Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Making See

Dit is de samenvatting van de dissertatie van C.M.A. van Ekris, verschenen als handelseditie bij LIT Verlag (Zürich/Berlin), onder de titel ‘Making See. A Grounded Theory on the prophetic dimension in preaching’ als Band 10 in de serie Homiletische Perspektive. Van Ekris promoveerde middels deze studie op 24 mei 2018 aan de Protestantste Theologische Universiteit te Groningen.

Wat gebeurt er, vanuit religieus perspectief gezien, in de profetische dimensie van prediking? Anders gezegd: Welke theologische en homiletische processen gebeuren er in preken die we ‘profetisch’ noemen? Deze onderzoeks-kwestie staat centraal in deze studie. In dit boek ontwikkelen we een conceptuele en een theologische reconstructie van de profetische dimensie in prediking als een contemporain fenomeen.

I Prolegomena

Het eerste deel van de studie bestaat uit een bespreking van de praktisch-theologische en methodologische voorvragen. Dat in prediking een profetische kracht zich kan ontwikkelen is een oude maar levende intuïtie, zowel in de kerk als in de homiletiek. Tegelijkertijd is er ook een moderne sensitiviteit voor toespraken, literatuur en poëzie die, achteraf gezien, profetisch genoemd kunnen worden. Het profetische is een categorie die in allerlei contexten blijkt te resoneren en die voor velen tot de verbeelding spreekt. Het risico van deze populariteit is dat de betekenis van het begrip onhelder wordt. Een belangrijk doel van deze studie is om in die onhelderheid verheldering te brengen.

Het eigene van de studie is dat het een empirische analyse biedt van profetische prediking. Het profetische wordt niet bestudeerd vanuit een theologische opvatting over wat profetische prediking is of zou moeten zijn. Het profetische wordt gereconstrueerd vanuit een analyse van bestaande praktijken van prediking in de Christelijke gemeente.

Omdat het empirische centraal staat in deze benadering, zijn we het onderzoek begonnen met een fenomenologische verkenning. Waar en hoe doet het profetische zich voor? In hoofdstuk 1 hebben we een, initiële en dus fragmentarische, ‘topografie van het profetische’ opgesteld. De verkennende vraag was: Op welke ‘plekken’ is er een levendig discours gaande aangaande het profetische, wat is de inhoud daarvan en op welke manier beïnvloeden die discoursen mogelijkerwijze het contemporaine verstaan van het profetische? Er zijn vijf betekenisgebieden verkend:

  1. Het profetische speelt een rol in heilige schriften. In dit onderzoek richten we ons op de heilige schriften van de Christelijke kerk.

  2. Het profetische is terug te vinden in de geschiedenis en in de traditie van gemeenschappen of samenlevingen, en die traditie beïnvloedt het verstaan van het profetische in het heden.

  3. Het profetisch is een begrip dat een rol speelt in intellectuele reflectie.

  4. Het profetische is een begrip dat opduikt in moderne samenlevingen, op tal van plekken en in heel verschillende soorten van expressie (zoals literatuur, muziek, politieke demonstraties, YouTube) en met name rondom transitiemomenten.

  5. Het laatste betekenisgebied dat we onderscheiden zijn lokale religieuze gemeenschappen, waarin profetische teksten worden gelezen en uitgelegd voor het heden, en waar, in verschillende vormen van gradualiteit, het profetische als een realiteit kan worden beleefd. In ons onderzoek richten we ons op de Christelijke gemeente als een eigen topos van het profetische, en daarin richten we ons met name op prediking.

