Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Omgang met de Bijbeltekst in de preek

Een empirisch homiletisch onderzoek

Samenvatting van de handelseditie van het academisch proefschrift ‘Omgang met de Bijbeltekst in de preek. Een empirisch homiletisch onderzoek’. Pieter Boonstra promoveerde middels deze studie op 6 oktober 2016 aan de Protestantse Theologische Universiteit.

In deze studie staat de vraag centraal hoe de predikant omgaat met de Bijbeltekst in de preek. Van oudsher wordt deze omgang omschreven als een tweevoudige activiteit van: uitleggen en toepassen. De vraag is echter of hiermee de feitelijke praktijk wel voldoende in beeld komt. Want wat is precies de rol van het uitleggen van de Bijbeltekst? En wat gebeurt er naast dit uitleggen nog meer wat te maken heeft met de Bijbeltekst? Doel van dit onderzoek is dan ook om in beeld te krijgen wat een predikant daadwerkelijk doet met de Bijbeltekst in de preek. Dit vraagt een praktijk georiënteerde benadering die begint bij preken die in de praktijk gehouden zijn. Gekozen is om voor deze benadering gebruik te maken van de zogenaamde ‘Grounded Theory Method’. Met behulp van deze methode is een theorie ontwikkeld die antwoord geeft op de onderzoeksvraag.

In hoofdstuk 2 vindt een eerste verkenning plaats van de homiletische literatuur. Homileten hebben nagedacht over de vraag hoe predikanten in de preek werken met Bijbelteksten. Er is voor gekozen om significante verschillen in opvattingen te beschrijven. Vanuit deze invalshoek blijkt er binnen de homiletiek sprake te zijn van een ontwikkeling. Als eerste wordt de theorie van Augustinus en Calvijn beschreven. In hun theorie geven ze aan dat predikanten de Bijbeltekst moeten uitleggen, maar dat dat niet alles is. Preken is meer dan uitleggen alleen. Lange tijd is deze theorie min of meer gemeengoed in de homiletiek. Echt fundamentele wijzigingen in de visie op de omgang met de Bijbeltekst vinden plaats in de moderne homiletiek vanaf 1960. Opvallend is dat zowel in het Engelse als het Duitse taalveld deze wijzigingen ongeveer parallel lopen. De eerste verandering wordt beschreven aan de hand van Lange en Craddock. In hun theorie is een verschuiving waar te nemen ván de Bijbeltekst náár de hoorders. Naast het uitleggen van de tekst krijgt het rekenen met de hoorders en hun situatie een even zo groot gewicht. Een volgende significante verandering is de opvatting waarin de nadruk komt te liggen op de structuur van de Bijbeltekst (Theiβen en Long). Aandacht voor de gestructureerde tekst heeft er namelijk voor gezorgd dat er oog gekomen is voor “the meaning potential of texts”. De tekst heeft niet slechts één scopus of boodschap, maar heeft meerdere mogelijkheden tot re-actualisering in zich. De laatste significante verandering is de theorie waarin het werken met de Bijbeltekst omschreven als het opvoeren van de tekst (Childers en Nicol). Binnen deze opvatting gaat het erom wat de tekst bij de hoorders teweeg brengt. Hoewel al deze opvattingen duidelijk van elkaar verschillen, blijkt een duidelijke overeenkomst te zijn dat in al deze theorieën wordt uitgegaan van twee dimensies of polen: een tekst en een nieuwe context. Het is de taak van de predikant om deze twee dimensies in de preek samen te brengen. De verschillen in de beschreven theorieën hebben te maken met hoe de rol van de predikant gezien wordt om dit samenbrengen te realiseren.

Hoofdstuk 3 maakt de overgang naar de hermeneutische literatuur. De reden hiervoor is dat homileten niet in het luchtledige hun theorie formuleren. Impliciet of expliciet sluiten ze aan bij in hun tijd gangbare en voor hen plausibele theorieën ten aanzien het uitleggen en lezen van teksten in een nieuwe context. Het hoofdstuk beschrijft de vier hermeneutische theorieën van Augustinus, Gadamer, Ricoeur en Derrida. Telkens wordt geprobeerd om de betreffende theorie samen te vatten in één woord waardoor inzichtelijk wordt hoe de verhouding gezien moet worden tussen aan de ene kant de tekst en aan de andere kant de context van de lezer. Volgens Augustinus is er sprake van een verwerkelijken van datgene wat de tekst zegt in de nieuwe context. Gadamer beschrijft de verhouding met het woord versmelten. Terwijl Ricoeur spreekt van het invoegen (interpolate) van een tekst in een nieuwe context. Derrida geeft aan dat het allemaal veel ingewikkelder is. Het enige wat volgens hem mogelijk is, is een tekst in een nieuwe context te citeren waardoor er iets gebeurt wat niet voorspelbaar en beheersbaar is. Aan het einde van dit hoofdstuk kan de conclusie getrokken worden dat de beschrijving van de verschillende homiletische en hermeneutische theorieën twee ‘sensitizing concepts’ opleveren. Met behulp van de twee begrippen ‘tekst’ en ‘nieuwe context’ zal het empirische materiaal nauwkeurig bekeken en geanalyseerd worden.

