Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Psalm 24: Micha-zondag

Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft,
de wereld en wie haar bewonen

Tekst: Psalm 24:1b
Thema: ‘De knop om’
Suggestie voor tweede lezing: Johannes 1:1-18

Zie ook

Schriftuitleg

Vers 1-2

De psalm zet heel krachtig in als het gaat om de vraag aan wie de wereld toebehoort. JHWH is eigenaar van de aarde zelf (de materie) en van alles wat de aarde bewoont (al het leven). Consequent wordt in Psalm 24 de Godsnaam JHWH gebruikt. Niet een abstracte, afstandelijke schepper-god, maar de God van de Bijbel, die trouw is aan zijn wereld en zich in de geschiedenis aan mensen verbindt. Als Schepper is JHWH gever van leven en levensruimte, en daarom de onbetwiste eigenaar van de aarde en die haar bewonen.

Vers 3-6

De mens met zijn bevoorrechte plaats in de schepping (Psalm 8) staat in een verbondsrelatie met JHWH, en wordt in Zijn nabijheid geroepen. De Psalm heeft hier een liturgisch/cultische dimensie. Wie mag tot God naderen om zijn zegen te ontvangen? Dat vereist schone handen en een zuiver hart, en die eigenschappen worden zichtbaar als de ziel (het bestaan) zich ont-houdt van zinloosheid, oneerlijkheid, valsheid, bedrog (שָׁוְא, zie o.a. Exodus 20:7, Spreuken 30:8). Voor het verband tussen de erkenning van God als Schepper en Gods zegen: zie o.a. 1 Samuel 2:8, waar recht doen aan armen rechtstreeks voortvloeit uit Gods eigenaar zijn van de wereld en alles wat daarop leeft. (Let wel: de NBV laat in 1 Samuel 2:8 כִּ֤יonvertaald, maar dat woordje geeft juist het verband: Hij verheft uit het stof wie berooid is (..) want van de HEER zijn de pijlers der aarde. Gods rechtvaardigheid wordt in het boek Job rechtstreeks verbonden met zijn Schepper-zijn (o.a. Job 34:12). Dit te erkennen en ernaar te leven draagt Gods zegen.

Vers 7-9

Na de vraag welke houding nodig is om als mens tot JHWH te naderen, wordt de beweging omgedraaid: JHWH komt in zijn majesteit naar zijn eigendom, de stad van God. De beweging die de Psalm maakt is: van de mens die opgaat naar Gods heilige berg, naar Gods komen in de wereld, in Psalm 24 gecomprimeerd tot de stad van God, die haar poorten moet opheffen om de Heer binnen te laten. Gods grootheid moet tot zijn recht komen in onze wereld.

Relatie Bijbeltekst en Micha-problematiek

Deze Micha-zondag staat in het teken van de gevolgen van klimaatverandering en omgang met het milieu. Een preek over milieu en klimaatverandering vanuit Psalm 24 zal in de eerste plaats moeten benadrukken dat het om Gods aarde gaat, en niet de onze. Als onze plaats in deze wereld helder is, kan een handelingsperspectief worden geboden dat recht doet aan God en zijn wereld.

Homiletische notities

In de inleiding zou de hoorder aan het denken gezet kunnen worden over de vraag: Van wie is de wereld? We spreken vaak over ‘onze aarde’. Het idee dat de aarde van ons is zit diep in het denken van velen.

Aan de ene kant heeft die gedachte iets positiefs: in het denken over ‘onze aarde’ zit een collectieve verantwoordelijkheid. We zijn hier niet alleen, maar met zo’n 7 miljard anderen. En die hebben allemaal dezelfde aarde nodig om te wonen, te eten, bescherming te vinden. Ook het belang van de volgende generaties speelt (terecht) een grote rol in het denken van velen.