In de fenomenologische verkenning in hoofdstuk 1 ontstaat op deze manier een intrigerende bricolage van fragmenten van het profetische. Het methodische doel van deze ‘topografie’, is om de empirisch onderzoeker een besef te geven van de complexiteit van het fenomeen, en van de verschillende betekenislagen die in het contemporaine gebruik van het begrip mogelijk besloten liggen. Daarnaast heeft deze brede oriëntatie ook een theologisch motief: Het is historisch en theologisch gezien raadzaam om het profetische niet als een ‘intramuraal fenomeen’ te zien. Het is daarom verkieslijk om in de bestudering van het fenomeen een zo open mogelijke onderzoeks-attitude en -methodiek te ontwikkelen. Daarnaast is het homiletisch gezien waarschijnlijk dat de verschillende betekenisgebieden elkaar beïnvloeden, en dat ook prediking door de verschillende bronnen beïnvloed wordt: In contemporain verstaan van wat ‘profetisch’ is, zullen schriftuurlijke, historische, intellectuele, actueel-maatschappelijke en specifiek christelijke elementen steeds op specifieke manieren zich tot elkaar verhouden.

In het slotgedeelte van het eerste hoofdstuk ontwikkelen we een praktisch-theologisch kader. We veronderstellen dat de christelijke gemeente enerzijds niet in een isolement leeft, en dat het daarom ook beïnvloed wordt door discoursen over het profetische die om haar heen gebeuren. Anderzijds is er in de christelijke gemeente ook een eigen traditie van en een eigen omgang met het profetische. Die traditie is onder andere traceerbaar in de liturgie. Het begrip ‘Woord van God’, bijvoorbeeld, een essentieel begrip rondom Schriftlezing en prediking, is van oorsprong een profetisch begrip. Bovendien worden in de Schriftlezingen regelmatig profetische teksten gelezen en uitgelegd voor het heden. Een ander voorbeeld is de epiclese waarin de Heilige Geest wordt aangeroepen en waarin om de aanwezigheid van Christus wordt gebeden. In de pneumatologische en christologische tradities van de kerk, hoe divers die ook zijn, zijn profetische aspecten vrijwel nooit afwezig. Zo zijn er meer voorbeelden te geven van profetische sporen in de liturgie. Het onderzoek geeft aanleiding om het profetische te zien als een onderdeel van de eigen dramaturgiek van de liturgie, als een intrinsiek aspect daarvan. Het profetische benaderen wij in deze studie als een specifieke dimensie in de omgang tussen God en mens, als een onderdeel van de divine-human dynamics. Dat juist in prediking deze profetische dimensie actueel kan worden, is vanuit deze praktisch-theologische achtergrond geen verrassing.

In hoofdstuk 2 wordt een schets gegeven van het methodologisch ontwerp van de studie en van de uitvoering ervan. Dit onderzoek is een kwalitatief onderzoek: Het wil allereerst een empirisch fenomeen, (namelijk het gebeuren van het profetische in prediking), benaderen, beschrijven en pogen te begrijpen. In deze studie proberen we conceptueel grip te krijgen op dit epifanische moment van het profetische in prediking. De gefundeerde theoriebenadering (Grounded Theory Methodology), verschaft de onderzoeker een attitude en een instrumentarium om complexe fenomenen als dit, zorgvuldig te beschrijven en om vervolgens van het empirische tot het conceptuele niveau te kunnen komen in de beschrijving ervan.

Om de kwaliteit van het onderzoeksmateriaal te garanderen, hebben we zes criteria opgesteld waaraan de te analyseren preken moeten voldoen. Daarnaast hebben we een verkennend onderzoek gedaan om die praktijken van prediking op het spoor te komen waarover een brede consensus is dat daarin profetische dimensies aanwezig zijn of zijn geweest. In onze eerste cyclus van empirisch onderzoek, hebben we drie praktijken van prediking geselecteerd die kerkelijke, academisch-homiletische en cultureel-maatschappelijke erkenning hebben gekregen van een profetische dimensie. Die brede en gefundeerde erkenning is een solide uitgangspunt voor ons onderzoek. We noemen deze praktijken ‘contemporain-paradigmatische praktijken van profetische prediking’. Het gaat hierin om de prediking van Dietrich Bonhoeffer, Martin Luther King en Desmond Tutu. Na aanvullend onderzoek in secundaire literatuur over deze predikers en de omstandigheden waarin ze preekten, hebben we van ieder drie preken geselecteerd.