In hoofdstuk 4 wordt verantwoording afgelegd van het gebruik van de ‘Grounded Theory Method’. Dit is nodig omdat de drie kernbegrippen van GTM, namelijk ‘gefundeerd’, ‘theorie’ en ‘methode’ onder vuur liggen. Tegen de kritiek dat er bij GTM geen sprake is van een gefundeerde gevolgtrekking wordt ingebracht dat het model van ‘inference to the best explanation’ aanknopingspunten biedt. Wan¬neer GTM namelijk wordt opgevat als een variant op ‘inference to the best explanation’ kan met recht gesproken worden van zowel ‘gefundeerd’ als ‘theorie’. Echter, zoals bij elk empirisch onderzoek het geval is, moet wel benadrukt worden dat deze theorie altijd iets voorlopigs heeft vanwege de inbreng van de onderzoeker die zich in een bepaalde context bevindt. Ten slotte wordt de stelling verdedigd dat GTM als methode weldegelijk dienst kan doen om binnen de grenzen, valkuilen en gevaren die in de wetenschapsleer genoemd worden, de onderzoeker te helpen in zijn of haar zoektocht naar een theorie die de beste verklaring biedt voor datgene wat nauwkeurige observatie te zien heeft gegeven in het materiaal. Het hoofdstuk sluit af met een beschrijving van hoe GTM in dit onderzoek gebruikt is. Achtereenvolgens wordt stilgestaan bij: het verzamelen van het materiaal, het coderen en het classificeren van de codes waardoor patronen zichtbaar werden en in waarnemingsuitspraken geformuleerd konden worden, de theorievorming op basis van deze waarnemingsuitspraken en het gebruik van de literatuur tijdens het onderzoek. Uit de concrete preken is naar voren gekomen dat vier fenomenen de pijlers vormen van een theorie die antwoord geeft op de vraag wat de predikant daadwerkelijk doet met de Bijbeltekst in de hedendaagse context.

In hoofdstuk 5 wordt het eerste fenomeen beschreven en verantwoord, namelijk: gelovig perspectiveren. Gelovig perspectiveren heeft te maken met het feit dat de Bijbeltekst die in een preek centraal staat wordt bekeken vanuit het grotere geheel van de Bijbel, het ‘tota Scriptura’. In de preken is dit zichtbaar wanneer de predikant andere Bijbelplaat¬sen citeert en inbrengt die daarmee een bepaald licht werpen op de centrale Bijbeltekst. Daarnaast speelt bij dit perspectiveren ook de ‘regula fideï’ een rol. Dit is in de preken aanwijsbaar wanneer verschillende thema’s aan de orde komen die in de geloofsleer omschreven zijn. Met andere woorden: gelovig perspectiveren wijst op het feit dat de Bijbeltekst gelezen en bekeken wordt in het licht van het feit dat de Bijbel reeds in zijn geheel gelezen en op een bepaalde manier begrepen is. Het gebruikte perspectief in de preek is niet dwingend, omdat er meerdere perspectieven mogelijk zijn. Om richting de hoorders te verantwoorden dat de Bijbeltekst vanuit het gebruikte perspectief bekeken kan worden, is voor het presenteren van de resultaten van de exegese een belangrijke rol weggelegd. Toch kan de exegese niet de vraag beantwoorden waarom de Bijbeltekst juist vanuit dit perspectief bekeken wordt. De andere fenomenen spelen hierbij namelijk ook een rol.

