Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Van uitleg naar vertolking

Dit is een fragment uit Over God gesproken. Preken in theorie en praktijk.

Zie ook: De preek als performance

Wie een preek voorbereidt, besteedt vrij veel tijd aan de uitleg van de bijbelgedeelten die als Schriftlezing op zondag in de kerk worden gelezen. Dat onderzoek naar de tekst zal in grote lijnen bepalen wat er in de preek gezegd zal worden, ook al komt al dat gepuzzel niet op de preekstoel. Het meeste blijft studeerkamerwerk. Maar wie hiervoor de tijd niet neemt, gaat te lichtvaardig om met het ‘Woord van God’. Toch levert al dat onderzoek en vertaalwerk nog geen preek op. Wie een preek voorbereidt, stapt op een bepaald moment ook uit de Bijbel en stapt het leven van de gemeente binnen en kijkt rond in de wereld. Dat vergt moed en een goed ontwikkeld theologisch inzicht. Noordmans zegt dat vertolken nog iets anders is dan vertalen. ‘Het is persoonlijker en daardoor vrijer. De tolk staat in levende lijve mee in de zaak en is daarom minder aan de letter gebonden dan de overzetter. Er is in onze tijd veel sprake van het vertalen van de boodschap der kerk in de taal van de moderne mens. Men bedoelt dan eigenlijk wat ik zo even een vertolking noemde. Een min of meer vrije, aan de zaak zelve georiënteerde en aan de situatie aangepaste overbrenging, die in een persoonlijke sfeer gehouden wordt. De vertolker gaat er niet van uit, dat voor iedere oude letter een andere in de taal der modernen zou gereed liggen. Dan zou hij inderdaad kunnen volstaan met een vertaling. Neen, hij hoopt en bidt, dat de Geest zijn verkondiging moge levend maken, zodat zij ook werkelijk open komt te liggen voor de harten en de harten voor haar. En toch moet en zal hij tolk blijven. Hij mag het zijne niet spreken.’ 1 Dit laatste naar aanleiding van een tekst uit het Evangelie van Johannes: ‘Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen.’ (Johannes 16:14, HSV)

Dat ‘in levende lijve mee in de zaak staan’ houdt een gelovig en theologisch engagement in. Dat zegt ook iets over de manier waarop we de Bijbel uitleggen. De homiletische exegese is erop gericht om te ontdekken wat de tekst ons nu te zeggen heeft. Dus onze situatie en de context waarin de gemeente nu leeft, doen mee in de exegese. Dat sluit overigens niet uit dat de predikant de tijd neemt voor kritisch-literair onderzoek. Maar op een bepaald moment moet de tolk aan het werk. En de tolk heeft vertrouwen in de overgeleverde tekst en neemt positie in over de inhoud van de tekst. De tolk blijft niet steken in de grammatica en tekstcompositie, maar speurt naar ‘het gezegde’, naar de inhoud, en deinst niet terug voor de waarheidsclaim van de teksten. Dat reikt verder dan de godsdiensthistorische en literaire analyse. De tolk speurt naar de waarheid en de werkzaamheid van God in de teksten.

Bij de voorbereiding voor een preek komt het erop aan tot de waarheid door te dringen en die gevonden waarheid in de preek dan ook te zeggen. Dat wil zeggen dat een predikant verder moet komen dan de literaire of historische betekenis. Welke aanspraak maakt de tekst nu op ons? Hoe komt de inhoud nu tot leven? Waar wekt het bij ons weerstand? Bij de discussie over de opstanding hebben we gezien dat Wright ervan overtuigd is dat de vroege christenen ‘werkelijk geloofden dat Jezus van Nazareth lichamelijk is opgewekt van de dood’. 2 Als bijbelgeleerde zegt hij dat ‘de opvatting dat Jezus lichamelijk uit de dood is opgewekt een ongeëvenaarde kracht heeft om de historische gegevens die het hart van het christelijk geloof vormen uit te leggen’. 3 Maar met deze opmerkingen blijft hij in feite nog binnen het wetenschappelijke discours van de literair-historische bijbeluitleg. Hij heeft het over het geloof in de lichamelijke opstanding van de vroege volgelingen van Jezus. Maar in de theologische uitleg met het oog op de preek moet het verder komen dan deze beschrijving van toen. Delen we dit geloof? Is het ook ons geloof? Wat vraagt het van ons? Het feit dat de eerste christenen dit geloofden brengt mij nog niet tot geloof. In de preek moet op de een of andere manier de opgewekte Christus zelf voor ons gaan leven. Met die vertolking is een predikant in de weer bij de preekvoorbereiding. Dus met de overweging of wij als nieuwe hoorders het geloof van toen delen, en of wijzelf in Christus geloven.

