Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Genesis 18:17-19 - Israëlzondag

Op de Israëlzondag denken we na over de bijzondere plek die het volk Israël heeft gekregen. Eén van de teksten die daarover spreekt is Genesis 18:17-19. Het gaat daar over verkiezing én roeping van Abraham en zijn volk, over voorrechten én plichten.
Ik concentreer me op deze verzen, maar kijk ook kort naar het vervolg van het hoofdstuk.

De tekst (HSV)

A

17

De HEERE zei:

B

 

Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?

C

18

Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden,

D

 

en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.

E

19

Want Ik heb hem uitgekozen,

F

 

opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven

G

 

om de weg van de HEERE in acht te nemen,

H

 

door gerechtigheid en recht te doen,

I

 

opdat de HEERE over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.

וַיהֹוָה אָמָר
הַמְכַסֶּה אֲנִי מֵאַבְרָהָם אֲשֶׁר אֲנִי עֹשֶׂה׃
וְאַבְרָהָם הָיֹו יִהְיֶה לְגֹוי גָּדֹול וְעָצוּם
וְנִבְרְכוּ בֹו כֹּל גֹּויֵי הָאָרֶץ׃
כִּי יְדַעְתִּיו
לְמַעַן אֲשֶׁר יְצַוֶּה אֶת־בָּנָיו וְאֶת־בֵּיתֹו אַחֲרָיו
וְשָׁמְרוּ דֶּרֶךְ יְהוָה
לַעֲשֹׂות צְדָקָה וּמִשְׁפָּט
לְמַעַן הָבִיא יְהוָה עַל־אַבְרָהָם אֵת אֲשֶׁר־דִּבֶּר עָלָיו׃

Exegetische notities

Dit is het vervolg van de bijzondere verschijning van de Here - zo nabij als een mens - aan Abraham. Hij kwam met twee begeleiders op bezoek, en kondigde voor de tweede keer aan dat over een jaar een zoon geboren zal worden, die, omdat Abraham en Sara gelachen hebben, Izak moet gaan heten (zie ook 17:15-21). Genesis 18 begint met de aankondiging van de naderende vervulling van Gods belofte aan Abraham. Het gaat verder met de aankondiging van Gods nu komende oordeel over Sodom.

Abraham loopt nog een eind mee met de bezoekers, richting Sodom. Dan komt het tot een wel heel bijzonder gesprek. God roept het op; Abraham pakt het op. Rabbi Sacks: ‘It is the birth of one of the great Jewish traditions: the argument with Heaven, for the sake of Heaven, the covenantal dialogue between God and man in the name of justice’ (Covenant & Conversation: Genesis, 103). Andere voorbeelden daarvan: Ex. 5:22, Num. 16:22, Jer. 12:1, Hab. 1:2v. In de Talmoed wordt het chutzpa kelapé Sjamaja genoemd, ‘vermetelheid tegenover de hemel’. Het blijkt geen ongewenst gedrag, integendeel. De opening komt van God zelf.

A) De JPS Tanakh heeft ‘The Lord had said’; Buber: ‘ER aber hatte zu sich gesprochen’. Dat is beter dan ‘En de Here zei’ - wat de meeste vertalingen hebben. Hier staat niet de gewone vorm voor het lopende verhaal (imperfectum consecutivum - zoals weer wel in vs. 20, וַיֹּאמֶר יהוה = ‘En de Here zei’); hier staat וַיהוה אָמָר : onderwerp voorop + perfectum; daarmee stap je even uit de flow van het verhaal naar de achtergrond, en/of begin je een nieuw gedeelte.

B) De Here wil Abraham zijn voornemen toevertrouwen. Zou Hij voor hem, met wie Hij zo grote plannen heeft (zie de volgende regels), verzwijgen wat Hij nu van plan is?

In Amos 3:7 staat dat God niets doet zonder zijn geheimen te openbaren aan zijn knechten, de profeten. Doorgaans opdat die daarmee het volk aanspreken, vermanen, bemoedigen, tot verandering brengen. Maar meermalen zien we dat ze God erover aanspreken om Hem tot verandering te brengen - zoals Mozes (Exod. 32v), Jeremia (14) en Daniël (9). Zo gaat ook Abraham hier intens reageren op wat God hem openbaart. In dit verband opmerkelijk is Gen. 20:7: ‘[Abraham] is een profeet; hij zal voor u bidden’).

