Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preken over Dordt: DL III/IV, 1-6

Dordtse Leerregels III/IV, 1-6

Thema: Zicht krijgen op de mens, heilzaam schokkend!

Zie ook

De leefwereld van de hoorders

Binnen de gemeente zal menigeen een christen zien als een parel in Gods hand. Hierachter gaat een positief mensbeeld schuil. De mens ‘mag er zijn’. De mens heeft de aandacht te krijgen die hij of zij verdient. Een mensmiddelpuntig denken. Deze mens heeft het ondertussen wel zwaar. Hij moet zijn eigen leven zelf vorm geven. Het leven lijkt af te hangen van eigen prestaties.

De mens die veel voor anderen betekent, wordt gezien als een goed mens. De gedachte leeft dat God er niet anders over zal denken. Gods gedachte dus als een verlengde van onze gedachten.

Er zullen ook hoorders zijn die vanuit hun eigen leven of door een inkijk in de samenleving weten hoeveel kwaad, ellende en narigheid er is. Schokkend veel.

Uitleg

God heeft de mens naar Zijn beeld geschapen. Helemaal goed en gaaf in verstand, in wil en hart; in genegenheden (affecten). Deze mens is echter diep gevallen. Het onderscheid tussen eerst en later is als licht en duisternis (DL III/IV, 1). Deze zonde is niet het gevolg van navolging (Pelagius). De mens is van nature verdorven, slaaf van kwaad en zonde, Gods toorn waard (DL III/IV, 2-3). Er is weliswaar nog enig licht in de mens overgebleven: enige kennis van goed en kwaad, een bepaalde mate van rekening houden met Gods geboden. Er is echter totale duisternis als het gaat om ware kennis van God (zaligmakende kennis). Het licht dat nog in de mens is, werkt niet ten goede. Integendeel. De mens fabriceert er zijn eigen godsbeeld (afgodsbeeld) mee en werkt zich zo nog verder bij God vandaan (DL III/IV, 4). Ook Gods goede wet verschaft geen weg naar God terug. Het stelt de mens juist temeer schuldig (DL III/IV, 5). Kortom: de mens kán niet tot God komen, hij wíl niet tot God komen. Hij werkt zich steeds verder bij God vandaan!

Alleen van boven kan er een weg geopend worden. God gééft genadig een weg in het evangelie van de Messias. God werkt door Geest en Woord wat het overgebleven licht in de mens en de wet niet kunnen doen. Dit is het wonder van de wedergeboorte (DL III/IV, 11-12).

Relevante Bijbelgedeelten

  • Genesis 3:1-15, rebellie van de mens tegen God.

  • Genesis 6:5 en 8:21, voor én na de zondvloed blijken de gedachten van het hart van de mens geheel slecht te zijn.

  • Psalmen 51, David ziet meer dan zijn begane zonde. Hij stoot door tot de schokkende werkelijkheid in zonde ontvangen en geboren te zijn.

  • Johannes 3:1-8. De godsdienstige mens Nicodemus dénkt iets te weten. Zijn gedachten zijn echter ‘uit het vlees’. Alleen door de Geest, opnieuw geboren, gaat de mens de dingen van Gods heil zien.

  • Romeinen 3:9-18. Schokkende röntgenfoto van het hart van de mens.

  • Efeziërs 2:1-10. Dood zijn in de zonde is vol verzet zijn tegen God. Gód maakt met Christus levend. Hij schenkt nieuw geestelijk leven.

  • Filippenzen 2:12, 13. Het willen en werken is uit Gód, naar Zijn welbehagen.

  • Revelante gedeelten uit de belijdenisgeschriften: Heidelbergse Catechismus, Zondag 3; Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 14, 15 en 17.

Aanwijzingen voor de verkondiging

Homiletische aspecten

  • Het beeld dat hier van de mens wordt geschilderd, zal aversie oproepen. Daarom is het belangrijk om de relevantie van deze schildering duidelijk onder woorden te brengen. Met het oog op de relevantie kan benoemd worden dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken. Alleen tegen een geheel donkere achtergrond gaat het licht van het evangelie helder schijnen. Wanneer de mens alles wordt afgenomen, kan het heil alleen van boven verwacht worden. Zo alleen is er redding en behoud en ontvangt God de eer.

  • God geeft nog veel goeds op aarde. De Schepper heeft Zijn handen niet van Zijn schepping afgetrokken. Mensen kunnen daarom nog veel voor elkaar betekenen. Het is belangrijk om dit te benoemen en duidelijk te maken in welk opzicht de mens dan wél totale duisternis is.

  • Rond de vrije wil kunnen allerlei vragen leven. In hoeverre kunnen wij wel of niet willen? In het gewone leven hebben wij de mogelijkheid om allerlei keuzes te maken. Onze wil is echter geheel onwillig om van harte tot God terug te keren en voor Hem te leven. Wat het laatste betreft hebben we geen vrije wil.

