Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preken over Dordt: DL III/IV, 11-17

Dordtse Leerregels III/IV, 11-17

Thema: Het wonder van de wedergeboorte

Zie ook

De leefwereld van de hoorder

Het thema ‘het wonder van de wedergeboorte’ roept in het algemeen bij veel mensen weinig op. Het staat ver van hun leefwereld af. Ook bij kerkgangers is dat waarschijnlijk niet echt anders. Het begrip kan iets oproepen van leerstelligheid en dogmatiek waar men doorgaans niet zo veel mee op heeft. Preken dienen vooral praktisch te zijn. Je moet er wat mee kunnen in het dagelijks leven. Kerkgangers kunnen daarnaast nog wel bekend zijn met de term ‘wedergeboorte’, maar het is nog maar de vraag of men dan ook een juiste bijbelse visie op de inhoud ervan heeft. Voorgangers zullen zich dat ook aan moeten trekken. Want wanneer wordt hier nu over gepreekt?

Daarnaast blijkt ook in kerkelijke kringen hier verschillend over te worden gedacht. Onder kerkgangers in behoudende kerken wordt het nogal eens gezien als een bepaald (begin)moment in het geloofsleven. Er wordt dan nogal eens gefocust op een duidelijke existentiële geloofservaring, een bijzondere gebeurtenis (zoals bij het EO-programma ‘God verandert mensen’), zodat men vanaf dat moment zeker weet dat men wedergeboren is. Omdat velen die speciale ervaring missen, heeft dit nogal eens tot gevolg dat zij in hun leven onzeker blijven over de vraag of zij wel wedergeboren zijn. Ook rond het heilig avondmaal kan dit een rol spelen.

Anderen willen er liever maar niet teveel en te diep over nadenken. ‘Je raakt er alleen maar door in verwarring’, zo zeggen zij. Beter is het om te spreken over geloof.

In evangelische kringen ligt dat weer anders. Soms wordt heel direct de vraag gesteld: ‘Are you a reborned Christian?’ Blijkbaar om onderscheid aan te brengen of je een actief levende christen bent, of dat het geloof er maar wat bij hangt in je leven. Kortom bij ons thema zullen we ons er bewust van moeten zijn dat de beginsituatie onder de hoorders heel verschillend kan zijn. Dit vraagt van de voorganger veel wijsheid en behoedzaamheid.

Doelstelling van de preek

  • De hoorders weten wat de Bijbelse inhoud van het begrip ‘wedergeboorte’ is en kunnen (hun) verkeerde denkbeelden daarvan onderscheiden.

  • De hoorders beseffen, dat het bij de wedergeboorte om een wonder tussen God en de (zondige) mens gaat, waarover we ons alleen maar kunnen verwonderen. Zij zullen daarom niet proberen het geheim rationeel te ontrafelen.

  • De hoorders ontdekken wat de troost ervan is dat we in de Bijbel over wedergeboorte lezen en hoe pastoraal de artikelen DL III/IV, 11-17 dit geheim verwoorden tot bemoediging van zwakke, beginnende gelovigen.

  • De hoorders gaan de middelen die God gegeven heeft gebruiken, omdat de Heere beloofd heeft die te zullen zegenen.

Uitleg

Wedergeboorte komt in DL aan de orde in het kader van belijden, dat God begint in ons leven. Van nature zijn we dood in zonden en misdaden (doopformulier). Daarin brengt Hij verandering. Zijn Geest maakt ons levend, met gebruikmaking van Zijn Woord. Wanneer Hij dat doet, gebeurt er ook daadwerkelijk iets in en met ons. Ons verstand wordt verlicht, ons gesloten hart wordt geopend, onze dode, verkeerde, onwillige en weerspannige wil, maakt Hij levend, goed, gewillig en gehoorzaam. Hij doet ons geloven in Christus. We gaan Hem met hart en ziel liefhebben. We verlangen ernaar om Hem te gehoorzamen en dat geeft ook kracht om Zijn wil te doen, zodat wij als een goede boom vruchten gaan voortbrengen.

Hoewel in de DL bij wedergeboorte vooral het moment, het begin van nieuw leven getypeerd wordt, zien we dat in de andere Nederlandse belijdenisgeschriften (Heidelbergse Catechismus, Zondag 33; Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 24) vooral het proces de nadruk krijgt. Het gaat om een dagelijkse vernieuwing van ons leven, waarbij het om twee dingen gaat: enerzijds het afsterven van de oude mens en anderzijds de opstanding van de nieuwe mens.