C) Vgl. Gen. 12:2. Het gaat over een volk, enkelvoud. Er zal ook een menigte volken voortkomen uit Abraham; diens nieuwe naam wijst daar op (17:5). Ook via Ismaël zal zijn nageslacht talrijk zijn. Maar de zegen van het verbond gaat via Izak (17:19-21). Het gaat speciaal om het volk Israël - apart van ‘alle volken’ in regel D.

D) Vgl. Gen. 12:3; zie ook 22:18, 26:4 en 28:14. De traditionele vertaling is: ‘alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.’ De NBV heeft: ‘alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als hij.’ Vanuit, letterlijker: ‘met hem zullen alle volken van de aarde zich zegenen’ - nl. met: ‘moge je zo gezegend zijn als Abraham’. Het is hier niet de plaats om op de discussie hierover in te gaan. De vertaling van de NBV is niet onmogelijk - in elk geval niet bij 22:18 en 26:4, waar de hitpael wordt gebruikt. Maar bij de nifal (hier, en in 12:3 en 28:14) past de vertaling met de passieve betekenis beter. En dan ligt het voor de hand om ook 22:18 en 26:4 zo te vertalen; de hitpael kan ook een passieve betekenis hebben. Het NT heeft de passieve vertaling: ‘in u/hem zullen gezegend worden’ (Hand. 3:25, Gal. 3:8; zie ook de NBV), en maakt duidelijk: Abraham is niet alleen een bij uitstek gezegende, maar ook het kanaal van Gods zegen voor de wereld.

E) Letterlijk staat er: ‘Ik heb hem gekend.’ Dat betekent hier - net als in Jer. 1:5 en Amos 3:2 - ‘Ik heb hem verkozen.’ Tegelijk zegt het meer. Uitkiezen kan gaan over iets of iemand waar je iets mee doet, een instrument. Maar kennen gaat over iemand waar je iets mee hebt - een bijzondere, intieme relatie. Daar zit de rijkdom in van Ps. 1:6, Ps. 139, Joh. 10:14v en 27, 1 Cor. 13:12, 2 Tim. 2:19, etc.

F) De betekenis van Abraham ligt vooral in zijn vader-zijn; in wat hij betekent voor en door ‘zijn kinderen en zijn huis na hem’ (nadruk door herhaling). Het gaat niet om Abraham op zich. God spreekt van meet af aan met hem over zijn zaad - en over wat Hij daarmee en daardoor gaat doen. In onze tekst gaat het over wat vader Abraham hen leren zal. Letterlijk: ‘gebieden zal’ - op gezag van God. Van de stam צוה is mitswot, ‘geboden’, afgeleid. Wíj worden van ‘gebieden/bevelen’ doorgaans niet blij, maar in het Jodendom heeft mitswot een puur positieve klank. Zoals in de Bijbel zelf: ‘Ik verheug mij in uw geboden, ik heb ze lief’ (Ps. 119:47).

G) ‘Gebieden’ zegt al genoeg, maar ‘de weg van de Here’ maakt nog duidelijker: het gaat om doen en laten. ‘Not the talking but the walking.’ In het Jodendom: de halacha, de wandel.

Het bijbelse kernwoord ‘weg’ is sprekend: het gaat niet om losse woorden, maar om een geheel. En niet om een standpunt, maar om voortgang, bij de mensen van de weg. Het woord ‘bewaren’ is ook nog wat anders dan ‘conserveren’; het gaat om voortdurend attent zijn op de weg, op je/de way of life, en om het steeds in de gaten houden of je nog wel op het goede pad bent.

H) Nog eens: het gaat om doen. Van recht en gerechtigheid. Dat juist dit naar voren gehaald is kun je enerzijds zien als preludium op het directe vervolg, waarin de woorden recht en gerechtigheid echoën, zoals we zullen zien. Anderzijds vind je dit spoor de hele Bijbel door. De combinatie van deze woorden vind je o.a. in Deut. 16:19v, Ps. 33:5, 89:15, 106:3, 119:106, 121, Spr. 21:3, Jes. 28:17, 56:1, Ezech. 18:5, 19, 21, 27, Zef. 2:3.