In de analyse van de preken hebben we gebruik gemaakt van de verschillende methodische middelen die de gefundeerde theoriebenadering biedt, zoals coderen (het regel voor regel benoemen in een korte code van wat er gebeurt in dat fragment van de preek) en zoals de theoretische reflectie op de codes door het schrijven van memo’s. Een interessant methodisch instrument is daarnaast het ontwikkelen van ‘sensitizing concepts’. In het begin van ons onderzoek hebben we de aanvankelijke fenomenologische observaties als ook onze eigen intuïties aangaande het profetische in prediking, verwoord in zes ‘sensitizing concepts’. Op die manier schept de onderzoeker helderheid over zijn vertrekpunt en kan de focus die daardoor ontstaat zowel sensitief maken voor bepaalde aspecten in het empirisch materiaal, als dat het juist ook ontvankelijk maakt voor in welk opzicht het empirisch materiaal anders is dan verwacht werd.

Na de analyse van de eerste cyclus van preken, via een methode van voortdurend vergelijken van het verschillende materiaal, werden de eerste patronen in de codes benoemd in tien initiële categorieën. In een tweede cyclus van empirisch onderzoek zijn deze tien tentatieve concepten opnieuw bestudeerd, nu in nieuwe en in andere praktijken van prediking. In de selectie van de nieuwe preken hebben we gezocht naar leidinggevende predikers die in complexe omstandigheden, theologisch, geestelijke en ook maatschappelijk richting hebben gegeven aan hun kerk, ook in prediking. De aanvankelijke criteria waaraan de preken moesten voldoen, zijn grotendeels gehandhaafd. De tien initiële categorieën zijn bestudeerd in de preken van Werner Krusche (in de context van de DDR), in de universiteitspreken van Gerhard von Rad (in de naoorlogse spanning in de BRD, met een scherpe intuitie van toenemende seculariteit in Europa) en in de preken van Rowan Williams (preken zowel in een plurale moderne samenleving, als in politiek-conflictueuze situaties). We noemen deze praktijken ‘exemplarische praktijken van leiderschap in prediking’. Van iedere prediker werden opnieuw drie preken geanalyseerd. Deze tweede cyclus heeft stimulerend gewerkt in ons onderzoek. De tien aanvankelijke concepten waren herkenbaar aanwezig in deze nieuwe preken en kregen een scherper inhoudelijk profiel en een breder (want: conceptueler) bereik. In deze fase hebben we de vijf definitieve concepten van ons onderzoek ontwikkeld. Deze vijf concepten worden besproken in het empirisch gedeelte van ons onderzoek (hoofdstukken 3-7).

Een belangrijke aanvulling is onze keuze om preken in hun geheel te bestuderen. In plaats van bepaalde incidenten in preken te analyseren, (met het risico dat die incidenten in de analyse losgeweekt worden van hun integrale plek in het geheel), is in dit onderzoek de theologische en de retorische eenheid van de preek het uitgangspunt. Door de hele preek te analyseren, menen we ook beter recht te kunnen doen aan de contextuele dynamiek die gaande is in de preek en aan de particuliere eigenheid van iedere preek. Het is ook om deze redenen dat samenvattingen van de hele preken zijn opgenomen in het boek. In het empirisch gedeelte begint ieder hoofdstuk met een gedeelte dat ‘Fundamentals’ heet. In dat deel worden de conceptuele en theologische resultaten van ons onderzoek beschreven. In het tweede gedeelte van ieder hoofdstuk, genaamd ‘Particulars’, wordt uitgelegd hoe dit concept zich manifesteert in concrete preken, en wat de eigenheid van het concept in die specifieke context is.

