Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preken over Dordt: DL V

Dordtse Leerregels V

Thema: Volharding en zekerheid

Zie ook

De leefwereld van de hoorder

We leven in een tijd die gekenmerkt wordt door onzekerheid. We kunnen daarbij denken aan wat er in de wereld allemaal aan de hand is, maar ook in de kerk en in ons persoonlijk leven. Je kunt onzeker zijn over je baan als gevolg van de zogenaamde flexibilisering van de arbeidsmarkt of over je pensioen. Via de digitale wereld ontmoeten wij elkaar steeds vaker, maar echt contact wordt meer en meer gemist. Voortgaande technologische ontwikkelingen geven ons veel mogelijkheden, maar doorgaans ook veel nieuwe (vaak ethisch ingewikkelde) vragen. Het individu staat in het centrum, maar dreigt zo ook alleen te staan in zijn of haar existentiële zoektocht. De secularisering en de kerkverlating worden door media telkens in beeld gebracht en kunnen zo ook onzeker maken. Daarnaast maken veel mensen zich zorgen over de opmars van de Islam en de dreiging van grote (internationale) conflicten. Bovendien lijkt ieder zijn of haar eigen waarheid te hebben. Wat echt belangrijk is, is hooguit een mening.

Dit alles kan je als christen onzeker maken over het eigen staan in het geloof. Houden wij het wel vol? Zullen wij vroeg of laat niet van het geloof afvallen? Veel (groot)ouders zien het letterlijk gebeuren bij hun afhakende of reeds afgehaakte (klein)kinderen. Een veel gehoorde uitspraak is: ‘Mijn kinderen doen er niet meer aan’. Is er troost te vinden in de volharding van de heiligen? Hoe zit het met het verbond en doop? Kun je daar dan op terugvallen? De vraag is of ouders zelf vaak wel genoeg fundament hebben om hun kinderen in het geloof voor te gaan. Ook in orthodoxe kringen is geloof soms niet meer dan een dun laagje vernis. Daarnaast zijn er die zo zeker lijken te zijn, dat het geloof haar strijdkarakter heeft verloren. Maar waar is die zekerheid op gebaseerd? Het gevaar voor geariveerdheid is reëel. Aan de andere kant kan het jarenlang zitten onder een eenzijdige prediking de onzekerheid cultiveren. Twijfel en onzekerheid kunnen dan al snel gaan functioneren als kenmerk van het ware. Dit heeft ook weer weerslag op het gemeenteleven (denk aan avondmaalsmijding). Hoe kom je nu echt tot geloofszekerheid? Hoe zit het met alle afval? Moeten we dan denken aan de gelijkenis van de Zaaier? Welke troost biedt dan de volharding van de heiligen?

