Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Exodus 7:8-25

Zondag (Laetare, vierde zondag van de Veertigdagentijd

Schriftlezing: Exodus 7: 8-25

Het eigene van Zondag Laetare

De vierde zondag in de Veertigdagentijd heeft een eigen plaats tussen de donkere zondagen. Voordat we de donkere weg naar Pasen gaan is er even een lichter moment. ‘Verheug U, Jeruzalem’ zingt de klassieke introïtus. In het klassieke leesrooster werd de geschiedenis van de broodvermenigvuldiging als evangelielezing aangegeven. Het nieuwere Oecumenisch leesrooster kiest voor Johannes 9 waar Jezus zich als het Licht der wereld presenteert (vers 5).
Bij de lezing van het boek Exodus komen we bij het moment waarop God in beweging gaat komen. Het effect is spectaculair. Evenals in Johannes 9 (vers 3) draait alles er om dat Gods werk zichtbaar wordt. In beide bijbelgedeelten staat de legitimatiekwestie centraal: ‘Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt’ (Johannes 9: 29).

Aanwijzingen voor de exegese van Exodus 7: 8-25

Om te beginnen met een tip: De komende weken gaan de Exoduslezingen over verschillende van de tien plagen. Het is aan te bevelen te beginnen met het lezen van Exodus 7: 8-12: 36. Niet alleen om de spanningsboog van de komende weken in beeld te hebben, maar ook om in commentaren het algemene gedeelte over de tien plagen te kunnen plaatsen. De eerste preek geeft de gelegenheid om in een inleiding of terloops tijdens de preek wat algemene aspecten van de plagen te belichten.

God laat zichzelf zien in het staf-wonder en in de plagen. Hij legitimeert zijn gezant, vernedert de Egyptische goden (12: 12, Num. 33: 4) toont Hij wereldwijd zijn glorie (9: 16) en dwingt in een verbeten strijd zijn volk te laten gaan, zijn eerstgeborene, waar Hij recht op heeft en niet de farao (4: 22,23).
Door deze verbeten strijd te voeren brengt Hij de farao er toe om te volharden in zijn koppige weigering. Zelfs toen hij ze had laten gaan kreeg hij spijt en probeerde ze terug te halen.

Enkele problemen bij de plagen (Schmidt):

• het geweld dat in de naam van de HEER plaats vindt (Schmidt wijst er in dit verband op dat het een reactie is op het geweld van de farao (hoofdstuk 1), dat de farao niet bereid 27 wat het te verminderen, maar juist verergerde, en dat aan de eerste plaag nog de ontmoeting van 7: 10-13 voorafging)

• de verharding van de farao door God: had de farao wel een vrije wil en is het wel eerlijk dat hij gestraft wordt? (enerzijds bijt de farao zich vast in zijn drang om Israël te onderdrukken en anderzijds is de HEER zelf het die in een felle strijd de farao daartoe brengt; de farao verhardt zich (hoofdstuk 7-9) èn wordt door de HEER verhard (hoofdstuk 9-14).

• het wonderkarakter van de plagen (is dit geschiedschrijving in onze zin van het woord?)

• de complexe overleveringsgeschiedenis (Schmidt (BKAT) en andere commentatoren besteden veel aandacht aan de verschillende bronnen (J,E,P) met ieder hun eigen lijstje van plagen, uiteindelijk samengebracht in een definitieve reactie; ook Psalm 78 zou er op kunnen wijzen dat er verschillende lijstjes bestaan hebben)

Over de opbouw van de plagen: veel commentaren wijzen er op dat er in de eerste negen plagen drie cycli van drie zijn waarvan steeds de eerste aangekondigd wordt aan de Nijl, de tweede in het paleis en de derde helemaal niet. Ook wordt een structuur opgemerkt van vijf keer twee verwante plagen (water en kikkers (uit de Nijl!), muggen en steekvliegen enz.). Tegelijk zijn er allerlei ontwikkelingen en de worsteling tussen de HEER en Farao te zien die zich niet in een schema laten dwingen.

Voor de preken van deze en de komende zondagen is het van belang na te denken over de betekenis van de tien plagen voor Christus. We gedenken deze weken hoe Hij onder zware plagen gebukt ging. Daarbij valt de overeenkomst op tussen de tiende plaag in Egypte en het sterven van Christus: de dood van de Eerstgeborene.
In de plagen laat God zijn straffende hand zien. Hij belooft de Israëlieten dat geen van de plagen uit Egypte hen zullen treffen, mits ze zijn geboden en wetten gehoorzamen (Exodus 15: 26). En als ze dat niet doen… In Openbaring 16 wordt het laatste oordeel getekend als het uitgieten van zeven schalen die vol zijn van verwijzingen naar de Egyptische plagen. Christus ging naar Jeruzalem om alles wat door de profeten gesproken was te volbrengen (Lucas 18: 31). Hier zien we God die zijn volk bevrijdt, niet door de plagen op anderen te laten neerkomen, maar door die zelf te dragen. Hier wordt alles omgekeerd.

De gebeurtenissen bij de eerste ontmoeting legitimeren Mozes en Aäron als vertegenwoordigers van de HEER en tonen de overmacht van de HEER. Al direct is hier sprake van een bloederige strijd. Met een grote slang (vers 9) is mogelijk een krokodil bedoeld. Het is als vertaling van tannin mogelijk. De krokodil is het dier dat in Egypte de macht van farao symboliseert, zoals elders de leeuw (Ezechiël 29:3, 32:2).