In hoofdstuk 6 wordt het fenomeen van het kenschetsen van de hedendaagse context beschreven en verantwoord. Predikanten brengen feiten, gebeurtenissen, situaties, gedragingen, ontwikkelingen uit de algemene of concrete context van de hoorders in de preek ter sprake. Maar dat gebeurt niet waardevrij; er komt altijd een bepaalde duiding in mee. Het gaat bij dit kenschetsen dan ook om een bepaalde typering of duiding van de hedendaagse context die de hoorders voor ogen wordt gesteld. Vanuit concrete preken blijkt er tussen twee soorten van kenschetsingen onderscheiden te kunnen worden. Er is namelijk een verschil te zien tussen kenschetsingen die fungeren als illustratie bij het perspectiveren of contemporiseren (zie onder) èn kenschetsingen die dienen als klankbord voor het perspectiveren van de tekst. Het belang van de eerste soort kenschetsingen is verduidelijking. Het belang van de tweede soort is dat er een dialogische situatie wordt gecreëerd die als klankbord fungeert om datgene wat de Bijbeltekst bedoelt te zeggen duidelijker naar voren te doen komen. Met als gevolg dat de hoorders zich zodanig vanuit de Bijbeltekst aangesproken weten dat ze beseffen dat het hen aangaat en het zich daarom eigen maken. Hierbij is dan nog een derde fenomeen beslissend.

Dit derde fenomeen wordt beschreven en verantwoord in hoofdstuk 7 en wordt aangeduid met: contemporiseren. Dit contemporiseren heeft te maken met het feit dat het bij Bijbeltekst en hedendaagse context gaat om twee grootheden die door de tijd van elkaar gescheiden zijn. Bij het contemporiseren in de preek gaat de predikant er vanuit dat de afstand in tijd tussen de Bijbeltekst en de hoorders op één of andere manier wegvalt, waardoor er sprake kan zijn van een analogie of identificatie. De afstand-in-tijd als zodanig betekent niet dat zo’n analogie of identificatie onmogelijk zou zijn. Het belang van het contemporiseren in de preek ligt in het feit dat identificatie bewerkt wordt en dat het de predikant hierdoor in staat stelt om een gerichte aanspraak te formuleren vanuit de Bijbeltekst richting de hoorders in de hedendaagse context. Dit moet echter niet los gezien worden van het perspectiveren van de tekst. Immers, bij het perspectiveren wordt de Bijbeltekst bekeken vanuit het grotere geheel. Contemporiseren betekent vervolgens dat de hoorders en hun context in dit grotere geheel worden ingevoegd. Dit stelt de predikant in staat om van hieruit zijn hoorders gericht aan te spreken.

Het fenomeen van de gerichte aanspraak, dat beschreven en verantwoord wordt in hoofdstuk 8, is de toespitsing waar de predikant in de preek naar toewerkt. Deze aanspraak gebeurt met een bepaalde intentie en is te zien als eindpunt van de beweging van de preek. De (reformatorische) preek die zijn beginpunt vindt in een Bijbeltekst wordt uitgesproken te midden van een nieuwe context. Door middel van perspectiveren, kenschetsen en contemporiseren is de predikant erop uit om te komen tot een aanspraak richting de hoorders vanuit deze tekst in hun context. Het is mogelijk om verschillende toespitsingen vanuit dezelfde tekst in de preek richting de hoorders te maken, afhankelijk van perspectief, kenschetsing en contemporisatie. De gerichte aanspraak die uiteindelijk in de preek te horen is, is te zien als boodschap of appèl op dat moment. Het gaat dan om een aansporing, bemoediging, een in herinnering roepen of een proclamatie. De drie fenomenen samen legitimeren deze boodschap welke de predikant in de preek op basis van déze Bijbeltekst in déze hedendaagse context richting zijn hoorders laat horen. Het is ook in dit licht dat de beweging van de preek bezien moet worden.

In hoofdstuk 9 wordt de uitkomst van het onderzoek geëvalueerd door de vraag te stellen in hoeverre deze ons verder brengt in verschillende probleemvelden die in de homiletiek omschreven zijn. Bij het omschrijven van deze probleemvelden wordt expliciet gebruikgemaakt van hetgeen door David Buttrick naar voren is gebracht. Op basis van empirisch onderzoek presenteert hij in zijn Homiletic een nauwkeurige omschrijving van datgene wat de predikant in de preek doet. Vandaaruit wijst hij de weg in verschillende probleemvelden met het oog op de preekpraktijk.