Uitleg

Op weg naar de veilige haven van het eeuwige leven fungeert de volharding van de heiligen als een anker voor het geloof dat haar strijd en aanvechting kent. DL V zet in met te wijzen op het reeds en nog niet van de verlossing van de zonde. Wie in Christus is, is verlost van de slavernij van de zonde, maar nog niet van het vlees en het lichaam van de zonde (DL V,1; voor de uitdrukking ‘lichaam van de zonde’ zie Romeinen 6:6). Het gaat hier om de blijvende strijd tussen vlees en Geest (zie Galaten 5:17; ook Romeinen 7:18). Deze strijd spoort ons echter aan om het van de Drie-enige God alleen te verwachten en alles wat nodig is bij Hem te zoeken (DL V, 2). Het gaat om een afzien van eigen krachten en het leren zien op Gods trouw Die ons Zijn barmhartigheid bevestigt en Die ons tot het einde toe zal bewaren (DL V, 3). Dit is een reactie op de remonstranten die leerden dat de volharding afhangt van de vrije wil van de mens. Volgens hen is het een keuze van de wil om te volharden. God geeft daarvoor dan de kracht die nodig is. De DL stellen echter dat de wil verdorven is en dat daarom alleen Gods kracht en genade volharding en zekerheid kan geven. Besef van eigen zwakte leert ons juist te waken en te bidden om niet in verzoeking geleid te worden (DL V, 4; zie ook Heidelbergse Catechismus, Zondag 52 v&a 127). Door te zondigen kan het gevoel van zekerheid tijdelijk verloren gaan (DL V, 5). Maar Gods verkiezende liefde neemt de Geest van de Zijnen niet weg, zodat zij verloren kunnen gaan (DL V, 6). De DL zetten Gods Woord centraal in de bewaring als zij stellen dat ‘God Zijn onveranderlijk zaad (dat is: het Woord) in hen bewaart, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat zij niet vergaan of weggeworpen worden’ (DL V, 7). Het gaat hier volgens Verboom om het toegepaste Woord zoals dat tot hun harten eenmaal ingegaan is bij de wedergeboorte (Verboom, De belijdenis van een gebroken kerk, p. 247). Ditzelfde Woord vernieuwt door de kracht van de Geest hun leven. Hierdoor komt er droefheid over de bedreven zonden en een vragen om vergeving op grond van Christus’ Middelaarswerk. Daardoor ervaren zij Gods genade over hun leven, aanbidden Hem erom, en zullen ijveriger met hun zaligheid bezig zijn. Gods verkiezing is vast; anders zouden zij afvallen (DL V, 8). De volharding hangt Goddank dus niet af van de wil van de mens, zoals de remonstranten leerden (zie verwerping dwaling DL V, 2). Er is zekerheid over de volharding mogelijk naar de maat waarmee men gelooft een levend lid van de kerk te zijn, vergeving van zonden en het eeuwige leven te hebben (DL V, 9). Hierin volgen de DL de apostolische geloofsbelijdenis. De Geest is immers in het bijzonder werkzaam in de gemeenschap van de kerk, die de bruid van Christus is (DL V, 15). Zekerheid ontvangt de gelovige niet door bijzondere openbaringen, zoals de remonstranten leerden (zie verwerping DL V, 5), maar berust op de ‘betrouwbare beloften van God’ (DL V, 10). Daarin ligt de zekerheid voor het geloof, evenals in het getuigenis van de Heilige Geest (zie Romeinen 8:16) en in ‘het ernstige en heilige ijveren voor een goed geweten en voor goede werken’. Maar dan wel in die volgorde. Die laatste twee zijn vruchten van het eerste, het geloof, het vertrouwen op Gods beloften (vgl. Heidelbergse Catechismus, Zondag 32 v&a 86). De remonstranten leerden dat een zeker geloof de zekere beloften van God kan aannemen, waarbij de eerste zekerheid in de praktijk bepalend is voor de tweede (Van der Sluis, Dordt vandaag, p. 134). De DL zeggen het omgekeerd, namelijk dat alleen de zekerheid van de zekere beloften van God de zekerheid van het geloof en van de volharding schept in het leven van de gelovigen. Ook klein geloof kent dus zekerheid, namelijk wat betreft de zekere beloften van God. Door Woord en Geest wordt zo de zekerheid van het geloof en van het volharden in het geloven door God Zelf geschonken. Dat neemt niet weg dat de gelovige tegen allerlei twijfelingen (meervoud!) van het vlees heeft te strijden (DL V, 11). In de aanvechting kan men het gevoel missen van de zekerheid van de volharding. Door Gods Geest zal die zekerheid vroeg of laat weer terugkomen. Deze zekerheid van de volharding maakt allerminst zorgeloos (DL V, 12; zie ook DL I, 13). De remonstranten dachten dat zij tot geestelijke luiheid zou leiden (tegenwerping DL V, 6). De DL stellen echter dat de overdenking ervan leidt tot dankbaarheid en tot het doen van goede werken. De zekerheid zet aan tot een leven in godsvrucht. Zij is juist ‘een wortel van nederigheid, kinderlijke eerbied, ware godzaligheid, volharding in alle strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruisdragen en in de belijdenis van de waarheid en van bestendige blijdschap in God’. Gelovigen zoeken daarom in die zekerheid te blijven, vuurbang als zij zijn dat Gods aangezicht van hen wordt afgewend (DL V, 13). De DL benadrukken in alles het primaat van Gods Woord. Zo is Hij het werk van genade in het leven van de gelovige begonnen (door de prediking van het Evangelie), maar zo ‘bewaart, onderhoudt en volbrengt Hij het ook door het horen, lezen en overdenken ervan en ook door vermaningen, dreigingen, beloften en het gebruik van de heilige sacramenten’ (DL V, 14). Het gebruik van de middelen moet men dus vooral niet nalaten (zie ook DL I, 16, III/IV, 17). Het nieuwe leven uit God brengt vruchten teweeg (zie DL III/IV, 11). Vruchten waaruit je met terugwerkende kracht je verkiezing kunt afleiden. De DL noemen in DL I, 12 de volgende kenmerken: ‘het ware geloof in Christus, kinderlijke eerbied voor God, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enzovoort’. Zo is de Bruid van Christus herkenbaar (DL V, 15). De leer van de volharding is haar ‘onwaardeerbare schat’.

