed dat hun door Babel was aangedaan gauw zouden vergeten. Ook de vermelding van het vruchtbare land met stromen(irrigatiekanalen) en bomen zou daarop kunnen wijzen. De vraag of Israëlieten een lied van Sion willen zingen hoeft ook niet bedoeld te zijn om te treiteren. Er kan ook iets inzitten van: jullie mogen nu jullie eigen bijdrage leveren aan de wereldwijde Babylonische cultuur. Maar dat weigeren de Israëlieten nu net. Ze weigeren te ‘integreren’, heb ik in de preek gezegd. Alleen daarmee raak ik al aan de politiek, waar ‘integreren’ de norm lijkt te zijn geworden. Israël weigert het.’

Actualiteit

Een stille hint, voor de goede verstaander.

‘Die zal dat hebben opgemerkt. Op de actuele politieke vragen ben ik daarbij niet ingegaan, maar het vraagteken bij de norm was gezet. Maar eerst ben ik met het verhaal van de psalm verder gegaan: ze moesten zich kinderen van de grote moeder Babel gaan voelen. Dat nooit! Liever tegen de rotsten met die lieve moeder! En haar kinderen erbij! En dan kan ik het niet meer laten en haal ik er de politiek toch bij. Ik citeer een fragment uit de preek: “Nationalistische propaganda is van alle tijden. Ook wij zullen er op weg naar de verkiezingen mee worden bestookt. We trappen er niet in! Als wij kinderen zijn, dan zijn we het van de hemelse Vader, die zijn kinderen onder alle volkeren heeft en we voelen ons verbonden met allen die als ballingen over de aarde gaan, en met Israël, het volk van God. En ons verlangen is dat alle mensen die uit Gods hand zijn voortgekomen, de weg terug zullen vinden naar de lof en de liefde van God, het doel waartoe wij mensen zijn geschapen. Vanuit de ontmoeting met Jezus gaan we met een ruim hart de wereld in. De vreugde die wij in Christus vonden willen we met alle mensen delen.”

De preek raakte aan de actuele politieke discussie, zonder aan partijpolitiek te doen. Tegen het populisme, maar evenzeer tegen het “fantastische Nederland” van Rutte, waaruit iedereen moet opkrassen die het er niet mee eens is. Het is niet alleen maar ‘alle ballen op Wilders’. De hele politiek is een beetje vergiftigd door dit gedoe.

Op de kansel ben ik terughoudend met het noemen van namen van politici. Dat doet de Bijbel ook niet. Ga maar na: Nebukadnezar wordt nog net genoemd. Jezus noemt Herodes een vos. De naam van Nero valt bij Paulus niet. Ik spiegel me daar aan op de kansel. Het Woord geeft een oordeel over mensen en dingen. In de preek probeer je dat te vertolken. Zodra je namen gaat noemen, wordt het al gauw jouw mening.’

Voorbede

U bent niet terughoudend geworden op het punt van de politiek vanwege de controverses die dat gaf in het verleden, rond de kruisraketten bijvoorbeeld.

‘O nee, daar was ik ook toen niet bang voor. Over de bewapeningskwestie heb ik me toen ook uitgesproken. Maar ook toen niet partijpolitiek maar in de vorm van een exegese van Deuteronomium 21. Daarmee geef je een richting aan: je kunt beter die kant opgaan, dan die.

Een ander punt is welke rol de politiek speelt in de voorbede. Wat bid je na de inauguratie van Trump? Of straks na 15 maart?

‘Bij het aantreden van Trump heb ik gebeden om rust. Iets in de trant van: ‘Heer, behoed een werelddeel voor chaos, oorlog en grote maatschappelijke strijd’.
Wij beleven een tijdvak waarin op politiek niveau van alles in beweging is. De verhouding tussen Rusland en Amerika schuift, Europa zit een beetje tussen hamer en aambeeld. Ik kan niet vanuit de Bijbel duiden waar dat heengaat. Europa is nooit brandschoon geweest. Door de eeuwen heen leeft er een grote moslimangst in ons continent, mythisch bijna (de Turken voor Wenen). Het zit diep verankerd in het DNA van de bevolking. Het is ingewikkeld om dat in gebeden om te zetten. ‘Maar Heer, U bent degene, Uw Zoon is degene, de Koning der koningen die boven dit alles troont en wij komen nu vanuit onze kleine kerk tot U om die hele wereld bij U aan te bevelen’.’