Het eerste probleemveld dat aan de orde komt is dat van autoriteit. In de reformatorische traditie wordt het punt van gezag en autoriteit van de preek verbonden met de Bijbeltekst vanwege de overtuiging dat God zelf in de Bijbel tot ons spreekt. Wanneer de predikant zich in de preek toelegt op het uitleggen van de Bijbeltekst lijkt daarmee het probleem van de autoriteit niet aan de orde te zijn. Toch blijkt het in werkelijkheid vele malen complexer te liggen. Immers, uit dit onderzoek is duidelijk geworden dat uitleggen van de Bijbeltekst verbonden is met het perspectief van waaruit naar de Bijbeltekst gekeken wordt. Exegese moet duidelijk maken of dit perspectief legitiem is of niet.

Daarbij is uit de concrete preken naar voren gekomen dat er een relatie bestaat tussen het perspectiveren van de tekst en het kenschetsen van de context. Hiermee wordt de predikant voor het probleemveld van relevantie geplaatst. Aan de ene kant moet de predikant waken voor een positivistische opvatting waarbij hij niet rekent met de werkelijkheid van de hoorders vanuit de veronderstelling dat het enkel verwijzen naar de Bijbeltekst voldoende is als het gaat om relevantie. Aan de andere kant ligt het gevaar van reductionisme op de loer, namelijk dat de werkelijkheid van de hoorders zozeer bepalend is dat het normerend wordt en de predikant reduceert in datgene wat hij vanuit de tekst en de werkelijkheid van God kan zeggen. Vanuit de resultaten van dit onderzoek kan gewezen worden op het belang om de interactie tussen perspectief en kenschetsing te zien als een ‘vraag-structuur’. Dit houdt in dat de kenschetsing het perspectief bevraagt op het punt van de noodzaak en het belang om de Bijbeltekst in het hier en nu te bezien vanuit dit perspectief. Daarnaast bevraagt het perspectief de kenschetsing op haar juistheid en houdbaarheid in het licht van de tekst.

Een predikant die wil vasthouden aan de autoriteit van de Bijbel wordt, naast het probleem van relevantie, ook geplaatst voor het probleemveld van heilsgeschiedenis. De predikant zal zijn preek kritisch moeten bekijken of hij daarin op een juiste manier parallellen trekt naar de hedendaagse context, die recht doet aan de uniciteit van de tekst in heilshistorisch perspectief. Dit is niet alleen van belang als het gaat om het respecteren van de autoriteit van de Bijbel, maar ook als het gaat om het toekennen van autoriteit van hetgeen in de preek gezegd wordt en de hoorders concreet wordt voorgehouden. Het is juist dit heilshistorische perspectief dat de tekst openbreekt omdat er sprake is van continuïteit: met het oog op het heil van mensen is God nog steeds werkzaam. Rekening houdend met deze actieve werkzaamheid van God kan er sprake zijn van contemporisering tussen tekst en hedendaagse context.

Het laatste probleemveld van spannende beweging in de preek heeft niet zozeer te maken met het feit dat in preken de beweging ontbreekt – elke preek loopt van begin naar eind – als wel met het feit dat er geen sprake is van spanning en een spannende beweging ontbreekt. Het fenomeen van de gerichte aanspraak geeft de predikant bouwstenen in handen om te kunnen omgaan met het probleem van de spannende beweging in de preek. Een eerste bouwsteen is dat de gerichte aanspraak een focus geeft voor de opbouw van de preek in de vorm van een clou of climax. Deze focus kan ervoor zorgen dat in de preek zoveel mogelijk ruis kan worden weg gefilterd. Een tweede bouwsteen betreft de interactie tussen de andere fenomenen naar de aanspraak toe. Juist de interactie tussen de fenomenen biedt hier mogelijkheden voor een spannende beweging. De derde bouwsteen betreft de compositie van de preek. Voor de spannende beweging is het belangrijk dat de predikant met zorg één van de fenomenen (perspectiveren, kenschetsen of contemporiseren) uitkiest als dominant welke hij vervolgens met behulp van de andere fenomenen bevraagt en tegen het licht houdt. Het fenomeen van de gerichte aanspraak helpt de predikant dan om de preek zodanig te componeren dat er sprake is van een zekere samenhang en eenheid.

Nemen we alle probleemvelden die in dit hoofdstuk behandeld worden samen, dan zou gesteld kunnen worden dat er sprake is van een spannende beweging in de preek als de predikant erin slaagt toe te kunnen werken naar een gezaghebbende aanspraak die in continuïteit met de tekst relevant blijkt te zijn.

(Vet en cursivering: red. PreekWijzer)