Gerechtigheid, צְדָקָה tsedaka : In de Bijbel hebben tsèdèk en tsedaká dezelfde betekenis, ‘gerechtigheid’. In het Jodendom is tsedaka de uitdrukking geworden voor ‘aalmoes’ (zie al Mat. 6:1); daarmee is wel heel duidelijk dat het om meer gaat dan ‘Vrouwe Justitia’ met een blinddoek. Bij tsedaka hoort juist dat je de ander ziet en op het oog hebt. Het element van compassie, mededogen, zit ook in het woord ‘gerechtigheid’ in het Oude Testament.

J.P. Versteeg schrijft over gerechtigheid (in Bijbelwoorden op de man af, 83vv):
‘Wie zich op het Woord van God verlaat kan bij God terecht, want God houdt in zijn gerechtigheid aan zijn Woord vast (...) Zo kan een mens in de meest deplorabele toestand bij God terecht. God rekent immers niet met wat de mens Hem te bieden heeft. God rekent met wie Hijzelf is. Dàt is zijn gerechtigheid. (...)
God wil zijn gerechtigheid ook gestalte geven in de menselijke samenleving. De God van de gerechtigheid zoek rechtvaardige mensen (...) in de bijbel “de rechtvaardigen” genoemd. Wie rechtvaardig is heeft een heroriëntatie ontvangen: van het eigen ik naar het Woord van God en de God van het Woord. (...)
We menen vaak, dat we al „gerechtigheid” oefenen, wanneer we ieder het zijne geven. We vergeten, dat we daarbij de bijbelse betekenis van het woord „gerechtigheid” zelfs nog niet geraakt hebben. Zeker niet, wanneer we - gemakshalve - het „ieder het zijne geven” opvatten in de zien van „ieder alles betaald zetten”. Wanneer we ervaren hebben, dat de gerechtigheid van God betekent, dat we - wie we ook zijn - bij God terecht kunnen, zullen we die gerechtigheid ook tegenover anderen om ons heen willen laten uitkomen. Dan betekent onze gerechtigheid ook niets anders dan dat anderen - wie ze ook zijn - bij ons terecht kunnen.
Deze gerechtigheid snijdt hout, omdat ze in ons vlees snijdt. Net zoals het bij God is in de verhouding tussen God en ons. Het is déze gerechtigheid waarom de wereld roept.’

Recht, מִשְׁפָּט misjpat: wat recht/juist is. Kan gaan over goede orde, ‘zoals het hoort’ (Jer. 8:7, Ezech. 34:16), over verordeningen (Deut. 4:8, Ps. 119:13), en vooral ook over de handhaving van recht, en alles wat daarmee te maken heeft. Enkele aspecten: schend de misjpat van weduwen en wezen niet (Deut. 27:19); God vraagt niets anders dan misjpat doen, ... (Micha 6:8); God oordeelt volgens zijn misjpat (Jes. 28:17); Gods misjpat zal een licht zijn voor alle volken (Jes. 51:4).


I) Twee elementen geven spanning in deze woorden: a) het gaat over wat God gesproken heeft en zal (vol)brengen over Abraham - want Hij zal toch geen van zijn beloften laten vallen?! b) het gaat ook over een voorwaarde, of over de-weg-waarin - nl. het voorafgaande, dat Abrahams volk de weg des Heren zal bewaren enz. Vgl. de NBV: ‘Alleen dan zal ik verwezenlijken wat ik Abraham heb toegezegd.’ Kan het zo dan toch gebeuren dat Gods woord níet volbracht wordt? Die spanning loopt door in de geschiedenis van Israël. Het lijkt steeds weer dood te lopen - maar dan gaat God toch weer door. Ook als wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want zichzelf verloochenen kan Hij niet (2 Tim. 2:13).

In het vervolg spreekt de Here tot Abraham over wat Hij gaat doen. Abraham blijft alleen met de Here, ‘voor zijn aangezicht’, hij nadert, en houdt een pleidooi. In Genesis 14 lezen we hoe hij met daden opkwam voor Sodom, m.n. om Lot; nu komt hij voor hen op met woorden. tsedaka en misjpat (regel H) spelen daarbij een belangrijke rol. De stam van misjpat komt 2× terug, in vs. 25: zou de Rechter van de hele aarde níet recht doen? De stam van tsedaka komt 7× terug in tsaddiek(iem), ‘rechtvaardige(n)’. Wat God van Abraham en zijn volk verwacht, mogen zij van Hem verwachten. Hij laat zich daar graag op aanspreken.