Met deze overwegingen in ons achterhoofd kijken we nog even terug naar de preekopvattingen van Niebergall (zie hoofdstuk 2.5 uit Over God gesproken) en Barth (zie 2.6). Niebergall wil meer speelruimte tussen uitleg en preek en legt er de nadruk op dat de predikant als religieuze persoonlijkheid die ruimte moet benutten door vanuit zijn eigen verstaan van het evangelie in te gaan op de behoefte van de gemeente. Zo krijgt de tolk een grote vrijheid om zelf invulling te geven aan de waarheid-voor-nu. Barth daarentegen blijft dichter bij de bijbelse tekst. Hij zegt wel dat de preek een vrije toespraak is, maar middels de verklaring van de bijbeltekst richt het Woord van God zich tot ons. De tolk mag niet van zichzelf spreken, maar blijft slechts getuige.

De stap van exegese naar vertolking is geen kerkelijke aanvulling, maar hoort bij de Bijbel als heilige Schrift. Spieckermann heeft terecht opgemerkt dat bijbeluitleg niet alleen een kwestie van historische plausibiliteit is, maar ook een vraag naar de adequatio intellectus ad rem. ‘De theologie kan in geen van haar disciplines zich onttrekken aan de aanspraak op waarheid, hoe impopulair die vraag in het huidige wetenschappelijke discours ook mag zijn. De zaak (res) van de bijbelse geschiedenis van God met de mensen wordt naar haar eigen zelf-verstaan alleen hierdoor gerechtvaardigd, dat ze niet is afgesloten, maar steeds weer verleden, heden en toekomst insluit en ontsluit. Alleen leden van geloofsgemeenschappen, die deze dimensie van de waarheid van de geschiedenis van God delen en daarom de gezaghebbende en canonieke aanspraak van de bijbelse geschriften laten gelden, zijn geroepen tot de uitleg van de in deze geschriften betuigde waarheid.’ 4 Dat betekent dat de theoloog zich niet kan beperken tot de historische exegese. De aard van de geschriften brengt een permanente actualisering met zich mee – daarom zijn ze ook te boek gesteld. Het gaat niet puur om de historische interesse, zo zegt Spieckermann, maar om het voortdurend handelen van God. ‘Daarom is de werkelijke uitdaging voor de theologische uitleg het uiteindelijke object van de theologie: God zelf. Hem heeft zij te dienen door waarheidsgetrouwe, geleerde uitleg van de haar toevertrouwde getuigenissen.’ 5

Schriftuitleg met het oog op de preek is dus een voluit theologische arbeid. (1) Het is een speurtocht naar het kerygma, naar het getuigenis over God en mens. Hij zoekt naar de werkelijkheid van de levende God zoals die in deze tekst als Woord van God belichaamd wordt. (2) Homiletische uitleg heeft betrekking op de menselijke existentie, op het slagen of mislukken van het leven voor Gods aangezicht. Het gaat om de existentiële dieptedimensie van een tekst. Bij een puur filologische exegese komt dat zó niet aan de orde. (3) De homiletische exegese beschouwt de plaats van de tekst in het geheel van de canonieke geschriften. Het gaat er dus ook om dat bijbelse dwarsverbanden voor het voetlicht komen en dat grondwoorden van de Bijbel uitgediept worden.