II Empirisch onderzoek

1 Onthullen

Wat gebeurt er, vanuit religieus perspectief gezien, in de profetische dimensie van prediking? Het eerste distinctieve moment in het profetische is dat iets zichtbaar wordt gemaakt. Ons onderzoek laat zien dat het profetische begint met waakzaamheid naar datgene wat mensen beschadigt. We gebruiken voor die ‘beschadigende macht’ de intuïtieve en heuristische term ‘destructivum’. In al de contexten die we bestudeerd hebben heeft het destructivum een eigen verschijningsvorm (en een eigen geschiedenis, een eigen karakter en een eigen gradatie van gevaar): Het kan apartheid zijn, apostase, defaitisme of hebzucht. Profetische prediking gebeurt omdat destructiva bestaan en de intensiteit van het profetische is correlatief verbonden met de kracht van het destructivum. Des te beschadigender destructiva zijn, des te explicieter het profetische zich zal manifesteren in prediking. In het onderzoek zien we dat er een accent ligt op datgene wat het geloof van gemeenteleden en de integriteit van de Christelijke gemeente beschadigt. Tegelijkertijd zien we dat dit niet los te koppelen is van datgene wat de samenleving beschadigt en wat het humanum bedreigt. Omdat het beschadigende aan het licht wordt gebracht, is het profetische moment in prediking ook een ademruimte voor al degene die dit beschadigende herkennen en eronder lijden.

Het onderzoek laat ook zien dat het destructivum veelal verborgen is. Verborgen, omdat het op een onbewust niveau zich afspeelt, omdat het getaboeïseerd wordt of gecensureerd, omdat het ontkend wordt of verhuld door taal. Een belangrijke eigenschap van het onthullen van het destructivum is daarom de deconstructie: Datgene waarin het beschadigende verborgen zit, wordt gedeconstrueerd, zodat de kern van het beschadigende aan het licht komt. Een ander resultaat van ons onderzoek is dat het laat zien dat juist in deze dynamiek de theologische categorie van de roeping een rol speelt. In de onthullende functie die profetische prediking heeft, benoemen predikers werkelijkheden in het leven van de hoorders die ongemakkelijk zijn en kritisch, die iets zeggen wat men liever niet ziet of waarover men liever over zwijgt. Predikers geven aan deze rol niet graag op zich te nemen, en spreken veelvuldig juist hier over roeping. Dit verklaart waarom roeping ook als een last kan worden beleefd. Een laatste onderzoeksresultaat binnen dit concept is de rol van iconische en iconoclastische fragmenten. In de profetische dimensie kan het gebeuren dat de essentie van een crisis in een kerk of een samenleving in een iconisch fragment getoond wordt. Dergelijk fragmenten zijn kristallisatiemomenten van zichtbaarheid. Interessant genoeg kan ook profetische prediking zelf onderdeel worden van een analoge iconische dynamiek: Er is een werkingsgeschiedenis van profetische preken aanwijsbaar waarin een eerder profetische moment in een kerk en in een cultuur gekoesterd wordt.

2 Onderbreken

Het tweede concept dat we ontwikkeld hebben is interrumperen. In de profetische dimensie wordt het beschadigende niet alleen getoond, het wordt ook onderbroken. Het profetische moment is een interventie. Wanneer we preken in hun geheel analyseren, zien we dat het interveniërende in deze preken een meanderende beweging heeft. Er zijn momenten van continuiteit met een maatschappelijke narratief die afgewisseld worden met momenten van discontinuiteit daarmee, er is zelfkritiek die over kan gaan in kritiek op anderen, er is een vorm van interruptie die juist het goede zoekt voor degene die geïnterrumpeerd wordt. In ons onderzoek hebben we de term attuning ontwikkeld, wat vertaald kan worden met afstemmen. In het kritische moment in profetische prediking zijn predikers niet simpelweg neezeggers, maar stemmen zij hun interventie af op wat gezegd moet worden, op wat wijs is om te zeggen en op wat strategisch of effectief is om te zeggen, gezien de specifieke context waarin zij verantwoordelijkheid dragen. Empirisch onderzoek laat zien dat het interveniërende moment in profetische prediking een verrassende paradoxaliteit, generativiteit en constructiviteit bezit. Het is juist in de manier waarop predikers interveniëren (of niet), dat zij hun theologische integriteit en hun contextuele geloofwaardigheid kunnen bevestigen of verspelen.