Aan de andere kant leidt de gedachte dat de aarde van ons is ook tot overheersing en afbakening. We knippen de aarde op in stukjes land, en ieder doet daarin wat hij of zij het beste vindt voor zichzelf of de eigen groep. Landen, provincies, steden, wijken, landerijen, achtertuintjes: we beschouwen ze als ‘van ons’ en gaan er het liefst zelf over. Benoem maar eens hoe lastig het is om binnen de EU tot bestendige milieuafspraken te komen, laat staan wereldwijd. En hoe gemakkelijk machthebbers terugkomen op eerder gemaakte afspraken.

Vervolgens kan worden ingegaan op de boodschap van Psalm 24. Dit lied laat een heel ander geluid horen. ‘Onze aarde’, ‘onze wereld’ bestaat niet, want:

Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft,
de wereld en wie haar bewonen’ (NBV)

De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.’(HSV)

In een preek vanuit Psalm 24 rond vragen over milieu en omgang met de aarde zal dit geluid mijns inziens sterk benadrukt moeten worden. Pas als de gemeente goed heeft opgepakt dat de aarde en alles wat er op leeft en woont van de HEER is, kan zinvol gepreekt worden over wat de consequenties hiervan zijn. Dit deel van de preek zou als kopje kunnen krijgen: ‘De knop om van ons denken over de aarde’.

De lijn van Psalm 24:3-6 volgend zou de preek vervolgens kunnen ingaan op de vraag: wat betekent dit voor hoe wij leven op de aarde? Omgaan met milieuvraagstukken zou vanuit Psalm 24 voorgesteld kunnen worden als dienst aan God en de schepping. Gods schepping geweld aan doen zou onze eer te na moeten zijn, en doet onrecht aan God zelf. Zegen ontvang je in een leven, waarin je echt luistert naar God en Hem recht doet. Hier kan concreet met voorbeelden worden aangegeven wat we kunnen doen om echt zorg te hebben voor de aarde en haar bewoners. Daarbij zal benadrukt kunnen worden dat het belang van God en de ander voorgaan boven ons eigen belang. Scepsis rond de oorzaak van opwarming van de aarde kan hier zijdelings worden benoemd, waarbij benadrukt mag worden dat aantasting en vervuiling van onze aarde en van onze atmosfeer van weinig respect getuigt voor God als eigenaar, en voor andere mensen als medebewoners. Dit deel van de preek zou als kopje kunnen krijgen: ‘De knop om van ons doen met de aarde’.

Vervolgens kan erop gewezen worden hoe Psalm 24:7-10 op woorden brengt dat God in onze wereld binnentreedt. De God van Psalm 24 is JHWH, Die Zich aan mensen verbindt, hen zegent, en als machtige Koning Zijn wereld binnenkomt. Wij zijn niet alleen in ons verlangen om recht te doen aan de aarde en alles wat daarop leeft. God zelf staat er borg voor, want Hij is komende in deze wereld. Daarbij moet wel de gedachte opzij, dat we deze aarde wel aan haar lot kunnen overlaten, omdat er straks toch wel een nieuwe aarde komt. Dat wij deze Schepping hebben te bewaren, kan worden benadrukt vanuit de gedachte: hoe treft de komende God Zijn wereld aan? Hier kunnen lijnen getrokken worden naar Christus, die in deze wereld Gods Koninkrijk liet doorbreken (Joh. 1, ‘hij kwam naar wat van hem was’). God had de wereld zo lief dat hij Christus in deze wereld gaf (Joh. 3:16). Christus maakte heel wat gebroken was, Hij gaf leven aan wat dood was. En ook Gods Geest is betrokken op deze wereld, om het erin uit te houden te midden van het zuchten en lijden van de Schepping (Rom. 8:20vv). Verlangen wij naar de komst van de Koning vol Majesteit? En kunnen we Zijn wereld bij Zijn komen weer in Zijn handen leggen? Dit gedeelte zou als kopje kunnen krijgen: ‘De knop om van ons verlangen voor de aarde’