Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Welkom in het vernieuwde leven

Prediking als drama, doxologie en uittocht

Het laatste woord

De laatste zin die dr. Henk Vreekamp uitsprak in zijn preek over Exodus 34:27-35 en Lukas 9:28-36, was: ‘Van het angstland naar het land van melk en honing. Welkom in het vernieuwde leven. Amen’. Die zin functioneert in de preek als verkondiging. De prediker zegt het zijn hoorders toe. Hij bedoelt de facto, denk ik: ‘In deze eredienst gebeurt de vernieuwing van uw en jouw leven. En nu die vernieuwing gebeurd is in de prediking, nu gaan wij vernieuwd het leven in. Wij zijn door het angstland heengetrokken: Welkom in het vernieuwde leven’.

In deze preek zit een fascinerende impliciete theologie van de prediking, die we in deze bijdrage proberen te reconstrueren. Daarnaast benoemen we enkele thema’s in de preek die zowel deze specifieke preek alsook Vreekamps bredere theologie typeerden. En tenslotte is deze preek een geweldige uitnodiging en stimulans om te lezen en te bestuderen voorafgaande aan het schrijven van je eigen Paaspreek. In deze preek is drama en doxologie op zo’n manier aanwezig, dat beiden recht gedaan wordt, terwijl tegelijkertijd uittocht gebeurt.

Drie bergen: Exodus, Lukas, Amersfoort

De preek is op vele manieren te typeren en samen te vatten. Eén van de retorische strukturen van de preek, is dat het gaat over drie bergen. Zo wordt het ook aangekondigd rond de Schriftlezing. Eerst is er de berg waar Mozes met God sprak, waardoor zijn aangezicht straalde. Dat is de eerste Schriftlezing uit Exodus 34. Dan is er de berg van de verheerlijking, waar Jezus, Mozes en Elia stralen, en dat is de tweede Schriftlezing. En dan is er de ‘derde berg’, en dat is de Adventkerk in Amersfoort. Henk Vreekamp kende de kerken waar hij preekte (hun context en geschiedenis) vaak beter dan vele gemeenteleden zelf, denk ik. Ook van de Adventkerk wist hij dat die ‘hooggelegen’ is, en dat je letterlijk een trap af moet als je de kerk weer uitgaat. Preciezer gezegd: De derde berg is eigenlijk de preek. De preek als een poging om dat wat er in Exodus en in Lukas gebeurt, te beleven in de Adventkerk, ‘op de berg’, op zondagmiddag 28 februari 2016. Om daarna vernieuwd af te dalen ons concrete leven in. Met die vereenzelviging eindigt de preek:

‘Amersfoort heeft zelfs een echte Bergkerk, dus ook in de geografie van de stad kunnen we het terugvinden. (…) Zo gaat Jezus de berg af, de laagvlakte in en gaat naar dat kind dat bezeten is door duivelse, demonische machten. Rafaël heeft het zo geschilderd dat je het in een oogopslag kunt zien: boven de verheerlijking op de berg; beneden de werkelijkheid anno 2016, onze wereld en ons leven. Wij dalen nu mee af en zeggen - dat is de verkondiging van het evangelie – welkom, opnieuw, in het leven. Ja, in het leven van elke dag, maar wel: opnieuw. Wat we zelf niet zien, als we uit de kerk komen, dat zien anderen. Wat is er met jou? Je gezicht staat anders, het lijkt wel te stralen. Ja, omdat we daarboven op de berg bij Jezus zijn geweest en bij Mozes en Elia. En we dat gesprek hebben opgevangen in dat ene woord: exodus, uittocht, uit het angstland, de geschiedenis, je persoonlijk leven, bevrijding, op adem komen. Van het angstland naar het land van melk en honing. Welkom in het vernieuwde leven.

De berg en het laagland: Theologie van het landschap

De theologische betekenis van het landschap is een thematiek die Henk Vreekamp op het lijf geschreven was. Dat was biografisch zo, in het het doorkrijgen van hoe het landschap en de geboortegrond resoneert in de ziel en in het lijf, en hoe dat op een gekwalificeerde manier recht gedaan wil worden. Dat was theologisch zo, die thematiek gebeurde ook in zijn contacten met het levende Jodendom, die hem iets leerde over de mystieke betekenis die het land kan hebben. En je zou kunnen zeggen: Het is ook exegetisch zo. Als je eenmaal de betekenis van het landschap gezien en beleefd hebt, valt het je ook in het bijzonder op in de Bijbel: Waar gebeurt iets, en waarom daar, en waarom zijn er die expliciete verwijzingen naar de plaats? En homiletisch: Waar vindt de prediking plaats en wat typeert deze plek? In deze preek krijgt het geografische contrast tussen de ‘berg’ en het ‘laagland’, theologische en existentiele betekenis.