3 Kwalificeren

Een derde distinctief moment dat gebeurt in profetische prediking is dat een theologische en een geestelijke kwalificatie gegeven wordt aan datgene wat gaande is in een gemeente, in een kerk of in een samenleving. Het onderzoek laat zien dat in de bestudeerde preken een illuminatieve dynamiek gebeurt tussen Bijbelteksten en de actualiteit van de context. Specifieke woorden uit de Bijbel worden herkend in het heden en andersom: het heden wordt herkend in passages uit de Schrift. We noemen dit het epifanische moment. Empirisch en analytisch gezien lijkt het sterke van het profetische moment in prediking ook te liggen in het feit dat het participeert in de kracht van de Bijbelpassage die herkend wordt. Doordat predikers in hun preken een bepaalde vorm van synchroniteit benoemen tussen de Bijbelpassage en het heden, komt een specifieke kracht vrij. Die kracht is Urteilskraft: De kracht van het profetische is dat het destructivum, terwijl het bezig is schade aan te brengen, benoemd wordt. De geestelijke en theologische kwalificatie van dat destructivum is onder andere een vrucht van deze illuminatieve dynamiek: Doordat woorden of situaties uit de Schrift herkend worden ontstaat een specifieke diagnose van het heden. Het onderzoek laat zien dat deze herkenning de basis is van het spreken, terwijl tegelijkertijd predikers een nieuw woord spreken, een woord afgeleid vanuit die initiële herkenning. We gebruiken voor dat ‘nieuwe spreken’ termen als excarnating Scripture en derivative prophecy: Wat gebeurt in deze momenten in prediking kan beschouwd worden als een afgeleide vorm van profetie, als een nieuw woord dat afgeleid wordt uit het oude gezaghebbende woord in de Schrift.

In heel ons onderzoek, ook op dit punt, blijkt dat in het profetische moment de prediker geen geïsoleerde positie inneemt. In de analyse van de preken blijkt dat juist in het profetische moment predikers goed hebben geluisterd. Ze hebben niet alleen intensief geluisterd naar de Schriften en naar de theologische en geestelijke traditie waarin ze staan, maar ze hebben ook geluisterd naar tijdgenoten (journalisten, musici, schrijvers en jongeren), naar gemeenteleden, naar contemporaine gebeurtenissen die een bepaalde betekenis lijken te hebben. De diversiteit aan stemmen die traceerbaar is in de preken is opvallend groot: Het omvat stemmen van tijdgenoten uit andere godsdiensten, het omvat stemmen van mensen die door de publieke opinie juist als ‘vijandig’ worden bestempeld, en het heeft een specifieke aandacht voor hen die lijden. In ons onderzoek hebben we de term ‘absorberend vermogen’ ontwikkeld voor deze capaciteit van predikers, die tot uiting komt in hun preken. In het laatste hoofdstuk zullen we dit de ‘inductieve factoren in de wording van het profetische’ noemen

4 Overwinnen

De kracht van het profetische, zoals we hebben aangetoond, ligt in het onthullende, in het interrumperende, in het diagnostische en in het illuminatieve. Een opmerkelijk onderzoeksresultaat is dat de kracht van het profetische daarnaast ook in het cathartische ligt. In de profetische dimensie in prediking wordt het beschadigende niet alleen onthuld, onderbroken en gekwalificeerd, het wordt ook overwonnen. Wat we bedoelen met het ‘cathartische’, is dat predikers het effect zien van het destructivum op de levens van hun hoorders en dat in de preken, als reactie daarop, een bepaalde verlossende kracht gezocht wordt, en zich ook lijkt te ontwikkelen, een kracht waarin hoorders kunnen participeren en die de intentie heeft hen los te maken van de grip die destructiva op hun levens hebben. Het heeft ons verrast te bemerken hoeveel coderingen in onze analyse refereren naar thema’s als herstel, genezing, bevrijding, uitdrijving van het kwade, ontgiftigen.