  • In het klassieke gereformeerde doopformulier staan de woorden: ‘in de eerste plaats zijn wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren’. In het gesprek met doopouders stuiten deze woorden regelmatig op onbegrip. In de preek kan bij deze gedeelde ervaring worden aangehaakt.

  • De mens wordt buiten spel gezet. Hij kan zich zelfs niet enigszins geschikt maken voor God. Actualiserend is het volgende te zeggen: de mens is vanuit zichzelf niet in staat en van zins om voor God te kiezen (evangelisch gedachtegoed). Het is ook geen optie om als ‘onbekeerd mens’ een eerste stap naar God toe te doen door zo vroom mogelijk voor God te leven (bevindelijk-reformatorisch gedachtegoed). Zowel activisme als lijdelijkheid is vijandschap tegen God.

  • De verdorvenheid van de mens zal in de preek niet als een stand van zaken worden gepresenteerd. De zondige mens zal in de preek coram Deo worden neergezet. Zo kan voorkomen worden dat er alleen maar bekende klanken klinken waar niemand meer van opkijkt.

  • De verdorvenheid van de mens is reden tot diepe verootmoediging. Gods komen is enkel genade. Het wonder van de genade geeft God alleen de eer.

Pastorale aspecten

  • Mensen met psychische klachten kunnen gedeprimeerd raken wanneer ze horen dat de mens totaal verdorven is. Benoemd zal worden dat het in deze artikelen gaat om een theologisch gezichtspunt: de mens als zondaar voor God en de vraag hoe hij zalig wordt. Het gaat hier niet om de psychische kant van het mens zijn: de mens die schepsel is en blijft en daarom van grote waarde is.

  • Mensen kunnen zich afvragen wanneer ze hun zonde diep genoeg kennen. Er is genoeg kennis wanneer de mens bij Jezus alleen zijn heil zoekt.

  • De confrontatie met de zonde is schokkend. Door het licht van de Geest van God leert een mens zichzelf enigszins kennen (vgl. Jeremia 17:9). In de confrontatie met zichzelf gaat de mens als langs een afgrond waarin een blik geworpen wordt. Er is echter een machtige Vaderhand die hem vasthoudt om een val ín de afgrond te voorkomen.

  • De schildering van de zondige mens is schokkend. De confrontatie is echter ook bevrijdend! Zeker in een cultuur waarin alles van de mens en zijn prestatie afhangt. De mens kán het op geen enkele wijze voor God redden, maar hóeft het ook niet voor God te redden. Gód komt redden! Hij gaat iets nieuws scheppen en onderhouden (de wedergeboorte). Dit geeft lucht en ruimte.

Liturgische aanwijzingen

  • Psalmen 6, 14, 25, 32, 51, 86, 130 en 143.

  • Liederen uit WK: 368, 369, 370, 475, 487 en 488.

Literatuur

  • C. den Boer, Om ’t eeuwig welbehagen (verhandelingen over de Dordtse leerregels), Utrecht 1975, 3e druk.

  • G. van den Brink, Dordt in context. Gereformeerde accenten in katholieke theologie, Heerenveen 2018.

  • W. Dekker, Vaste grond, werkboek bij de Dordtse Leerregels, ’s-Gravenhage 1984, p. 117-145.

  • J.C.S. Locher, De Dordtsche Leerregels, ‘s-Gravenhage 1982 (2e druk).

  • C.A. van der Sluijs, Dordt vandaag. Actualisering van de Dordtse Leerregels. Over Godsverlichting temidden van Godsverduistering, Leiden 1996 (2e druk).

  • W. Verboom, De belijdenis van een gebroken kerk. De Dordtse Leerregels – voorgeschiedenis en theologie, Zoetermeer 2005.

  • W. Verboom, Van hart tot hart, Over de Dordtse Leerregels. Voor het gesprek in de gemeente, Zoetermeer 2009.

  • W. Verboom, Dichtbij Dordt. Over de roeping en de troost van de kerk 1618-2018, Willem de Zwijgerstichting Reformatorische stemmen 2018-1, p. 36-37 en 44-45.

Deze preekschets is voortgekomen uit de cursus ‘Preken over Dordt. Kansen en mogelijkheden voor preken over de Dordtse leerregels’, gehouden op 31 mei en 1 juni 2018.

Deelnemende predikanten:
B.J. van Assen, C. Boele, H. Drost, A. van Duinen, P.J. Krijgsman, L. Plug, M. Noorderijk, L. van Rikxoort, S.J. Verheij, W. van Weelden en C. van de Worp.

Begeleiding en eindredactie preken:
W.H.Th. Moehn, bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond aan de PThU.