Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Niet preken bij Defensie

Bijdrage aan de studiemiddag ter gelegenheid van de presentatie van het boek van Gerrit Immink ‘Over God Gesproken; preken in theorie en praktijk’. Op PreekWijzer kun je gratis twee gedeeltes uit dit boek lezen: De preek als performance en Van uitleg naar vertolking

Zie ook

Een paar weken terug stond ik op zondagmorgen in de open lucht. Op een Duitse hei voor 120 militairen, die na een week door het bos rennen en schieten wel toe waren aan een momentje met koffie en cake, een moment rust en bezinning, neergeploft op een aarden wal als tribune. Geen toga, geen kansel, geen microfoon, geen kerk, geen kerkgangers. Mijn liturgische tafel de opengeklapte laadruimte van een terreinwagen met daarop kaarsjes en een grote speaker, mijn muziek Dire- Straits, Beyoncé, Di-RECT, Michael Prins. Zo worden tijdens lange oefeningen, vaarperioden en buitenlandse missies wekelijks diensten gehouden door mij en ruim honderd collega-dominees, aalmoezeniers en humanistisch raadslieden bij Defensie. En ja, ik ben dominee, dus lees ik een stukje uit de Bijbel en zeg daar 5 minuten iets bij.

Sta ik daar dan te preken? Met dat woord alleen al moet ik niet aankomen. Geen gepreek. Op de hand-out staat het aangekondigd als mijmering. Dat zegt iets over de gevoeligheid van onze tijd voor de arrogantie van religieuze tradities en de behoefte aan innerlijke ruimte, die blijkbaar kwetsbaar is. Voor de militairen mag het geen preek heten. Mag het dat voor Immink wel zijn? Ik heb niet het hele boek kunnen lezen, alleen hoofdstuk 3, maar het viel me op hoe daar constant sprake is van een binnenkerkelijke context. Het gaat over kerkgangers, gelovigen, zondagse eredienst, kansel. De hoorders zijn bijna vanzelfsprekend aanwezig. Is het nog een preek als dat allemaal niet zo is? Bestaat er buitenkerkelijk ook een preek?

Wellicht moet daarvoor de titel van het boek scherper: ‘Over God gesproken’ als voltooid deelwoord lijkt mij iets van het kerkelijk verleden. Er wordt in mijn context niet over God gesproken. God is geen gespreksonderwerp. En dat niet alleen: God is gewoonweg buiten beeld. Zeker de 20’ers en 30’ers leven in een levensbeschouwelijk vacuüm. Het waagstuk van de prediking, wat ik doe, is ‘God ter sprake brengen’. En dat doe ik dan met zweet in mijn handen en klotsende oksels. Want ik wandel daarmee op het randje van belachelijkheid. Elke keer dat ik het woord ‘God’ alleen al in de mond neem, proef ik de vreemdheid daarvan, de hoogspanning waaronder dat woord staat. Preken bij Defensie voelt als publiek uit de kast komen. Als gelovige. Er is geen kerkenraad als back-up, geen afstand, geen vaste patronen, geen stilering, geen toga of ambtstheologie om achter weg te schuilen. Ik sta daar in hetzelfde uniform als zij, gewoon op hun werkvloer, als Teun, en breng God ter sprake.

Ik maak die spanning vaak zelf aan het begin van de dienst expliciet. Als disclaimer. Dan zeg ik bijvoorbeeld: ‘Dit is een moment van rust en bezinning. Ik ben dominee, protestants christelijk, en dat is in deze dienst te merken: ik lees een stukje uit de Bijbel, vertel iets over God, bid een Onze Vader. Laat je daardoor niet afschrikken: volgens mij heeft niemand iets aan vage lulkoek, maar meer aan een duidelijk verhaal waar je het mee eens of lekker mee oneens kunt zijn. Voor dat laatste sta ik ook open.’

Wat mij betreft schrijft Immink daarover zeer waardevolle dingen op pagina 129, waar het gaat over de kunst van het overtuigen. Hij neemt daar van Rolf Zerfass een onderscheid over tussen instrumentele en kritische retorica. Je hoeft je er niet voor te schamen dat je mensen ergens van wil overtuigen, maar als voorganger heb je óók de verantwoordelijkheid om een machtsvrije ruimte te creëren waarin ontmoeting plaats kan vinden in plaats van manipulatie. Vertaald in militaire taal: Hoe graag ik ook sommige dingen bij mensen in de botte hersens zou stampen of door de strot zou

drukken. Dat moet je niet doen. Spraak is niet alleen maar instrument, een willekeurig medium voor een willekeurig doel, maar in zichzelf al en centrale voorwaarde voor menselijk geluk en sociaal overleven. Dit herken ik erg. Er is een verschil tussen wat je wil zeggen en wat je kan zeggen. En die Selbstbeschränkung moet je blijven voelen. Je moet dus niet je theologie afzwakken door de context. Daarom blijft het formuleren van een goede Focus en Function niet alleen een ambachtelijk of strategisch instrument, maar een zelfkritisch proces. Dat is als het goed is een innerlijk spiritueel gevecht, waar je bij elk preekvoorbereidingsproces doorheen moet, maar waarin de ruimte van de hoorder verankerd ligt.

Tot slot: dit is geen pleidooi voor preken met meel in de mond. Zondags zit ik tegenwoordig meestal gewoon als hoorder in de kerkbank. De meeste preken die ik hoor zijn gewoon te wollig, te moeilijk, te abstract, te vaag ook. Duf en saai gedoe. Immink citeert op pagina 122 uit Vinet: ‘Het zijn de Hoorders die ons inspireren, en als er niet aan deze voorwaarde voldaan is, kan men diep en welgevallig zijn, maar welsprekend is men niet. Durf God ter sprake te brengen. Dan staat er iets op het spel. Dat voel jij, dat voelt de hoorder.