Dit overwinnen van destructiva gebeurt enerzijds in de vorm van een praesens. In het profetische moment zien we dat in de catharsis een reinigende en een heilvolle kracht vrijkomt. Terwijl predikers in de preek hun hoorders opmerkzaam maken op God’s presentie in hun omstandigheden, wordt de preek zelf een bemiddelend moment van die presentie. Het profetische bevat dit moment van heilsbemiddeling, van het faciliteren van een participatie in een specifieke vorm van bevrijding en heil. Anderzijds is er ook presentie in de vorm van anticipatie. Ook de anticipatie is een kracht in het heden. Ons onderzoek laat zien dat in het profetische de ‘hoop’ een formatieve theologische categorie is, juist wanneer het gaat om het overwinnen van destructiva. De praktijken van de kerk, zoals gebed en diaconaat, prediking en pastorale presentie, functioneren als belichamingen van die anticipatie: In deze praktijken wordt geanticipeerd op een toekomst en door deelname aan die praktijken komt een kracht vrij in het heden die de potentie heeft destructiva te overwinnen. Deelname aan de koinonia van de avondmaalstafel kan de kracht van apartheid breken en overwinnen, bijvoorbeeld. De profetische dimensie in prediking is in deze zin onderdeel van een bredere matrix van praktijken in de Christelijke kerk die onderling verbonden zijn en die in hun samenhang een tegenkracht kunnen vormen tegen de benoemde destructiva.

In de profetische dimensie van prediking wordt een toekomst voorvoeld, wordt op die gevoelde toekomst geanticipeerd. Die toekomst is niet zonder dreiging, en het expliciteren van de dreiging is ook een onderdeel van het profetische.

5 Inwijden

Het vijfde distinctieve moment in de profetische dimensie van prediking is de inwijding van de gemeente. Profetie is ook een vorm van initiatie. In onze theologische reconstructie van de profetische dimensie is deze inwijding een intrinsieke vrucht van de voorafgaande momenten. Doordat het kwaad wordt benoemd en gebroken, en doordat een heilzame presentie wordt aangewezen en beleefd, wordt de gemeente ingewijd in een werkelijkheid die gevolgen heeft voor hoe zij zelf ziet, voelt en leeft. Bekering en navolging, ethiek en visievorming zijn integrale onderdelen op deze weg van inwijding. Ons onderzoek geeft aanleiding om hierover in mystagogische termen te spreken: In de profetische preek wordt uitgelegd op welke manier destructiva doorwerken in levenspatronen van hoorders en welke alternatieve levenspatronen juist in het heden gevraagd worden van de gemeente.

Ons onderzoek laat een intrigerende dynamiek zien tussen initiatie en participatie in de profetische dimensie. Initiatie is de afzondering en de concentratie, het is: hoorders die deelkrijgen aan de kracht die vrijkomt in het profetische moment. Participatie is de deelname aan de crisis van een samenleving, niet wegkijken en niet het isolement zoeken, maar een specifieke vorm van solidariteit betrachten. De dynamiek die we zien in het profetische moment is dat juist vanuit de initiatie op een eigen en vruchtbare manier geparticipeerd kan worden in de crisis van een tijd. Fascinerend genoeg is het profetische moment ook een inwijding van de hoorders in de crisis om hen heen. In het profetische wordt de crisis van een samenleving zo serieus genomen, dat die crisis ingebracht wordt in de gemeente en dat onder andere in prediking gezocht wordt naar illuminatie en catharsis om die crisis te overwinnen. In deze zin is initiatie een eigen vorm van participatie.

Een laatste observatie vanuit ons onderzoek is dat het in de initiatie niet gaat om het heroïsche, het geheimzinnige of het spectaculaire, maar om het essentieel christelijke. Des te dwingender destructiva samenlevingen domineren, des te profetischer het reguliere gemeenteleven wordt. Daarin ingewijd worden maakt weerbaar en solidair.