Het wordt spannend als Abraham gaat onderhandelen, afdingen. Kan dat? Hoever kan hij gaan? Hoeveel zouden er misschien nog zijn? Abraham spreekt vrijmoedig én ootmoedig (bv. vs. 27: ‘ik heb het aangedurfd, hoewel ik stof en as ben’, ‘afar we ’éfèr). Hij zakt tot 1/5 van de eerste inzet, tot 10 rechtvaardigen - dat was genoeg geweest...

Focussen

Waar draait het om in de tekst? Kort gezegd: om het volk dat God voor ogen had - en heeft. ‘Had’ - de woorden staan hier in een concrete context. Maar ook ‘heeft’ - ze stijgen daar ook bovenuit. Ze grijpen ver terug en ver vooruit. In de preek moeten we de woorden aftasten, maar ook verder kijken. Hoe zit het nú met het volk dat God voor ogen stond?

Je zou als verdeling kunnen nemen: 1) gekend! 2) geroepen! 3) gekomen? Je kunt ook kiezen voor een meer vloeiend verhaal. Punt 1 en 2 kunnen zomaar in elkaar overlopen. En de reflectie van punt 3 kun je misschien ook meer in de preek verweven. Hoe je een preek opbouwt, is heel persoonlijk. Ik geef een aantal gedachten die in je preek een plek of een uitwerking kunnen krijgen.

Bouwstenen voor de preek

Als je over verkiezing nadenkt kun je makkelijk de mist in gaan. Er zijn enorm moeilijke vragen te stellen. Er is een gevaar dat je jezelf verliest in abstract en speculatief nadenken over verkiezing & verwerping, over verkiezing tot zaligheid. Onze tekst zet verkiezing in bijzondere perspectieven. In de verkiezing van Abram gaat uiteindelijk het niet zomaar om versmalling tot die ene, maar ook om een wereldwijde verbreding. Keerzijde van de verkiezing van die ene is niet meteen verwerping van de rest; die verkiezing is gericht op ‘zegen voor alle geslachten/volken’. In die verkiezing gaat het om meer dan ‘verkiezing tot zaligheid’. Verkiezing betekent roeping. Bij verkiezing is het in de Bijbel nadrukkelijk niet omdat u... - het is niet om de een of andere kwaliteit; even nadrukkelijk is het wel opdat u... - het is wel met een bepaald doel. Onze tekst noemt: om voor de wereld tot zegen te zijn en om Gods weg te gaan en zijn gerechtigheid te doen. Enkele andere typerende teksten zijn Joh. 15:16: ‘Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen...’; Efez. 1:4, ‘... opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde’. Jac. 1:18 spreekt van: opdat wij ‘eerstelingen van zijn schepselen’ zouden zijn. Verkiezing is niet zomaar voorgetrokken worden, maar voortrekker gemaakt worden.

Verkiezing is een geweldig voorrecht - de grootst mogelijke zegen. De kern zit in wat er letterlijk staat in regel E: dat God zegt: Ik heb hem gekénd. Het Bijbelse woord ‘kennen’ spreekt van een persoonlijke relatie. Als we naar Abraham kijken zien we een heel bijzondere band. In dit gedeelte komt de uitdrukking ‘vriend’ niet voor (en ook niet in de tekst van Ps. 105, waar de berijming zegt: ‘’t verbond met Abraham, zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind’). Maar het staat wel in 2 Kron. 20:7 en Jes. 41:8 (אֹהַב), en dan ook in Jac. 2:23: καὶ φίλος θεοῦ ἐκλήθη. Al staat dan het woord ‘vriend’ niet bij het gesprek over Sodom, dat is toch wel een van de meest sprekende voorbeelden van die bijzondere relatie tussen de Here en Abraham. Enerzijds was die relatie wel heel uniek. Anderzijds betrekt de Here voortdurend diens nakomelingen erbij, en wil Hij het verbond - die bijzondere verbondenheid - ook van geslacht tot geslacht. Denk in dit verband dan ook aan wat Ps. 25:14 zegt over vertrouwelijke omgang, ‘geheimen’ (סוֹד).

