Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Psalm 34:9 (Kerkproeverij)

Zie ook

Kerkproeverij, zo luidt de titel van een campagne van o.a. de Raad van Kerken in Nederland. Meer dan twintig kerken sluiten daar bij aan. De Protestantse Kerk in Nederland doet dat met het thema van de startzondag: ‘een open huis’. Daarmee wil ze de deuren wagenwijd openzetten voor nieuwe mensen. ‘Een open huis zijn is immers een eerste voorwaarde om gasten zich welkom te laten voelen in de kerk.’

Bij de combinatie van ‘kerk’ en ‘proeverij’ kan ook gedacht worden aan wat in de kerk te proeven is, in brood en wijn. Dan gaat het ‘hemelse spijs en drank’, voor de ‘fijnproevers’. In onderstaande bijdrage worden enkele exegetische en dogmatische gezinspunten bij Psalm 34:9 aangereikt. In dit verband kan ook gewezen worden op de brochure Beleving eucharistie en avondmaal (Oecumenische bezinning 50, 2016) van de Raad van Kerken, alsook op de notitie De Maaltijd van de Heer, die prof.dr. J. Muis enkele maanden geleden op verzoek van de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland geschreven heeft.

De goedheid van de Heer proeven en genieten

‘Proef, en geniet de goedheid van de Heer’, schrijft de dichter van Psalm 34 in vers 9 van zijn lied. Het vers heeft een interessante Wirkungsgeschichte gekregen. Dan denk ik niet zozeer aan het feit dat Psalm 34:9 in 1 Petrus 2:3 geciteerd wordt, als wel aan het gegeven dat het vers meer dan eens met de eucharistie ofwel het Heilig Avondmaal in verband gebracht is.

I – Exegetisch: proeven en genieten

De Duitse oudtestamenticus Hans-Joachim Kraus noemt Psalm 34 een leerdicht, waarin elementen van een danklied opgenomen zijn. De dank heeft betrekking op de redding van een individuele verdrukte die tot de Heer riep (vs. 7). Wel is de gemeenschap van gelovigen als geheel in het lied steeds verondersteld, bijvoorbeeld in vers 8, waar over redding in het algemeen gesproken wordt. In het laatstgenoemde vers maakt de psalmist gewag van een engel van de Heer, waarmee hij aan oeroude tradities refereert (vgl. Gen. 32:1, 2; Ex. 14:19; Joz. 5:14; Ps. 103:20, 21; Zach. 9:8). Deze hemelse bode vertegenwoordigt de beschermende, verlossende macht van de Heer (vgl. Ps. 91:11). Met het oog daarop doet de psalmist de oproep om de goedheid van de Heer te proeven en te genieten (vs. 9), waarna hij een ‘zaligspreking’ formuleert (vs. 10). Het Hebreeuwse werkwoord t’m betekent letterlijk ‘proeven’, ‘smaken’ (vgl. 1 Sam. 14: 24, 29, 43; 2 Sam. 3: 35; Job 12: 11; 34: 3; Jona 3:7). In Psalm 34:9 wordt het in de figuurlijke zin van ‘voelen’, ‘ervaren’ (vgl. Spr. 31:18) gebruikt. Hoewel, ‘in figuurlijke zin’? In de omstandigheden waarin de verdrukte in Psalm 34 verkeert, is de goedheid van de Heer welhaast lijfelijk te ondervinden! Overigens: de combinatie van ‘proeven’ en ‘genieten’ kan in de richting van zoiets als visio Dei (letterlijk: God zien) wijzen: in het verhaal over ‘de verbondssluiting’ staat in Exodus 24:11 dat ‘deze vooraanstaande Israëlieten’ God zagen en aten en dronken (vgl. Gen. 3:5, 6). Mogelijk heeft (ook) Psalm 34:10 een cultische achtergrond. Zeker geldt dat voor het ‘komen tot’ in de Septuagintaversie (de aloude Griekse vertaling van het Oude Testament) van Psalm 34:6, waar het ‘tot God naderen’, ‘zich voor God stellen’ betekent (vgl. Lev. 9:5-8; Heb. 7:25). P.H.R. van Houwelingen merkt dan ook op: ‘Psalm 34 verbindt het motief ‘voeding en groei’ onlosmakelijk met het motief ‘komen tot’. Gods goedheid wordt alleen geproefd door degene die zich daadwerkelijk tot Hem richt.’