De hele preek trekt Vreekamp die spanning door, tussen ‘hoog’ en ‘laag’. Op de berg ‘ben je dichter bij de hemel’, op de berg ‘begint de huid van Jezus te stralen’, en daar verschijnen Elia en Mozes, die ook stralen. De Exodus-tekst gaat over de bemiddeling van de heerlijkheid die Mozes ‘daarboven, in het gesprek met God opdoet’, maar die ‘beneden’, verdwijnt. De heerlijkheid, de kabod, speelt een centrale rol inde preek.

‘En dan gebeurt het. Terwijl Hij aan het bidden is, begint zijn gezicht te stralen. We zullen straks uit Exodus de letterlijke betekenis vanuit het Hebreeuws horen: de huid van zijn gezicht begint te stralen. In het Hebreeuws klinkt daar het woord voor ‘naakt’. Op het blote gezicht, om zo te zeggen, de huid, het vel, komt een glans. Het stráált. Daar blijft het niet bij in het geval van Jezus, want ook zijn kleren doen mee. Zijn kleding wordt ook stralendwit, witter dan sneeuw, zo wit als je het op aarde niet kunt voorstellen. Dat is de glans van de hemel die over Hem valt. Markus gebruikt het woord metamorfose. Het is een echte gedaanteverwisseling.‘

Je blote gezicht, daar komt een glans op. Een kenmerk van deze preek, en dat is wezenlijk verbonden met het geografische, is het zintuiglijke. De taal wordt zo zintuigelijk gemaakt, dat de zinnelijkheid van het bedoelde bijna tastbaar wordt. Vreekamp zegt ook letterlijk, in kleine bijzinnetjes: ‘Kijken!’, als aansporing van de hoorder. ‘Kijken, wat te zien is in Schriftpassages’. En prediking is hier het visualiseren in woorden van wat je zelf in de Schriften gezien hebt.

Ook in de schildering van het contrast tussen de doxa en het lijden, legt de prediker de nadruk op het visuele. De botsing tussen het ‘stralende, daarboven op de berg’, en het ‘laagland’, wordt door Vreekamp gekristalliseerd in het lijdende kind. In de preek blijkt dat in de morgendienst gepreekt is over het tweede gedeelte van Lukas 9, over de vader met zijn bezeten kind, en Vreekamp verwijst daarnaar. Zijn preek gaat erover, hoe je die twee werkelijkheden bij elkaar kunt houden: de doxa en het drama. Vreekamp roept de hulp in van Rafael, de schilder, en spreekt over een schilderij van hem, dat, mind you, zijn laatste zou blijken te zijn, zijn testament. In dat schilderij worden die twee werkelijkheden bij elkaar gehouden:

‘De Italiaanse schilder Rafaël maakte in 1520 zijn laatste schilderij, zijn testament. Je ziet op één paneel twee geschiedenissen die je alleen maar ná elkaar kunt vertellen, want je kunt nu eenmaal niet twee dingen tegelijk zeggen. Op de bovenkant van het schilderij zien we Jezus in heerlijkheid, met Mozes en Elia. Jezus’ voeten zijn los van de aarde, alsof het niet alleen Pasen, maar ook al Hemelvaart is. De discipelen liggen op de grond, vol ontzag. In het donkere onderste gedeelte van het schilderij staat een kind te schreeuwen, bezeten door duivelse demonen. Een scherp contrast met het licht daarboven. Het is de laagvlakte van het bestaan - Irak, Syrië, Afrika - het gaat aan ons voorbij, we willen wegkijken, maar dit is de realiteit waarin de verheerlijking op de berg geschiedt.’

