Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Marcus 14:41b -1e zondag van de veertigdagentijd

1e zondag van de veertigdagentijd

Zie, de mensenzoon wordt overgegeven in de handen van de zondaars. (Naardense bijbel)

Marcus 14:41b

Lezing: Marcus 14:32-42

Zie ook

Het eigene van de zondag

Voor de zes zondagen van de veertigdagentijd kies ik voor één doorlopende lezing: het lijdensverhaal uit het evangelie volgens Marcus (Mc. 14:32 – 15:47) De keuze voor Marcus is arbitrair. Het gegeven dat het de oudst bekende bron is, speelt een rol. Het lijdensverhaal heb ik in zeven stukken verdeeld. De eerste zes zijn het thema voor de zes zondagen van de veertigdagentijd, deze zes én de zevende pericoop zijn voor lezing op Goede Vrijdag.

Het gekozen centrale vers is 41b. Het gaat over de (lijdens-)weg van Jezus, maar niet uitsluitend Jezus. Dit vers lijkt mij een samenvatting van wat door de hele Schrift een kernthema is: mensen in handen van zondaars. Dat begint al met die eerste letterlijke twee mensenzonen: Kaïn en Abel. Wij zijn zowel Kaïn als Abel. Mensenzonen en zondaars.

Uitleg

De hele passage is van een intense en meeslepende dramatiek. Jezus weet of voorvoelt dat zijn einde nadert – hij, de Mensenzoon, de ultieme Gutmensch(?), zal een eenzame dood sterven.

In Getsemane, in de nacht, trekt Jezus zich terug, omringd door zijn meest geliefde leerlingen, om te bidden. We worden deelgenoot gemaakt van de strijd van Jezus, zijn anguish en tenslotte zijn overgave. Zijn overgave die een hoogtepunt bereikt in zijn bede tot Abba ‘echter, niet wat ik wil, echter wat gíj!...’ (vs. 36b) en een dieptepunt in de overgave in handen van de zondaars (verzen 41-42).

Maar bovenal is Jezus eerst verbijsterd, angstig (Ἀδημονεῖν , met de connotatie van unheimisch) en diepbedroefd van ziel (ψυχή). Zijn intense verlangen gaat uit naar zijn vrienden – hij neemt ze mee en zegt (met een imperatief): ‘blijft hier – en dat lees ik als ga niet van mij weg, ne me quitte pas! – en blijft wakker!’ In de hoop op de wakende presentie van zijn vrienden op de achtergrond, neemt Jezus de volgende stap (προελθὼν) en gaat in gebed. En dan lezen we, dat hij ter aarde is gevallen. Is het de zwaarte die hem doet vallen, terug in het stof (op de aarde)? Staat het symbool van het ‘tot op de bodem’ van Jezus’ droefenis? Of is Jezus die ter aarde valt, een beeld van utter supplication and submission (Ben Witherington, 379)? Niet zozeer om zichzelf kleiner, dan wel God groter te maken?

Drie maal bidt Jezus (Als we tenminste aannemen dat hij voordat hij de derde keer terugkomt, vers 41, daarvóór die derde keer gebeden heeft – het staat er niet). Dat is: tot het uiterste. Als je weet, dat het hier ook nog de derde keer is in het evangelie dat Jezus biddend wordt opgevoerd (eerder in 1:35 en 6:46), dan is de intensiteit van het bidden als het ware tot ‘over de rand van het uiterste’…

Wát bidt Jezus eigenlijk?

Dat ‘de ure aan hem voorbij zou gaan’. ‘The reference to the hour(…) reminds us once more of the apocalyptic language Jesus tended to use, for “the hour” is one appointed and determined by God, and indeed usually refers to the hour of the consummation of God’s final judgement.’ (B. Witherington, 379) Dat oordeel betekent zijn dood – Jezus verwoordt zijn angst om te sterven en verlangen te leven.

Verder bidt hij ‘Draag deze drinkbeker van mij weg!’ Die beker kan staan voor ‘the cup of God’s wrath’ (Ben Witherington, 379) Bijvoorbeeld Psalm 75:8-9, Jes. 51:17, Jer.25:15. Daarnaast doet de beker in positieve zin denken aan de beker van het laatste avondmaal (Mc.14:23 e.v.) Ook met deze bede zoekt Jezus te leven en niet te sterven.