Miskotte hanteert de term theologische exegese. ‘Theologische exegese is een richtpunt en een ordeningsbeginsel om de hegemonie van de didactiek te temmen.’ 6 Hij bedoelt daarmee dat de preek meer is dan schoolse uitleg. In de preek komt het kerygma aan het woord. ‘Het volle kerygma, de ganse raad Gods moet worden “vertolkt”. Uit één bloem, zegt Luther, moet de prediker de ganse weide met bloemen ontvouwen.’ 7 Wat ik homiletische exegese noem en wat Miskotte aanduidt als theologische exegese, verwijst naar hetzelfde fenomeen: in de uitleg van bijbelteksten stoten we op zowel de zelfopenbaring van God als op existentiële lagen van het menselijke bestaan. Beide dimensies – Gods Naam én de condition humaine – komen ter sprake, in zeer uiteenlopende tijden en omstandigheden. De homiletische exegese betreedt de zone van het Heilige als realiteit, zij speurt in de teksten naar sporen van goddelijke openbaring en situationeel menselijk geloof.

Homiletische exegese is als theologische arbeid betrokken op de voortgang en het voortbestaan van de christelijke geloofspraktijk. Kennis van en engagement met de levende godsdienstige praktijk zijn daarbij verondersteld. In die zin is de theologie zowel een normatieve als een kritische wetenschap. Zij stelt zich de vraag: hoe adequaat te geloven, te handelen, te leven? Volgens Miskotte hebben alle theologische vakken deze praktikale strekking, anders spreken we niet meer over theologie maar over godsdienstwetenschap. 8 Daarom kan de theologie niet voorbijgaan aan de waarheidsvraag en reflecteert zij kritisch op godsdienstige praktijken en maatschappelijke contexten. Wie exegese verricht met het oog op de preek, draagt ook verantwoordelijkheid voor de praktische doorwerking van de heilige Schrift. Dat kan ertoe leiden dat in de preek een kritisch geluid hoorbaar wordt. Het kan ook gebeuren dat de preek oproept tot een nieuw verstaan van een Schriftgedeelte. Maar het kan ook gebeuren dat een predikant een tekst laat rusten, omdat hij er op dit moment niet mee uit de voeten kan.

Door de homiletische omgang met de bijbeltekst krijgt de preek uiteindelijk een performatieve godsdienstige werking. Dan blijkt dat de preek niet louter tekstuitleg is, noch enkel een gesprek met de hoorders over hun leefwereld. Het eigensoortige is juist de actualisering van het geloof van de gemeente. Kerkgangers raken actief betrokken, met hun geloof, met hun vragen en verwachtingen. Zo evoceert de preek een godsdienstige werkelijkheid. Het heilige gebeurt. Zo ‘geschiedt’ het Woord, zei Miskotte. God wordt benoemd en zijn aanwezigheid verwacht, de hoop wordt levend, de liefde ontwaakt. Het kerygma komt tot leven als God geprezen wordt. Daarom heeft de preek steeds een sterk doxologische toonzetting. Juist het lofprijzende en belijdende karakter van de preek bewerkstelligt het geloof. 9

1 Noordmans, Verzamelde werken, deel 8, 359.

2 Robert B. Stewart (ed.), The Resurrection of Jesus. John Dominic Crossan and N.T. Wright in Dialogue, Minneapolis: Fortress Press 2006, 18-20.

3 N.T. Wright, The Resurrection of the Son of God, Londen: SPCK 2003, 718.

4 Hermann Spieckermann, ‘Das neue Bild der Religionsgeschichte Israels – eine Herausforderung der Theologie?’, Zeitschrift für Theologie und Kirche, Bd. 105 (2008), 275. 259-280.

5 Spieckermann, Ibid., 279.

6 Miskotte, Om het levende Woord, 109.

7 Miskotte, Om het levende Woord, 98.

8 Miskotte, Om het levende Woord, 99.

9 David. J. Lose, Confessing Jesus Christ. Preaching in a Postmodern world, Grand Rapids 2003, 189-232.