Het kind als archetype

Het kind, bezeten door duivelse demonen, is hier contrapuntisch. Zoals Gerrit Neven ooit geschreven heeft over het kind in de meditaties van Noordmans, zo zou je ook de preken (en boeken) van Henk Vreekamp kunnen bestuderen op de rol die het kind speelt. Ooit, in het begin van zijn ambtsperiode, gaf Vreekamp les op de openbare lagere school aan kinderen, en las hij voor uit de Apocalyps en dan vroeg hij de kinderen om te tekenen wat ze hoorden.

Ook in deze preek is het kind opvallend aanwezig. Het kind is allereerst symbool van ontvankelijkheid. De dichter en het kind spreken over de hemel als iets ‘daarboven’. Dat is ‘wetenschappelijk onzin’, zegt Vreekamp, ‘maar een kind blijft het gewoon zeggen’. Vreekamp identificeert zich daarmee: ‘En ik dus ook’. Het kind is ook symbool van het nieuwsgierige en van de verbeeldingskracht. ‘Als kind vraag je je af: Stel je voor dat ik daarbij was geweest, daar boven op die berg, wat had ik dan gezien?’. Het kind is nadrukkelijk ook symbool van de verwondbaarheid: ‘Daar beneden staat een kind te schreeuwen’. En de prediker verbindt die ervaring met het ‘lijden anno 2016’. Ook in de passage over veertig dagen en veertig nachten niet eten en drinken, verwijst hij naar kinderen van nu, die dat kennen. Het kind is archetype voor onschuldig lijden. En de prediker, die zelf weet wat het is om kind te zijn, is hoorbaar aangedaan door dat lijden, en verwoordt dat in de preek.

En tenslotte, in een prachtige geimproviseerde flarde, symboliseert het kind de Godsnabijheid en de intimiteit. Tijdens de preek ziet Vreekamp een kind tegen de schouder van zijn moeder aanschurken. Je ziet het voor je: Zondagavond in de kerk, begin van de week, je droomt onder de preek wat weg tegen de schouder van je moeder. Vreekamp ziet dat gebeuren, en weeft dat in als illustratie van de nabijheid Gods: ‘Zo dichtbij wil Hij komen, dwars door het lijden heen, zo dichtbij als dat kind tegen de schouder van haar moeder’.

‘Maar wat gebeurt er nu met dat spreken van God als het vlees en bloed wordt? Dan waagt God zelf zich op ons terrein. In onze werkelijkheid, in onze rauwe wereld, op vijandelijk terrein. Dat woord vlees en vlees en bloed, dat is onze existentie, dat is zoals we zijn, zoals we er aan toe zijn in deze wereld. We zijn echt verkocht onder de zonde, machteloos. We vallen in slaap bij de hoogste openbaring - het komt niet goed met ons. En zo is het spreken van God vlees en bloed geworden. Het is in de sfeer van de zonde gekomen zonder zelf die zonde actief te kennen. Het woord komt daar waar het niet thuishoort. Het is een oorlogsverklaring. Het is zoals mijn leermeester Van Ruler in Utrecht placht te zeggen: nu het Woord vlees is geworden, nu God mens is geworden, kun je aan de buitenkant niet meer zien dat het God is. Hij zit zo in de bank naast je. Zoals dat kind daar tegen de schouder van de moeder, zo dichtbij.’

Fenomenologie van het bestaan

Je zou kunnen zeggen dat er in de preek een soort symbolisch universum ontstaat, een wereld van ‘de berg’ en dus van ‘vlakbij de hemel zijn’, en een wereld van het laagland en van het vluchtende kind. Enerzijds ‘je blote gezicht dat begint te glanzen’ en anderzijds het krijtwitte kind. Het fascinerende van preken als deze is dat het enerzijds uiterst secure Schriftuitleg is, de tekst op de letter volgend, terwijl er daardoorheen een fenomenologie van het bestaan ontstaat, die inzichtelijk is voor ieder mens die om zich heen kijkt. Het zijn niet verschillende werelden, de Schrift en de ervaring, maar ze worden samengebracht. Je wordt meegenomen in de Schrift, en daardoorheen kom je dieper terecht in je eigen werkelijkheid. Het is wat Theo Pleizier in zijn proefschrift citeerde over Tolkien: Inscape. De preek niet als escape, maar als een dieper schouwen in het bestaan. Het gebeurt bijvoorbeeld in de passage waarin Petrus de ervaring van ‘daar boven’ vast wil houden. Vreekamp spreekt dan over het verlangen naar geborgenheid op zo’n manier, dat het zowel Petrus’ intentie beschrijft, als ons eigen blijvende verlangen:

‘Net nu we kijken naar dat tafereel in het licht, komt er - ah, dat is nou jammer - een donkere wolk aandrijven, die met zijn schaduw alles weer in de duisternis zet. Schaduw, dat is het bijbelse woord. De schaduw van Gods vleugelen, als het beeld van een moederhen die de kuikens onder haar vleugelen bij elkaar roept. Daar schuilen ze dicht tegen het moederhart, in het halfdonker, onder de warmte van de veren. Dat is schuilen in de schaduw van Gods vleugelen. Dat is geborgenheid waar we allemaal zo ongelofelijk naar verlangen. Geborgenheid in de schaduw van de vleugelen van God.

En dan: uit die wolk klinkt een stem, de stem van God zelf. God is heel dichtbij maar houdt zich tegelijk verborgen. Dat is altijd het geval bij de wolk in de Bijbel, de wolk van de openbaring: God laat van zich horen maar Hij laat zich niet zien. ‘

Als we het bij Areopagus over missionaire prediking hebben, vinden we hier voorbeeld-materiaal. Vreekamp’s preken zijn voorbeeld van een uiterst brede intertextualiteit. Zowel Oude als Nieuwe Testament zijn in deze preek met elkaar in gesprek, maar ook christendom en levend Jodendom, en flarden uit het Gereformeerd Protestantisme zijn nooit afwezig (om nog maar te zwijgen over de Germaanse teksten of de teksten uit de Heliand die in andere preken doorklinken). En door dit alles heen resoneert de taal en de teksten van tijdgenoten, van dichters en denkers, en in de verbeeldingskracht van de preek resoneren de beelden die tijdgenoten zien op televisie en om zich heen. En al die ‘teksten’ gaan over eenzelfde werkelijkheid, over basale existentialen in het mensenbestaan: Het duister en het licht, de hemel en de aarde, de schaduw en de geborgenheid, de waanzin en de wanhoop, je blote gezicht dat begint te stralen. En tegelijkertijd weet deze prediker distinctief te spreken over kruis en opstanding, over Mozes en Jezus, over ‘verkocht zijn onder de zonde’ en over de resurrectio, over de toegang tot het nieuwe leven. Dat Henk Vreekamp zo breed gewaardeerd en herkend werd in onze kerk en daaromheen, zal ook dit als achtergrond hebben. En, voeg ik toe, de homiletische uitdaging voor het komend decennium ligt heus niet voornamelijk in de applicatio of in de performance. Het ligt allereerst in de bestaanswijze van de prediker, in ‘met wie je in gesprek bent’, welke ‘teksten’ je leest en begrijpt en herkent. De prediker is Schriftgeleerde en Tijdgenoot en in die specifieke intertextualiteit ontstaat prediking, die zowel Schriftuitleg is als ‘Existenz-Erhellung, de gemeente voedt en ‘randbewoners’ naar binnen kan trekken.

Godsspraak als bemiddeling: Theologie van het spreken

Nu is door deze preek heen een boeiende theologie van het spreken verweven. Ook dat is een kernthema. Vreekamp legt allereerst grote nadruk op wat er besproken wordt tussen Jezus, Mozes en Elia. Lukas heeft dat als enige ‘genotuleerd’, zegt hij, en het woord dat hij ons overlevert, is: ‘Uittocht’. Er is daar een gesprek gaande, daarboven, en dat is ook: het gesprek tussen Oude en Nieuwe Testament, en dat gesprek gaat over de grote Exodus. Let op: Daar bovenop die berg is de Umwelt van het spreken de doxa. De Godsspraak verwortelt in de extase. Datzelfde geldt voor God’s spreken met Mozes, dat zorgt voor een glans op Mozes’ gezicht. Vreekamp onderstreept deze dimensie ook in het gesprek van de kerk met Israel: Het gaat allereerst over ‘de God die Zijn glans laat afstralen op Mozes en Israel’.