Tenslotte bidt Jezus ἀλλ᾽ οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ (36b), krachtig en vol ‘weerbarstige overgave’. Hij gooit nu als het ware zijn portie anguish over de schutting. ‘Hier – neem het dan! Mijn angst, mijn zielenpijn!’ Kan ik er vanop aan, dat Jij het meedraagt? Ben Jij te vertrouwen…?’ Zoiets, lijkt mij. Uiteindelijk moet dat vertrouwen ook komen van de andere kant van de schutting, geloven/vertrouwen is een sprong in het ongewisse, over de schutting heen – waar de Eeuwige wordt vermoed… dat is wat blijft. Want de mensen trekken het niet. Ook zijn vrienden niet… Ne me quitte pas en blijft wakker! – het is niet gelukt. Want ook al zijn de meest geliefde leerlingen, Johannes, Jakobus en Petrus, in de buurt – ze zijn zó ver weg. Ook al gaan ze mee, ze blijven op afstand. Ze slapen. In vers 40 wordt dat slapen nog een keer anders omschreven: ‘want hun ogen zijn bezwaard geweest.’ (In het Grieks: βαρέω: ‘to burden, weigh down, depress’ in NT alleen passivum). Ze kunnen het niet aanzien met hun bezwaarde ogen. En wie niet kijkt, weet ook niets te antwoorden. Zo ontstaat het beeld van de drie geliefde leerlingen als mensen met afgewende blik en de mond vol tanden… Ze haken af, tot drie maal toe (tot het uiterste.) ‘Het is geen natuurlijke slaap die hen bevangen heeft, ze hebben hun ogen gesloten voor wat de man van God beweegt, ze zitten in het duister. Zij kunnen zijn lijden niet zien, zijn gebed delen zij niet. De slaap van de discipelen is de slaap van allen die zich afsluiten voor de Mensenzoon die steeds opnieuw gekruisigd wordt.’ (ter Linden, 148 – bijzonder parallel aan wat Drewermann schrijft). Ja, ‘de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak!’ verdedigt Jezus nog zijn vrienden… Of moet je de geest (πνεῦμα) opvatten als de Heilige Geest zijn, die zich toegang zoekt te verschaffen zoekt tot ons – maar wij zijn als (de) dood, wij slapen…? (Zo B. Witherington, 380)

En dan is het, na vers 40, alsof het verhaal vast komt te zitten in modder van dikke ellende, een diepe impasse, als ware het de Tohuwabohu van het begin.

Hoe verder? Er is een scheppingswoord nodig...

Als Jezus de derde keer (τρίτος: het getal van de vervulling of ontknoping) tevergeefs de nabijheid zoekt van zijn vrienden, zegt hij: het is genoeg. Hoe je dat aπέχει ook precies moet lezen (slaat het terug op die drie leerlingen, of op dat wat volgt?), Jezus neemt het initiatief weer. Het is zo ver: ‘de ure is nu gekomen…! Zie, de mensenzoon wordt overgegeven in de handen van de zondaars.’ (παραδίδωμι, overgeven, in handen geven van. Niet hetzelfde als verraden)

En dan klinkt een als het ware scheppingswoord in vers 42, van Jezus, die de impasse doorbreekt: ‘wordt wakker, laten we gaan!’

De overgave is compleet: van het ‘hoogtepunt’ van overgave (‘echter niet wat ík wil, echter wat gíj!...’) naar het ‘dieptepunt’ ervan: ‘zie, de mensenzoon wordt overgegeven in de handen van de zondaars.’

De volgende stap in het lijdensverhaal is aanstaande.

Aanwijzingen voor de overweging

De spannendste vraag lijkt mij bij elke overweging: hoe worden wij deelgenoot van het Bijbelverhaal? Voor het lijdensverhaal is dat mijns inziens extra moeilijk: het kan té ingebed liggen in de geloofsleer om er zelf met ‘sarx, psyche en pneuma’ in te (durven) stappen. Het kan dan snel een soort ‘verklaring’ worden waarom Jezus moest worden overgeleverd enzovoorts. (‘oh, zit het zo!’) en dan blijven we steken in geloofsleer. Wat mij betreft is de leer echter nooit toereikend. Het leven kan voluit worden geleefd, maar nooit voluit worden verklaard. Er is altijd een open (onbepaalde en onzekere) ruimte – die kunnen we God noemen. Het is die open ruimte, die Jezus aanspreekt met zijn ἀλλ᾽ οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ.