Relevante Bijbelgedeelten

Als Schriftlezingen valt te denken aan Psalmen 32, Psalmen 56, Johannes 21:15-19, Romeinen 7:14-26, Romeinen 8:31-39, 1 Korintiërs 1:4-9 en Hebreeën 11 (gedeelten daaruit).

Niet alle artikelen uit DL V zullen gelezen kunnen worden, maar in elk geval wel de artikelen 1, 2, 3, 6, 9, 10 en 14.

Aanwijzingen voor de verkondiging

Het is denkbaar meer het accent te leggen op volharding of om dat meer te doen op geloofszekerheid. Wanneer men de volharding benadrukken wil, kan het volgende als leidraad gelden.

  • De preek zou kunnen inzetten met de vraag: Hoe zeker ben je van je redding, van je behoud? Als je door genade gered bent en je zo een kind van God weet, hoe zeker kun je er dan van zijn dat je dat ook blijft?

  • Het slothoofdstuk van de DL gaat over de volharding van de heiligen, d.w.z. van de gelovigen. De DL stellen, dat wanneer tot God bekeerden aan hun eigen krachten overgelaten worden, geen stand kunnen houden, maar door de trouw en de barmhartigheid van God bewaard worden bij de genade (DL V, 2).

  • Dat is mooi gezegd, maar is de praktijk niet anders? Iedereen kent verhalen (uit eigen omgeving) van mensen die actief waren in en betrokken bij de kerk/gemeente en die nu ‘afgevallen’ zijn. Of die, met verdriet in het hart, zeggen moeten: ‘Mijn kinderen doen er niet meer aan.’ Ze werden gelovig opgevoed, gingen naar de zondagsschool of kindernevendienst, naar een christelijke school, waren trouwe catechisanten en deden zelfs belijdenis en toch haakten ze af.

  • Het bovenstaande is niet iets van vandaag of gisteren, maar van alle tijden. Te denken valt aan het volk Israël, dat zich ook steeds van God afkeerde en afvallig werd. Als hier niet iets bij wordt gezegd, is het ‘on-troost’, maar wanneer wordt gewezen op de trouw van God kan het tot bemoediging zijn. God zoekt zijn afvallige en dwarse volk steeds weer op. In de weg van berouw en bekering haalt God zijn volk weer naar zich toe.

  • Overigens kan het ook zijn dat er van werkelijke bekering nooit sprake was. Dat het ging om ‘uitwendige godsdienst’ en het zaad dat gestrooid werd, nooit werkelijk wortel schoot, waardoor het beginnende plantje verlepte en ten slotte dood ging.

  • Het is zaak duidelijk te maken dat ook voor een verloste niet geldt, dat we nu geen zondaar meer zijn en geen zonden meer doen. DL V, 1 zegt dat God wel verlost van de heerschappij en de slavernij van de zonde, maar dat Hij de gelovigen in dit leven niet volkomen verlost ‘van het vlees en het lichaam der zonde’. We zijn ‘onheilige heiligen’. Het blijft waar wat Paulus schrijft in Romeinen 7:14: ‘Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.’ De ontdekking van Kohlbrugge! Het is niet een uitspraak van Paulus vóór zijn bekering, maar van daarna en maakt duidelijk dat we steeds opnieuw bekeerd moeten worden.

  • Dit valt eventueel te illustreren aan de hand van bijbelse figuren zoals David en Petrus.

  • Dat God ervoor zorgt dat die bij Hem horen ten einde toe bij Hem horen, zou van de gelovigen zomaar zorgeloze mensen kunnen maken. Dan zou het er niet meer toe doen hoe we leven (‘Christus heeft voor ons voldaan, laat ons naar de kermis gaan’). Uiteindelijk redt God ons toch. Maar dit is onbestaanbaar; vgl. Heidelbergse Catechismus, Zondag 24 v&a 64.