II - Liturgisch: Woord en sacrament

A.F.N. Lekkerkerker laat in een preekschets over Psalm 34:9 weten: ‘In de vroegchristelijke kerk werd deze psalm gezongen (gebeden, maar zingen en bidden is in de kerk eigenlijk hetzelfde) tijdens de viering.’ Hij wijst op Cyrillus van Jeruzalem en op de Apostolische Constituties. Bij Cyrillus is te lezen: ‘Daarna hoort gij, dat de zanger u met goddelijke melodie tot de deelname aan de heilige geheimenissen uitnodigt met de woorden: Smaakt en ziet, hoe vriendelijk de Heer is.’ De Apostolische Constituties schrijven voor: ‘Terwijl alle anderen communiceren, behoort de 34e psalm gebeden te worden.’ Volgens Lekkerkerker vermelden ook de Afrikaanse liturgie en Augustinus deze psalm tijdens de communie, waarbij het onder andere om vers 9 gaat. De auteur merkt nog op: ‘Trouwens, de kerk van Engeland zingt deze psalm nog altijd aan het begin van de viering.’ In het vervolg van de preekschets benadrukt hij de realis presentia (letterlijk: ‘werkelijke aanwezigheid’) van de Heer in het Heilig Avondmaal.

Eerder had J. Koopmans daarover geschreven, eveneens in een preekschets over Psalm 34:9, onder de titel ‘Voorbereiding’. Hij schrijft: ‘Wij gaan het heilig Avondmaal vieren. Daar wordt het ons te smaken, te proeven gegeven, dat de Heere goed is. Wanneer wij alleen maar hooren, kunnen we het moeilijk gelooven. Want alwat wij zien is in tegenspraak tot wat wij ‘hier’ – Koopmans schreef de schets in Amsterdam, voor 1 oktober 1944, ‘(…) nu het geweld van den oorlog ons lijfelijk nabij komt’, JDThW – hooren. En wij leven nu eenmaal veel lichamelijker dan wij wáár willen hebben! Het is ons bijkans onmogelijk op het Woord alléén af te gaan, en te gelooven dat dit zijn kracht behoudt, al zijn alle feiten daartégen. Maar in het heilig Avondmaal komt de Heere Jezus ons op bijzondere wijze nabij. Zijn tegenwoordigheid wordt door ons gegeten en gedronken. Hij geeft ons Zijn heilig kruislijden niet alleen te horen, maar ook te proeven.’

III - Dogmatisch: taal en teken

C. van der Kooi heeft opgemerkt dat het concrete proeven, smaken, eten en drinken van brood en wijn in het Heilig Avondmaal voor Calvijn een meerwaarde had waar wij nauwelijks meer een notie van hebben: ‘Calvijn is beducht dat het uitwendige teken ‘slechts’ een teken wordt, een nuda figura. De zaak zelf en de waarheid zijn met het teken verbonden.’ Met de woorden van de Reformator zelf: ‘Het (sacrament) roept ons in herinnering, dat Hij ons tot brood des levens is geworden, dat ons steeds weer voeden moet. Het verzekert ons een proeven en smaken van dit brood, en doordat het dat doet, bewerkt het dat wij de kracht van het brood ervaren. Ik ervaar het meer dan ik het kan begrijpen.’

Lekkerkerker geeft nog wel een waarschuwing over Psalm 34: 9 in een avondmaalsdienst af: ‘In de prediking over deze tekst zal echter gewaakt moeten worden voor het gevaar het ‘smaken’ en ‘zien’ in het Avondmaal als een meer reële gemeenschap met de Heer, een meer intense ervaring van deze gemeenschap uit te beelden dan die gegeven wordt in het ‘horen’ van het Woord. Er is een ‘realis praesentia’, ook in de prediking! Wie meent een geheel eigensoortige praesentia van Christus te ontvangen in het Avondmaal, is bezig dit tot een stukje hemel-op-aarde te maken en uit te willen gaan boven de situatie van door-het-geloof-alleen. Ook bij het ‘smaken’ en ‘zien’ zijn wij aangewezen op het Woord der belofte, dat wij in geloof mogen aangrijpen. Maar er is wel een bijzondere wijze van tegenwoordigheid des Heren in het Avondmaal: wij mogen nu horen en zien, tasten en proeven, dat de Here goed is.’ In dit verband zij vermeld dat Psalm 34: 9 wel in 1 Petrus 2: 3 geciteerd wordt, maar dat in het hele epistel met geen woord over het Heilig Avondmaal gerept wordt. Naar aanleiding daarvan schrijft Van Houwelingen: ‘Centraal staat de smaak van het Woord en dus niet de ervaring bij het Avondmaal, zoals deze tekst later wel is opgevat (Wohlenberg). (…) Men proeft Gods genade en goedheid vooral in zijn Woord.’