Het verhaal is (helaas en godgeklaagd) een alledaags Elkerlyc verhaal. Want het ‘zie, de mensenzoon wordt overgegeven in de handen van de zondaars’ is dagelijkse werkelijkheid. Net als ‘hun ogen zijn bezwaard geweest, en ze weten niet wat ze hem moeten antwoorden.’ Dat geldt ook ons. Want wat moet je maken van … en vul de ellende maar in…

Het verhaal van Jezus Christus als mensenzoon zoals jij en ik (m/v) vertelt hoe je die werkelijkheid als het ware overleeft. Ondanks afschuwelijk lijden en doodgaan (kruisiging). Zoek de open ruimte, waarin de Geest waait – die zoektocht zie ik in Jezus’ gebed ἀλλ᾽ οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ. De open ruimte van God die verkeert in de opstanding – ook al weet je dát pas achteraf (op de derde dag).

Bij het gaan van die weg horen wakers, naasten: hij kiest / ontvangt zijn meest naasten (de geliefde drie) – maar juist de meest naaste kan ook het verst weg zijn – en dat is des te pijnlijker. Ze slapen. Slapen is ‘als (de) dood zijn’. Jezus staat dat toch niet toe: ‘wordt wakker, laten we gaan!’ (42a) Dat klinkt naar Zie het onder ogen – de mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars… maar blijf bij mij…

Wie wekt ons als onze naaste wordt aangevochten? Wie verlangen wij te wekken als wij zelf aangevochten zijn? Wat doet ons ‘vluchten’ in de slaap? Wat belemmert ons om de Geest toe te laten? Zie vers 38b – en dan vat ik de geest op als de Geest Gods : hoe kan die zich toegang tot ons vlees verschaffen? Vgl. de 3e bede in het Onze Vader. Hoe doen wij dat? Gods wil de onze doen zijn? Overgave? Hoe werkt dat?

Tenslotte moet wat mij betreft de gedachte tegengegaan worden dat God wil dat Christus / andere mensenzonen en – dochters sterven aan het kruis. Althans, ik weet dat het gebeurt, dat sterven aan kruizen, maar ik geloof niet de God dat wil. Dit gebeurt, omdat de mensenzoon (ook jij en ik en anderen) in handen van zondaars (ook jij en ik en anderen) valt. Dit gebeuren zoeken we te delen met onze naasten – maar als het erop aan komt, kunnen die ook zomaar in slaap vallen – en dan rest ons die open ruimte van het ἀλλ᾽ οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ.

De overweging kan mooi afgesloten worden met een gebed en stilte.

Voor de kinderen

Elke zondag wordt de betreffende pericoop uitgebeeld in een aantal scènes. Die worden in een tableau vivant gezet en daar kun je een foto van maken. Kijk vooraf zelf welke scènes je in beeld wilt brengen. Bij terugkomst kun je dat in de kerk uitbeelden. Op Goede Vrijdag kunnen bij de doorlopende lezing de foto’s worden getoond.

Liturgiesuggesties

  • Rode draadlied voor alle zondagen in de 40-dagentijd: lied 934

  • Verder: NLB 924, 561, 570, 571, 582.

Literatuur en websites

  • Blue letter bible

  • Synopsis Studiebijbel

  • R. Bauckham, Jesus and the Eyewitnesses – The gospels as Eyewitness Testimony, Cambridge 2006, 197-201

  • B. Witherington III, The Gospel of Mark – a Socio-Rhetorical Commentary, Cambridge 2001, 378 e.v.

  • B.J.Malina & R.L. Rohrbaugh, Synoptic on the gospels, Minneapolis 2003, 213-218

  • C.Clifton Black, Mark, Nashville 2011, 293-337

  • N. ter Linden, Het verhaal gaat...III, Amersfoort 1998

  • H. Thijssen, Sporen die blijven – op zoek naar een levensecht beeld van Jezus, Zoetermeer 1999, 208-214

  • E. Drewermann Beelden van Verlossing – toelichtingen op het evangelie van Marcus, Den Haag 1990, p. 203-272

  • H. Buning, preekschets in Postille 41, Den Haag 1989

  • A.J. Lamping, preekschets in Postille 39, Den Haag 1987

  • J.J.v.Nijen, preekschets in Postiile 60, Den Haag 2008

  • A.H. Wöhle, preekschets in Postille 53, Den Haag, 2001