Relevante Bijbelgedeelten

Vooral Johannes 3:1-21, het gesprek tussen de Heere Jezus en Nicodemus. Wie graag een oudtestamentische lezing erbij wil, kan Ezechiël 36:22-32 of Psalmen 51 lezen. Andere Bijbelgedeelten zijn: Johannes 5:19-29; Galaten 5:19-26 en 1 Petrus 1.

Aanwijzingen voor de verkondiging

Homiletische aspecten

  • Een belangrijk punt is dat wij niet preken uit de DL, maar wel uit de Schrift over de thema’s, die onze belijdenis aanreikt. Hier dus over de wedergeboorte – wat die inhoudt en uitwerkt. Vanuit de Bijbel(tekst), beter nog een Bijbelse geschiedenis met behulp van Bijbelse personen illustrerend (is minder abstract, herkenbaar) en hier en daar verwijzend naar belangrijke zinsneden in de artikelen van onze belijdenis.

  • Iets wat in de Schrift (en als het goed is ook in onze belijdenis) opvalt, is dat er heel evenwichtig over geschreven wordt. Dat zien we ook in Johannes 3 terug. Niet alleen over wedergeboorte (Johannes 3:1-8), maar ook over geloof (Johannes 3:9-21). Het één is passief, Gods werk zonder ons (opnieuw, van bovenaf geboren wórden), het andere is actief, Gods werk in en door ons (Hem aangenomen hebben, Johannes 1:12). Paulus wekt de gemeente van Filippi er toe op aan hun eigen zaligheid te werken, want ‘het is God, Die in u werkt, zowel het willen als het werken’ (Filippenzen 2:12b-13). Enerzijds is er dus op een bepaald moment door Gods Geest het levend gemaakt worden (DL III/IV, 12), anderzijds wordt onze menselijke natuur niet weggenomen en is er de strijd van het geloof (DL III/IV, 16). Pas daarom op voor eenzijdigheden (passief afwachten, de indruk wekken dat een wedergeboren mens een soort ‘heilige’ geworden is) en probeer (Bijbels) evenwichtig te zijn.

  • Hoewel de wedergeboorte in de DL als een ‘eenzijdig werk van God’ geschetst wordt, vooral als beginpunt, mag het de hoorders zeker niet passief, afwachtend en soms zelfs moedeloos maken, maar juist het tegenovergestelde: verlangend, actief, hoopvol.

  • Dit betekent dat we geroepen worden (de verantwoordelijkheid dragen) om op een goede wijze met de middelen, die de Heere ons gegeven heeft om te gaan, te weten het Woord en de Woordverkondiging. Biddend om de (werking van de ) Heilige Geest. Pleitend op de belofte dat dit niet ongezegend zal blijven. Denk aan de woorden van de Heere Jezus: ‘Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden’ (Lucas 11:9). Belangrijk hierin is ook de doopbelofte, waarin beloofd wordt ‘dat de Heilige Geest in ons wonen zal en ons zal toe-eigenen hetgeen wij in Christus hebben’.

  • De DL hebben vergeleken met de andere belijdenisgeschriften eigen accenten. Dat bracht de toenmalige situatie blijkbaar met zich mee. De DL leggen de nadruk erop dat wedergeboorte een (begin)punt is. De Heidelbergse Catechismus en de Nederlands Geloofsbelijdenis benadrukken wedergeboorte meer als levenslang proces.

  • Er is nog een ander punt waar enige spanning is tussen de DL enerzijds en de HC en de NGB anderzijds. Zo wordt in de DL III/IV, 14 geschreven dat het geloof een gave van God is, die de mens meegedeeld, ingegeven en ingestort wordt. Zo wordt de schijn gewekt dat het geloof een substantie is, dat vervolgens een eigen bestaan kent (Verboom). Het gaat echter bij genade en geloof – zo schrijft hij verder – ‘niet om een door God ingegoten nieuwe hoedanigheid in de mens’, want dan kun je al snel gaan denken ‘dat genade een nieuwe hoedanigheid van die mens wordt’, dus als bezit. Terecht schrijft hij dan, dat het beter is om het geloof te zien als een relatie en dat bekeerde mensen in zichzelf geneigd blijven tot alle kwaad. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat in DL III/IV, 16 iets van dat procesmatige, de strijd van het geloof, verwoord wordt. In ieder geval is het goed als iets van die beide accenten genoemd worden.

  • Uiteraard dient het in de verkondiging er persoonlijk aan toe te gaan. Hoorders zullen zich al luisterend de vraag stellen: ‘Ben ik wel wedergeboren?, en: ‘Hoe kan ik dat weten?’ Hoewel er in de Schrift en onze belijdenis zeker allerlei kenmerken genoemd worden, moeten we ervoor oppassen dat de mens, ook de wedergeboren mens, centraal komt te staan. Geen syllogismus practicus dus. Christus en het geloof in Hem moet centraal staan.