Bij de verkiezing hoort niet allen dat/hoe de Here ons kent, maar ook dat Hij bekend maakt wat Hij doet. Voor goede vrienden heb je geen geheimen; zo wil de Here voor Abraham niet verbergen wat Hij gaat doen. (Zoals later Jezus zijn discipelen vrienden noemt aan wie Hij alles bekend maakt; Joh. 15:15.)

In feite gaat het om nog meer. God zal Abraham tot een groot volk en wereldwijd tot zegen maken. Dan mag, dan moet Abraham toch ook weten waar de Here mee bezig is?! Opmerkelijk dat de Here hem niet alleen openbaart wat er met zijn eigen volk gaat gebeuren (Gen. 15:13-16), maar ook met de mensen die nu nog in het aan hem beloofde land wonen - en dat Abraham dan voor hen gaat doen wat hij kan. En was dat niet precies waar het de Here om begonnen was? Abraham neemt het niet voor kennisgeving aan, maar het doet hem wat en hij doet er wat mee. Je kunt de lijn doortrekken naar hoe de Here ook ons - nog zoveel meer - bekend heeft gemaakt over waar Hij mee bezig was, en is. Hij laat licht vallen over de geschiedenis - die van zijn volk en die van de wereld. Niet om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar om ons ook actief betrokken te maken. Hij wil ons zelfs laten meespreken, in een ‘covenantal dialogue between God and man in the name of justice.’ Dat is niet maar ‘a great Jewish tradition’ (dat is het òòk), maar - vanuit dezelfde bron - ook iets dat bij christenen hoort. Denk aan de kennelijke betekenis van gebeden in Openbaring (5:8, 8:3v); denk ook aan het belang van blijven roepen om recht, in Lukas 18:1-8. Iemand noteerde bij Gen. 18: ‘Hier zien we het privilege van Gods verbondsvolk door de eeuwen: God heeft zijn voornemens geopenbaard en wil hun stem horen (in intercessie) in zijn hemels hof.’

In de tekst krijgt de roeping tot gerechtigheid en recht dus een aanprekende uitwerking in hoe Abraham met de Rechter spreekt over recht. Tegelijk gaat het natuurlijk in vs. 19 om nog meer: om ‘gerechtigheid en recht doen.’ Oftewel: om het metterdaad leven als ‘rechtvaardigen’ (tsaddiekiem) - persoonlijk en als volk.

De betekenis daarvan wordt duidelijk bij Abrahams pleiten. Met twee handenvol tsaddiekiem zou alles anders zijn. Die tien zouden de geschiedenis een wending geven. God zal niet met het onkruid ook de tarwe uittrekken (Matt. 13:24-30). Of sterker - als er maar een beetje zout is, of zuurdesem, dan kan dat veel grotere hoeveelheden conserveren en doorzuren (Matt. 5:13; 13:33).

Ondertussen zijn we overgegaan, van wat verkiezing als voorrecht geeft, naar wat verkiezing dan ook vraagt. Maar in feite is wat gevraagd wordt òòk voorrecht. Gods weg te mógen gaan en wijzen, Gods gerechtigheid te mógen kennen en doen, en met Hem te mógen spreken - dat alles brengt zeker ook dure plichten mee, maar is toch vooral en uiteindelijk kostbaar geschenk.

Dit geschenk is allereerst aan Abraham en zijn nakomelingen gegeven. Aan het volk Israël. Dat mogen we als gelovigen uit de heidenen nooit vergeten. We kunnen bij een doop zingen: ‘’t Verbond met Abraham zijn vrind bevestigt Hij van kind tot kind, zijn woord wordt altoos trouw volbracht, tot in het duizendste geslacht’ - maar we kunnen dat niet doen zonder ook aan Israël te denken. Als het met hen afgelopen zou zijn, hoe zit het dan met Gods trouw, met dat Hij nooit laat varen wat Hij begon? Wat hebben wij dan voor zekerheid? Dat wij het beter (zullen) doen dan Israël? Het is goed om daar later weer terug te komen.