De farao interpreteert het wonder met de slang vanuit zijn eigen denkkader en laat zijn magiërs komen om hetzelfde te doen. Het mooie is dat hierdoor gelijk duidelijk wordt wat het verschil is: Aäron gooit alleen zijn staf op de grond, zoals de HEER had opgedragen, de mannen van de farao gaan met hun magie aan de slag. Ze bereiken hetzelfde (vers 11) maar wat ze doen is zichtbaar verschillend. Een tweede verschil blijkt als de staf van Aäron de andere verslindt (Cassuto).

Nauw verbonden met deze ontmoeting komt de eerste plaag. Let op de duidelijke formulering van het doel: de HEER laat zien wie Hij is (vers 17). Hij doet dit bij de Nijl, de levensader van Egypte (irrigatie, visvangst, drink- en waswater), die als God werd beschouwd. Hij gaat (vgl. 12: 12) de confrontatie met de Egyptische goden aan.

Het bloed geeft een dramatische kleur aan deze plaag. Het is een bloederige strijd. Het karakter van de plaag wordt benoemd als het veranderen van water in bloed en het sterven van de vissen. Sommige commentatoren wijzen er op dat het Nijlwater soms rood kan kleuren en ondrinkbaar kan worden. Maar het is de vraag of hier van zo’n betrekkelijk gewoon verschijnsel sprake kan zijn.

Ook nu zetten de magiërs van de farao hun vaardigheden in. In hun blinde ijver om te laten zien dat ze ook kunnen wat Mozes en Aäron kunnen maken ze de ellende voor hun volk alleen maar groter. Eén van de ironische momenten in de plagengeschiedenissen.

Aanwijzingen voor de prediking over Exodus 7: 8-25

‘Daarom –zo zegt de HEER- zal Hij laten zien wie Hij is’ (vers 17) is wel een kerntekst. God laat zichzelf zien in deze en de volgende plagen en hij legitimeert zijn knecht Mozes. Hij geeft de plagen een plaats tussen de twee grote momenten van zelfopenbaring in 3: 14,15 en 20: 2.

Het is de uitdaging om dit concreet vanuit de tekst over te brengen, zonder te verdrinken in de exegetische details: de kunst van het weglaten. Selecteer wat echt belangrijk is en presenteer dat levendig. Wees onder de indruk van Gods strijd voor de bevrijding van zijn volk en breng dat over op de hoorders.

Trek de lijn door naar het nieuwe testament, naar Christus’ strijd voor de bevrijding van zijn mensen, waarbij Johannes 9 enkele mooie aanknopingspunten biedt: vers 3 over Jezus’ zelfpresentatie, vers 29 over zijn legitimatie en vers 39 over het oordeel (de Egyptische plagen hebben een eschatologisch perspectief, Openbaring 16:3-7).

Aanwijzingen voor de liturgie van Zondag Laetare

De klassieke introïtuspsalm is 122. De berijming van het Gereformeerd Kerkboek leent zich bijzonder voor wisselzang. Zie voor de antifoon bij de berijmde psalm NLB 535e.

Als evangelielezing noemt het Oecumenisch leesrooster Johannes 9: 1-39, waarbij vers 14-25 desgewenst overgeslagen kan worden. Lied daarbij: NLB 534 ‘Hij die de blinden weer liet zien’.

NLB 546 is speciaal voor zondag Laetare: ‘Wees blijde nu, in ’t midden van het lijden’.

Zie ook

Preekschets Exodus 3:1-18 – voor de eerste zondag van de Veertigdagentijd.

Preekschets Exodus 4:18-32 – voor de tweede zondag van de Veertigdagentijd

Preekschets Exodus 6:1-9 en 28-7:7 – voor de derde zondag van de Veertigdagentijd

Preekschets Exodus 9:13-35 – voor de vijfde zondag van de Veertigdagentijd

Preekschets Exodus 11 - Palmzondag

Preekschets Exodus 12:27-42 - Goede Vrijdag

Gebruikte literatuur

  • H.J. Boiten, De tien Plagen: Godsgericht over Egyptische goden, Heerenveen: Groen, 2019.

  • Umberto Cassuto, A Commentary on the Book of Exodus, Jerusalem 1987.

  • Brevard S. Childs, The book of Exodus, A Critical, Theological Commentary, Louisville 1974.

  • Frank C. Fensham, Exodus [De Prediking van het Oude Testament] Nijkerk 1984

  • Geelhoed, ‘Laat mijn volk gaan….’ Exodus 5:1,3 in Een sprekend begin, [Afscheidsbundel Ohmann] Kampen 1993 p.35-44.

  • Kees (C.) Houtman, Exodus vertaald en verklaard [Commentaar op het Oude Testament], Kampen 1986-1996.

  • Jonathan Sacks, Exodus boek van de bevrijding [Verbond en dialoog – Joodse lezing van de Tora] Middelburg 2019.

  • Werner H. Schmidt, Exodus [Bibilischer Kommentar zum Alten Testament II] Neukirchen 1988-2019.

Deze tekst is afkomstig uit ‘Een teken van leven. Handreiking voor de Veertigdagentijd, Pasen en paastijd 2020’ van het Steunpunt Liturgie GKV.

De complete handreiking is daar te downloaden, een bijbelleesrooster en uitgewerkte vespers (voor de Stille Week) zijn te koop. Zie www.steunpuntliturgie.gkv.nl.