Pastorale aspecten

  • Opvallend is hoe pastoraal onze belijdenis is. In het bijzonder DL III/IV, 13 waar het geheim van de wedergeboorte wordt verwoord als iets wat niet volkomen te begrijpen is (iets tussen de Heere en je hart). Daarnaast dat, als vrucht van het nieuwe leven genoemd wordt: ‘van harte geloven en hun Zaligmaker liefhebben’. Hoe eenvoudig en diep! Zoals Petrus bij de zee van Tiberias: ‘Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd’ (Johannes 21:17, HSV). Zo worden beginnende gelovigen en ‘kleinen in het geloof’ en ook de ‘tobbers’ pastoraal de hand gereikt.

  • Gezien het voorgaande is het ook belangrijk om te laten zien dat God met ieder van ons Zijn eigen weg gaat. Geen vast schema, geen vast model van bekering. Gods werk is heel creatief en veelzijdig. De weg waarlangs Zacheüs, Saulus, Lydia en Timoteüs tot geloof kwamen, was allemaal verschillend. De uitwerking en vrucht was uiteindelijk hetzelfde: geloof in de Heere Jezus Christus, liefde en toewijding aan Hem. Wilhelmus à Brakel laat in zijn Redelijke Godsdienst (Deel I, hoofdstuk XXXI, VII, 4) zien hoe verscheiden de Geest werkt in de wedergeboorte. Dit kan gebruikt worden voor invulling van de preek.

  • Laat de voorganger de wedergeboorte niet als leraar, maar als herder verkondigen. Dus met passie voor het wonder en de genade van God. Laat hij zo preken dat de hoorders uitgedreven worden naar Christus, hen bewegend tot geloof (2 Korintiërs 5). En laat hij erop vertrouwen dat ‘die wonderbare Werkmeester van alle goed’(DL III/IV, 16) het gebruikt in Zijn dienst.

Liturgische aanwijzingen

  • Psalm 25:3 (milde handen, vriend’lijk ogen, zijn bij U van eeuwigheid)

  • Psalm 27:3 (vrije gunst die eeuwig Hem bewoog)

  • Psalm 36:2 (hoe zijn Uw vleug’len uitgebreid! Hier wordt de rust geschonken)

  • Psalm 51:5 (vernieuw in mij een vaste geest, en leer)

  • Psalm 52:7 (Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij ’t hebt gedaan)

  • Psalm 73:13 (Niets is er waar ik in kan rusten)

  • Psalm 116:1 (God heb ik lief)

  • Psalm 119:88 (Gun leven aan mijn ziel)

  • WK 368:5 (tenzij ik word herboren door uw Geest) – n.a.v. berijming Heid. Cat., Zondag 3. Bij de trefwoorden wedergeboorte en bekering de nummers: 34, 398 en 468.

Literatuur

  • C. den Boer, Om ’t eeuwig welbehagen (verhandelingen over de Dordtse leerregels), Utrecht 1975, 3e druk.

  • G. van den Brink, Dordt in context. Gereformeerde accenten in katholieke theologie, Heerenveen 2018.

  • W. Dekker, Vaste grond, werkboek bij de Dordtse Leerregels, ’s-Gravenhage 1984, p. 117-145.

  • J.C.S. Locher, De Dordtsche Leerregels, ‘s-Gravenhage 1982 (2e druk).

  • C.A. van der Sluijs, Dordt vandaag. Actualisering van de Dordtse Leerregels. Over Godsverlichting temidden van Godsverduistering, Leiden 1996 (2e druk).

  • W. Verboom, De belijdenis van een gebroken kerk. De Dordtse Leerregels – voorgeschiedenis en theologie, Zoetermeer 2005.

  • W. Verboom, Van hart tot hart, Over de Dordtse Leerregels. Voor het gesprek in de gemeente, Zoetermeer 2009.

  • W. Verboom, Dichtbij Dordt. Over de roeping en de troost van de kerk 1618-2018, Willem de Zwijgerstichting Reformatorische stemmen 2018-1, p. 36-37 en 44-45.

Deze preekschets is voortgekomen uit de cursus ‘Preken over Dordt. Kansen en mogelijkheden voor preken over de Dordtse leerregels’, gehouden op 31 mei en 1 juni 2018.

Deelnemende predikanten:
B.J. van Assen, C. Boele, H. Drost, A. van Duinen, P.J. Krijgsman, L. Plug, M. Noorderijk, L. van Rikxoort, S.J. Verheij, W. van Weelden en C. van de Worp.

Begeleiding en eindredactie preken:
W.H.Th. Moehn, bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond aan de PThU.