Ondertussen is dit geschenk òòk gegeven aan gelovigen uit de heidenen, die in Israël zijn ingelijfd. Zij mogen door Gods genade delen in verkiezing en roeping, in zegen die ook doorstroomt. Door Jezus de Messias, uiteindelijk dé Rechtvaardige, de enige volmaakt rechtvaardige, die de geschiedenis van de hele wereld anders maakt. Meer dan de (vele!) andere zegeningen via Abraham en Israël is Jezus, als hét zaad van Abraham, dé grootste zegen voor alle volken van de aarde. Hij de dé Rechtvaardige, die anderen rechtvaardig maakt. In de zin waarin Paulus daarover spreekt, ‘gerechtvaardigd door het geloof’. Maar dan ook door hoe Hij hen die in Hem geloven tot tsaddiekiem maakt, op de weg des Heren, achter dé Rechtvaardige aan; mensen die vóór alles Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid zoeken. ‘Gezegend met alle geestelijke zegen, in Christus, vóór de grondlegging van de wereld uitverkoren in Hem, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde’ (Efez. 1:3v).

Maar zijn wij nu werkelijk het volk dat God voor ogen had/heeft? Gerechtigheid en recht doen, echt gaan in het spoor van Abraham - en nog meer, van Christus - daar ontbreekt het nog al te vaak aan in wat zich kerk en volk van God noemt. Hoe zit het in mijn persoonlijk leven en samenleven? Als het goed is zul je - door Gods genade - vast wel dingen aan kunnen wijzen. Maar niet anders dan heel bescheiden, want zijn er niet ook veel gebreken? Het enige dat ons kan redden is Gods trouw en genade.

Terug naar het volk Israël. Is dat ‘het volk dat God voor ogen had/heeft’? Eeuwenlang is het bij de kerk uit beeld geweest. Inmiddels is Israël weer op de kaart gezet en heeft de oude geschiedenis een ongedacht vervolg gekregen. We zien lijnen doorlopen, zien nu ook dat lijnen doorliepen de eeuwen door; zien nu ook dat de kerk er vaak hoogmoedig op neer of aan voorbij gekeken heeft - en erger. Nu kunnen we er niet omheen: de trouw van God is nog veel groter dan gedacht; Hij laat écht niet varen wat Hij begon! God heeft zijn verbond en woorden niet teruggenomen. Integendeel, Paulus schrijft, in Rom. 11:28v: ‘de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk’, en de Joden zíjn ‘wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.’

Tegelijk zien we ook veel dingen fout gaan. Zeker, die worden - typisch is dat! - juist bij het volk Israël met graagte aangewezen en uitvergroot. Daar komt bij dat als de situatie ergens moeilijk is, dan wel in Israël. Door een oneindig aantal complicerende factoren. Evengoed zijn er echt dingen waardoor je van Israël zou zeggen: ‘zij uitverkoren? is dat nu Gods volk?’ Juist op het gebied van recht en gerechtigheid is veel mis. En dan de vragen: Wat zien we van ‘de weg des Heren’? Zitten ze niet naast dé Weg en de Waarheid en het Leven?

Het is bij dat al net als met de kerk: er zijn dingen waarin we zomaar Gods hand en Gods trouw zien. Maar er gebeuren evengoed ook heel verkeerde dingen, die haaks staan op wat God voor ogen heeft. Het loopt nog door elkaar.

Er zijn in Israël ook velen die - juist vanuit de Tora en de profeten - de weg van de Here willen gaan, en streven naar gerechtigheid en vrede. Veel voorbeelden zouden te noemen zijn - en het is goed om daarnaar te zoeken.

In dit verband wil ik noemen de ‘Verklaring van orthodoxe rabbijnen over het christendom’ - mede omdat het daarin onder andere gaat over wat Joden en christenen gemeen hebben, en dan o.a. genoemd wordt: ‘de waarden van bewogen rechtvaardigheid en gerechtigheid’. Het is hier niet de plek om er dieper op in te gaan; zie mijn artikel in ‘Verbonden’ van febr. 2016.

Noch van de kerk, noch van Israël, kun je zomaar zeggen: daar heb je nu het volk dat de Here voor ogen had en heeft. Temeer is het belangrijk om de relatie kerk-Israël te zoeken, met het verlangen en het gebed dat ‘de Here over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.’ Dat zal vast en zeker gebeuren, op een manier waar we versteld van zullen staan!