  • Dat er geen afval van de heiligen is, is troostvol en bemoedigend, omdat de redding niet van ons afhangt, maar vastligt in God. Zijn verkiezende liefde is onveranderlijk. We hoeven aan Gods genade niet te twijfelen! Bij alles waar we onzeker over zijn is onze redding in Christus zeker.

  • Die zekerheid hoeven we niet te zoeken in een bijzondere openbaring of een opzienbarende bekering, niet in het spectaculaire, maar in Gods beloften die ja en amen zijn. Om daar meer en meer doordrongen van te raken heeft God ons de prediking van het evangelie en de sacramenten gegeven (vgl. DL V, 14). Daarom is het goed de gemeente op te roepen trouw te zijn in de deelname aan de kerkdiensten, maar ook te volharden in het gebed, in het lezen van de Schriften, enzovoort. Kortom: de ‘middelen’ te gebruiken.

  • In lijn met DL V, 15 mag de preek uitlopen op een doxologie: ‘Hem, de enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.’

  • Wanneer men meer de nadruk wil leggen op geloofszekerheid, kan men de volgende route bewandelen.

  • Zet het belang van zekerheid uiteen. We jagen op allerlei manieren zekerheden na in het leven. Hoe belangrijker hetgeen is waar de zekerheid zich op richt, hoe belangrijker het ook is om daar zekerheid over te hebben. Zeker zijn over wat voor weer het morgen wordt, is minder belangrijk dan zekerheid te hebben over de veiligheid van je kinderen. Zekerheid in het geloof raakt voor de gelovige zijn of haar (eeuwig) behoud. Zal ik uiteindelijk bij de Heere mogen zijn?

  • Onder andere over die zekerheid ging het in Dordt. Volgens remonstranten (en bijv. ook katholieken) kun je geen zekerheid hebben. Dordt zegt van wel. Hoe dan?

  • Gebruik het beeld van een huis. De fundering wordt gevormd door het Woord, de vaste zekere beloften van God. De Schrift is als het anker van een schip te midden van de stormen van aanvechting en twijfel (zie bijv. Psalmen 56). Mensen willen nog wel eens ‘een briefje uit de hemel’. Tot onze zekerheid heeft de Heere ‘een boek uit de hemel’ gegeven, vol beloften.

  • Benoem hier de gevaren voor het geloofsleven. Wij steunen soms teveel op ons gevoel. We verwachten het, net als de remonstranten, van bijzondere openbaringen en ervaringen. Bijzondere ervaringen mogen een plek hebben, maar moeten altijd tot het Woord terug te leiden zijn.

  • Dan is er in het geloofsleven ook de strijd tussen vlees en Geest (Romeinen 8; Galaten 5). Is die strijd gaande in ons leven? Dat is een goed teken (DL I, 12; V, 7). Het leven in de zonde (naar het vlees) geeft onzekerheid. Dat moet ons dringen tot waken en bidden (DL V, 4).

  • Het Woord is het fundament van de zekerheid. Toch zijn er ook andere ondersteunende elementen. Zij mogen tot bevestiging en versterking zijn voor het geloofsleven. Men mag ze ‘in zichzelf met geestelijke blijdschap en heilige vreugde waarnemen’ (DL I, 12). Leg hier de drie ‘kenmerken’ uit zoals DL V, 10 die geeft. Benadruk dat het Woord voorop gaat.

  • De zekerheid wil aanzetten tot een leven dichtbij de Heere (DL V, 12). Die zekerheid wil je toch niet te grabbel gooien? Voor een waar gelovige is het verliezen van die zekerheid bitterder dan de dood (DL V, 13). Kunnen wij leven zonder die zekerheid? Of is er een hunkering naar meer?

  • Wie die zekerheid mist, zal er met alles wat in hem of haar is naar willen zoeken. Hoe doe je dat? Door de middelen te gebruiken (DL V, 14). Werk hier het belang uit van het komen onder het Woord en het gebruik van de sacramenten. Benoem ook de troost die hoort bij een trouw gebruik ervan (DL I, 16). Wie niet in de regen staat, zal niet nat worden. Wie het wel doet, mag grote dingen verwachten.