Dat is een gebed van alle tijden. Waar krijgt het een brandend actuele spits?

‘Na de inauguratie van Trump was iedereen banger voor ‘chaos’ dan bijvoorbeeld drie weken daarvoor. Dus zulke woorden kunnen opeens een actuele lading krijgen. En je weet ook wel dat als jij zelf met een probleem zit, ineens iedere preek over jou lijkt te gaan. Als een gemeente problemen heeft, dan lijkt iedere preek van een gastpredikant over die problemen te gaan. Dat is natuurlijk niet zo, maar je bent er gevoeliger voor. Als de wereld in onrust zit, dan kan een eenvoudige tekstlezing kan hoorders al op een spoor zetten. Ik heb ook wel eens een keer, ik weet niet meer in welke politieke situatie het was, gewoon gezegd: “Ik weet niet wat ik bidden moet, Here, maar we leggen het bij U neer.’’ Ik herinner me dat Bram van de Beek een keer in een gebed voor de overheid zei: “Help ze in hun beslissingen. Laten het goede dingen zijn die ze beslissen, in ieder geval geen verkeerde.” Dat gebed trof me. Hij verwachtte van de overheid geen wonderen. Op een of andere manier deed juist dat me goed.’

Zoveel is duidelijk: u voelt weinig voor stevige politieke stellingnames.

‘Over politieke stellingnames moet de kerk als geheel eerst maar overeenstemming bereiken. Je formuleert die zomaar niet als individuele predikant. Het debat over zo’n stellingname zou op de synode moeten plaatsvinden, maar zover is het kennelijk nog niet. Overigens doen we er bij dit soort discussies goed aan te beseffen dat wij in een vrij luxe situatie leven. De meesten van onze medechristenen leven onder foute regimes. Wij hebben nog helemaal niet geleerd hoe dat moet. Misschien gaan we een tijd tegemoet, waarin we als kerk heel ingewikkeld moeten manoeuvreren. De Tweede Wereldoorlog heeft ons geleerd dat we in zulke situaties ten dele goed, ten dele fout opereren. Ook dat moet ons bescheiden maken.’

Context

Waarin verschilt het voorgaan in diensten voor de krijgsmacht van een ‘gewone’ kerkdienst?

‘De preken die ik in de winter van `95-`96 in Zagreb heb gehouden, heb ik allemaal bewaard. Daarin komt de ‘omgeving’, meer dan in een preek in een gemeente in Nederland, rechtstreeks aan de orde. Zo waren er marechaussees die in gebieden patrouilleerden waar de Servische bevolking door de Kroatiërs was verdreven. Ze kwamen door spookdorpen, waar zich soms nog wat oude mensen schuilhielden die niet mee hadden kunnen komen met de rest en die daar op de laatste restanten aan voedsel leefden. Een van de marechaussees vertelde van een paard dat uitgehongerd op een brug stond en dat niet meer het benul had dat het van die brug af moest om bij water te komen. Een bijbels tafereel. De zondag daarop preekte ik over Romeinen 8: het zuchten van de schepping, het zuchten van de gelovigen die uitzien naar het grote herstel der dingen, en het zuchten van de Geest, God zelf, die dwars door alles heen bij zijn schepping blijft en niet rust voordat zij geheel hersteld en God ‘alles in allen is’. Een moeilijk gedeelte dat op een Nederlandse kansel een heel stuk uitleg behoeft om het dichterbij te brengen. In Zagreb voelde ik tijdens de Schriftlezing, bij het zuchten van de schepping, al dat men het begreep. De omgeving, de verhalen, de kapotgeschoten gebouwen gingen een rechtstreekse fusie met de tekst aan. In de preek heb je dan aan een paar vingerwijzingen genoeg. 
Iets eerder in de vervolgserie over Romeinen ging het over Christus als zondebok. De parallelle schriftlezing was uit Leviticus 16, over Grote Verzoendag. De discussie over de ‘schuld’ van ‘Srebrenica’ was toen al in volle gang. Een bal die van de een naar de ander doorgespeeld werd en niemand wou hem hebben: de VN niet, de Nederlandse regering niet, met als gevolg dat die schuld maar bleef ‘spoken’. Altijd had de ‘ander’ het gedaan. Wat een rust zou het geven als iemand die schuld op zich zou nemen en zeggen: “Ik heb het gedaan”. Wat een rust zou dat geven voor alle betrokkenen! En toen hoefde ik alleen maar te vertellen hoe Israël jaarlijks als volk samenkwam en de schuld op de zondebok gelegd werd en hoe Jezus dat voor de zonde van heel de wereld wilde wezen. Ook hier was het enkele vertellen van wat er Leviticus 16 en Romeinen 3 staat genoeg.

