Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Pasen: inzien wie God is

Bij Exodus 14,9-14, Psalmen 118,15-24, Kolossenzen 3,1-4 en Johannes 20,1-18

Herkennen en erkennen

Herkennen en erkennen wie God is, dat is het thema vandaag. Zowel de auteur van Exodus als Johannes laten zien hoe dit thema tot volle scherpte komt waar mensen zich afvragen of dit nu het einde is. Of vanuit de wereldmachten gezien: waar deze denken dat ze eens en voorgoed hun heerschappij gevestigd hebben, komt de vraag naar de erkenning van God op.

Volk Israël

Het volk lijkt reddeloos verloren. Het zit tussen twee vuren: aan de ene kant de zee, aan de andere kant het Egyptische leger. Nochtans heeft Mozes het bewust naar deze situatie toe geloodst. Volgens het verhaal is het een strategische zet van God, om Farao in de val te lokken: God zal het leger verpletterend verslaan en de Egyptenaren zullen erkennen dat God JHWH is. De eerste lezing van vandaag is zo ingebed in het thema van de erkenning van God (Exodus 14,4.18). God wil zowel de Egyptenaren als het volk laten inzien dat er geen God is als JHWH (Exodus 7,5.17; Exodus 8,18; Exodus 9,14; Exodus 10,2; Exodus 14,4.18; Exodus 16,6.12; Exodus 29,46). In het roepingsverhaal van Mozes wordt deze Godsnaam geduid als ‘Ik zal er zijn’, een echo van Gods belofte ‘Ik zal bij jou zijn’ wanneer Mozes het volk uit Egypte leidt (Exodus 3,12-14). Bevrijding zal er slechts zijn als zowel Egypte als het volk erkennen wie God is.

Zie de bevrijding van JHWH

Maar zo vlot loopt het niet. Eerder in het verhaal was al aangegeven dat het volk mogelijk spijt zou krijgen als het zou moeten vechten, en terug zou willen naar Egypte (Exodus 13,17). In eerste instantie reageren mensen vooral bang bij de aanblik van de vijand. Ze blijven zich wel richten tot hun God, maar keren zich tegen diens woordvoerder: een dubbelzinnige houding. Ze doen een beroep op Gods eerdere belofte van bijstand, maar hun woorden verraden hoe weinig vertrouwen ze hebben in de goede afloop. Ze reageren alsof hun ondergang al vaststaat, alsof Mozes hen uit Egypte heeft geleid om in de woestijn te sterven.

De reactie van Mozes is bemoedigend. De tekst speelt met het woord ‘zien’. De Egyptenaren die ze nu zien, zullen ze nooit meer zien. Op zich is dit geen geruststelling. Dat zou ook waar zijn als ze daar ter plekke sterven. Maar de vraag is wat ze zien als ze naar de Egyptenaren kijken: de macht van wapens en ruiterij (Exodus 14,10), of de mogelijkheid van Gods bevrijding? Vreest niet, zie de bevrijding van JHWH, moedigt Mozes aan (Exodus 14,13).

Ik heb de Heer gezien!

‘Zien’ is tevens een sleutelwoord in Johannes 20,1-18. Maar wat ‘ziet’ men als men ziet? Een weggerolde steen is voor Maria Magdalena signaal dat het lichaam van haar Heer niet meer in het graf ligt (Exodus 20,1). Onduidelijk blijft wat het zien van de doeken waarin het lichaam gewikkeld was voor Simon Petrus betekent. De andere leerling komt bij het zien tot geloof (Exodus 20,8). Maria Magdalena ziet twee engelen, maar hun aanwezigheid schijnt haar niet te verbazen. Ze ziet ook Jezus, maar denkt dat Hij de tuinman is. Doorheen heel het hoofdstuk lijkt het zien niet echt tot inzicht te leiden. Voor de johanneïsche gemeenschap is niet het zien de kern van het christen-zijn. Klemtoon ligt op de verbondenheid onderling en met de Verrezene en zo met God. Zo is het opgetogen ‘Ik heb de Heer gezien!’ een getuigenis aan een geloofsgemeenschap, die aansluit bij een zending die ze krijgt van de Verrezene. Deze stuurt haar met een boodschap waarin beklemtoond wordt dat Jezus’ Vader ook hun Vader is, Jezus’ God ook hun God (Exodus 20,17-18).

De verworpen steen als hoeksteen

Psalmen 118 bezingt Gods trouw en overwinning. In diepe nood ervaart de psalmist hoe God redding brengt. Hierbij gebruikt hij het mooie beeld van de door de bouwers afgekeurde steen die de hoeksteen wordt (Psalmen 118,22), dat aangeeft hoe het geloof in JHWH haaks staat op wat mensen verwachten. In de wereldse logica vertrouwt men op mannen met macht (Psalmen 118,9) en gaat men ervan uit dat wie paarden, ruiters en een groot leger kan bevelen, overwint (Exodus 14). Een God die slaven wil bevrijden is daarin niet vanzelfsprekend. Maar juist in het dieptepunt, als ze als ratten in de val zitten, laat God ten gronde zien wie Hij is: JHWH.

Na de vernederende kruisdood tonen de evangelisten hoe Jezus’ volgelingen hiermee worstelen. Is deze dood het einde? Betekent dit dat Jezus’ boodschap en leven onbetrouwbaar zijn? Geleidelijk groeit de overtuiging dat God trouw is over de dood heen. Johannes laat zien hoe de leerlingen trouw blijven aan hun geliefde leraar. Zijn verrijzenis lijken ze echter niet te verwachten. Verhalenderwijs laat de evangelist zien hoe het geloof in de verrijzenis en de belangrijke plaats van Jezus in christelijke gemeenschappen een groeiend proces vormen, waarbij trouw, aan hun leraar en aan elkaar, een belangrijke rol inneemt.

Trouw aan hun leraar en aan elkaar

De trouw aan Jezus blijkt uit de bezorgdheid om wat er met het lichaam is gebeurd. Tot driemaal toe drukt Maria dit uit: als enige leerling bij het graf gebleven uit ze tweemaal haar onwetendheid betreffende de ligplaats van het lichaam (Johannes 20,2.13) en vraagt ze eenmaal waar de tuinman het lichaam heeft gelegd, zodat ze het kan meenemen (Johannes 20,15). Haar onwetendheid brengt haar in tranen (Johannes 20,11.13.15). Ook de andere leerlingen reageren prompt op haar nieuws dat het lichaam weg is. Hoewel de geliefde leerling tot geloof komt, suggereert de zin dat ze nog niet hadden begrepen dat Jezus moest opstaan (Johannes 20,9), dat dit een geleidelijk proces is.

Maria’s verbondenheid met de anderen blijkt uit het feit dat ze na haar ontmoeting met de Verrezene dadelijk de anderen op de hoogte brengt van haar blijde boodschap. In deze boodschap drukt zij dit thema uit dat in heel het evangelie aanwezig is: de verbondenheid tussen de leerlingen en Jezus, en Jezus en zijn Vader, waardoor ook de leerlingen nauw verbonden worden met de Vader (Johannes 20,17).