  • Zoals er verschillende twijfels zijn (DL V, 11), zo zijn er ook verschillende gradaties in zekerheid (DL V, 9). Een klein geloof kent echter ook zekerheid. De zekerheid ligt immers in de zekere beloften van God.

  • De DL laten uitkomen dat het de Heere is die de zekerheid geeft door Zijn Woord en Geest. De gelovigen komt Hij steeds weer achterop om ze die zekerheid te geven en te leren, totdat ze bij Hem eenmaal thuiskomen.

  • DL V, 15 noemt de zekerheid van de volharding een ‘onwaardeerbare schat’. Zij is verdiend door het werk van Christus. Kom hierbij terug op het begin over het belang van zekerheid. Is deze zekerheid al onze schat geworden?

Pastorale aanwijzingen

Vragen omtrent zekerheid en volharding gaan ten diepste over ons houvast in het leven. Is mijn leven met Christus verborgen in God (Kolossenzen 3:3) en mag ik weten dat ik eenmaal veilig in het Vaderhuis aan zal komen en dat mij daar door Christus plaats bereid is (Johannes 14:2)? Het mag duidelijk zijn dat deze diep existentiële vragen met de nodige eerbied en zorgvuldigheid moeten worden behandeld. Laten we oppassen om zaken te bagatelliseren of met te gemakkelijke oplossingen te komen. Juist in de strijd waarin het levende geloof zich bevindt, mag het zicht op Gods beloften, op Zijn kracht en bewaring om Christus’ wil, tot houvast en grote troost zijn.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 32, Psalm 56:5 en 6 (o.b.), Psalm 89:7 en 13 (o.b.); Lied 968 (Liedboek 2013) = Gezang 303 (Liedboek 1973), Gezang 292 (Liedboek 1973).

Bijlage

Gebed voor mijn kinderen

Ik kan mijn kind'ren het geloof niet geven.
Genade is niet bij de erfenis.
't Gebed voor hen is mij nog slechts gebleven,
dat 'k in Uw rijk straks geen der kind'ren mis.

Ik kan mijn kind'ren het geloof niet geven.
Dus pleit ik daag'lijks Heer op Uw Verbond.
U was er bij de aanvang van hun leven
en toen U vol genade bij hun doopvont stond.

U hebt beloofd: Ik wil altijd je Vader zijn.
Ik weet niet of ze nog Uw kind'ren willen wezen.
Dat is o grote God mijn twijfel en mijn pijn.
Ze leven dikwijls bij U weg naar ik moet vrezen.

Vader ik wil voor al mijn kind'ren vragen
en buig mijn knieën voor U elke dag:
Wilt U ze in Uw groot erbarmen dragen.
Bewaar ze dicht bij U tot aan hun laatste dag.

ds. Sikko Landheer (uit: Er komt een dag, Kampen, 1990).

Literatuur

  • C. den Boer, Om ’t eeuwig welbehagen (verhandelingen over de Dordtse leerregels), Utrecht 1975, 3e druk.

  • G. van den Brink, Dordt in context. Gereformeerde accenten in katholieke theologie, Heerenveen 2018.

  • W. Dekker, Vaste grond, werkboek bij de Dordtse Leerregels, ’s-Gravenhage 1984, p. 117-145.

  • J.C.S. Locher, De Dordtsche Leerregels, ‘s-Gravenhage 1982 (2e druk).

  • C.A. van der Sluijs, Dordt vandaag. Actualisering van de Dordtse Leerregels. Over Godsverlichting temidden van Godsverduistering, Leiden 1996 (2e druk).

Deze preekschets is voortgekomen uit de cursus ‘Preken over Dordt. Kansen en mogelijkheden voor preken over de Dordtse leerregels’, gehouden op 31 mei en 1 juni 2018.

Deelnemende predikanten:
B.J. van Assen, C. Boele, H. Drost, A. van Duinen, P.J. Krijgsman, L. Plug, M. Noorderijk, L. van Rikxoort, S.J. Verheij, W. van Weelden en C. van de Worp.

Begeleiding en eindredactie preken:
W.H.Th. Moehn, bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond aan de PThU.