In zo’n context spreekt de Schrift rechtstreekser dan in een omgeving waar de vragen naar lijden en schuld zich minder rechtstreeks opdringen. Een trouwe kerkganger van mij in Zagreb, die het na terugkeer in Nederland na jaren maar weer eens wilde proberen in de kerk van zijn dorp, vertelde me tijdens een reünie dat het bij één kerkbezoek was gebleven. “Het was weer de oude hemeltheorie”, vertelde hij me. Een treffende omschrijving. Ik heb het toen opgenomen voor de dominee die het in zijn dorp met de Bijbel moeilijker heeft dan ik in Zagreb. Daar was het allemaal heel dichtbij waar het over gaat in de Bijbel. Thuis speelt dat allemaal minder direct, vandaar dat het meer ‘theorie’ lijkt en uitgelegd moet worden. “Geef je dominee een kans”, heb ik hem gezegd. Ik weet niet of het heeft geholpen.’

Had de context van de krijgsmacht – met een heel gemêleerd gehoor – nog invloed op de verkondiging?

‘Eigenlijk veel meer de seculiere context, dan de militaire. Voor mijn werk in het leger, in pastoraat en prediking, heb ik veel aan Calvijn gehad. Zijn gedachten over humanitas, menselijkheid, bijvoorbeeld. Een menselijk leven zonder genieten of zonder gevoel bestaat niet, betoogt hij, op grond van bijbelteksten, en op basis van de ervaring. Ook mensen die niet direct het geloof delen, kunnen daar iets mee. In overlegsituaties met de overheid heb ik die principes overgenomen en belicht vanuit de kern van het geloof. Maar heel veel verschil tussen mijn preken voor de krijgsmacht en voor een gewone dorpsgemeente in Nederland is er niet. Professor H. Jonker omschreef de doelgroep van het evangelie altijd met een beroep op het slot van het Marcus-evangelie: “Alle creaturen”. En hij voegde er aan toe: “Dus daar zitten er een paar van in de kerk. En verder zijn er nog een heleboel engelen die luisteren”.’

Dr. John van Eck (1953) groeide op in Lexmond. Hij studeerde na het gymnasium klassieke talen en theologie, en promoveerde in 1978 op ‘The Homeric Hymn to Aphrodite’. Hij werkte van 1981 tot 2008 als legerpredikant. Na zijn pensionering rondde hij een opleiding compositie klassieke muziek af, aan het conservatorium in Zwolle.

Van zijn hand verschenen diverse boeken:

  • Denken over bewapening

  • Paulus en de koningen

  • Humanitas bij Calvijn

  • “En toch beweegt Hij”; over de godsleer in de belijdenisgeschriften

  • Vonken van het licht. Op zoek naar sporen van Gods aanwezigheid”

  • Uw partner in godsdienst. Leven met de islam

  • In het hart gezien; geloof en gevoel in het leven van Nederlandse gereformeerden (1602-1744)

  • Van alzo hoge; over ruimte en beweging in God

  • Verder schreef hij twee delen in de serie ‘Commentaar op het Nieuwe Testament’: Handelingen en de Brief aan de Kolossenzen.