III Conclusies en homiletische voorstellen

Het vermogen om te zien

In het derde hoofddeel van deze studie ontwikkelt ons onderzoek zich in twee richtingen. Allereerst presenteren we daarin ons centrale concept. De gefundeerde theoriebenadering stimuleert onderzoekers om de verschillende processen die in het bestudeerde fenomeen ontdekt zijn, te integreren tot een centraal concept. Daarnaast bevat dit derde deel een derde (beperkte) cyclus van empirische analyse. Een vraag die voortdurend in ons onderzoek heeft gespeeld, is de vraag of het profetische een generieke eigenschap is van prediking of dat het een incidenteel moment is in deze praktijk. De beantwoording hiervan vraagt aanvullend en andersoortig onderzoek. Om daarmee een begin te maken, hebben we In het derde deel van deze studie het centrale concept bestudeerd in reguliere en lokale praktijken van prediking in de Nederlandse context. We laten zien hoe in verschillende contexten en in verschillende vormen van prediking de essentie van het profetische in reguliere praktijken van prediking resoneert.

Het centrale concept dat we ontwikkeld hebben is het concept Making See. In onze reconstructie is het theologische en homiletische proces dat gebeurt in de profetische dimensie van prediking het proces van zien. Dit concept komt allereerst op uit onze data. Op de beslissende momenten in ons onderzoek duikt steeds een aspect van dit begrip zien op. 1 In het profetische gaat het erom dat destructiva zichtbaar worden gemaakt, en het zichtbaar maken van deze vaak verborgen beschadigende krachten heeft een interrumperend karakter. Zichtbaar maken is een vorm van zien. 2 In het profetische gaat het om inzicht, om illuminatieve momenten waardoor een geestelijke en theologische kwalificatie kan gebeuren van wat gaande is in een context. Inzicht is een vorm van zien. 3 In het profetische gaat het om visie en om visioen. In het profetische moment komt een visionaire kracht vrij die een bevrijdend effect heeft in het heden. Die visionaire kracht is ook een drijvende kracht in andere praktijken van de kerk. In de eucharistie, maar ook in diakonale presentie, bijvoorbeeld, gaat een bepaald visioen schuil en deelname aan deze praktijken kan betekenen dat men deel krijgt aan het impliciete visioen ervan. In de initiatie, tenslotte, krijgen hoorders in hun eigen concrete leven van navolging, deel aan die visionaire kracht. Ook visie/visioen zijn vormen van zien.

Naast dat het centrale concept opkomt uit de data, is het ook breder toepasbaar: In het exegetische proces zijn momenten van zien cruciaal voor prediking, homiletiek überhaupt kan geïnterpreteerd worden als een discours dat gaat over zien, en daarnaast stimuleert en faciliteert het concept een vruchtbare relatie met kunst, literatuur en politiek: Ook daar is de taal van zichtbaar maken, inzicht overdragen en van het visioen, herkenbaar en bruikbaar.

Hoofdstuk 8 bevat ons uiteindelijke homiletisch ontwerp. Aan de hand van het begrip Making See ontwikkelen we vijf aspecten van zien en in die vijf karakteriseringen gebeurt de definitieve beantwoording van onze onderzoeksvraag. Tegelijkertijd illustreren we hoe die vijf beschrijvingen resoneren in lokale, reguliere praktijken van prediking.

In de epiloog bespreken we twee laatste onderzoeksresultaten. Hierin beschrijven we, onder andere met behulp van Karl Rahner’s essay over Urworte, het profetische moment als een specifieke interactie tussen het illuminatieve en het inductieve. Ons onderzoek suggereert dat ook in het epifanische, inductieve factoren vanuit de werkelijkheid van de prediker, de gemeente en/of de context, een beslissende rol hebben. Profetie is een gave, maar er zijn factoren waardoorheen deze gave zich manifesteert. In de epiloog beschrijven we van dergelijke inductieve factoren die opkomen uit ons onderzoek en die in onze reconstructie een formatieve rol spelen in de wording van het profetische moment in prediking. Deze inductieve factoren spelen ook een rol in het discours over het onderscheiden van het profetische. Ook dat is een vraag die ons hele onderzoek een rol heeft gespeeld: Zijn er contemporaine criteria voorhanden om onderscheid te kunnen maken tussen authentiek profetisch spreken en niet-authentieke of niet-geloofwaardige expressies daarvan. Aan de hand van onze onderzoeksresultaten ontwikkelen we drie tentatieve patronen die behulpzaam kunnen zijn in het beantwoorden van deze, historisch en theologische, uiterst complexe vraag.