Vervolgens gaat het over de bemiddeling: Deze God wil wonen, wil tabernakelen, onder Zijn mensen. Vreekamp beschrijft hoe God’s doxa op Mozes’ gezicht, botst op de werkelijkheid van het gouden kalf. Hij legt II Korinthe 3 zo uit, dat in dat contrast met de zonde, de heerlijkheid van Mozes’ gezicht verdween. ‘Mozes moest zijn gezicht bedekken, zodat de Israelieten niet zagen dat zijn glans verdween.’ De zonde schuift zich ertussen. Datzelfde illustreert Vreekamp aan een Joodse uitleg van Exodus 34: Aanvankelijk, lezen we in hoofdstuk 24, zagen de Israelieten, van onderaf en van verre, de majesteit van God ‘als een laaiend vuur op de top van de berg’. ‘Maar, na dat verhaal over het gouden kalf is er iets tussen gekomen’. Het gaat steeds over de doxa die stuk breekt op de werkelijkheid van de zonde en het lijden, daar beneden in het laagland.

Daarna maakt Vreekamp een reprise van dezelfde beweging, in zijn beschrijving van Jezus. Want het gaat zowel bij Mozes’afdaling van de berg als in Jezus’ incarnatie, theologisch om hetzelfde: ‘God die wil wonen bij de mensen, bij de dieren, Hij wil zijn schepping terug’. Tussen twee haakjes: Wat we schreven over het kind, kun je denk ik ook schrijven over het dier. Op allerlei momenten in de preken en boeken van Henk Vreekamp duikt het dier op, als kwetsbaar onderdeel van God’s verbond.

Nu gebeurt in Lukas dezelfde dynamiek tussen doxa en spreken. Tijdens de metamorfose van Jezus, komt een wolk aandrijven, en die overschaduwt al de aanwezigen. En even zijn zij allen daarboven onder de vleugelen van God’s aanwezigheid, ‘als kuikens schuilen ze zich tegen het moederhart, daar in het halfdonker, die warmte van de veren, dat is schuilen in de schaduw van God’s vleugelen, dat is de geborgenheid, waar we allemaal zo ongelooflijk naar verlangen’. Dit is dus temperatuur van de Godsspraak: Dan en daar begint God te spreken. De ‘zevende stem op de berg’, telt Vreekamp, ‘zegt: ‘Zie je!, dit is Mijn Zoon, dit is Mijn Kind. Luister, luister naar Hem!’.

In de theologie van het spreken leren wij hier waar de Godsspraak begint. Zoals Miskotte kon schrijven over de stille extase die voorafgaat aan de preek, zo leert Henk Vreekamp dat ons spreken over God hier zijn oorsprong mag hebben: Boven op de berg, ‘in de schaduw van Uw vleugelen’, in het gesprek tussen Oude en Nieuwe Testament, in de belofte van uittocht, in een herinnering van geborgenheid. Je kunt gerust stellen dat de essentie van de homiletische beweging in de preek is, dat deze concrete werkelijkheid neerdaalt op en in de hoorders in de Adventkerk.

‘Laten we het nou maar even gewoon over ons komen. Misschien zitten we te klimmen in onze gedachten, om God te bereiken, te vinden, en die berg op en enzo, laat dat gewoon even van je afglijden nu. Blijf zitten waar je zit. De hemel komt bij je’.

Belemmering en doorbraak van doxa

Tegelijkertijd benadrukt Vreekamp wat de bemiddeling van deze doxa hindert. Allereerst is er het slapen van de discipelen, boven op de berg.

‘Daarmee zijn we terug bij Lucas 9 en bij onszelf, bij Petrus, Johannes en Jakobus. Als wij daar nu geweest waren… want als kind begin je je zoiets natuurlijk in te leven…stel dat ik nu even had kunnen kijken wat daar gebeurt… Wat horen we nu van die mensen op de berg en van ons? Het is haast niet te geloven. Jezus is in gesprek met Mozes en Elia. En wij? We vallen gewoon in slaap! Net als in de hof van Gethsémané. Eén uur met Hem waken, dat brengen we niet op. Dit zijn wij. Dit zijn we ten voeten uit getekend. Je kunt natuurlijk zeggen dat je in slaap valt als God zich laat zien in die lichtglans, want slapen doet ook denken aan sterven. Je bent als mens niet berekend op iets dat te groot voor je is. Het wil niet in je hart, het kan niet in je lijf, je ogen kunnen het niet verdragen, dus is de enige remedie dan maar gewoon weg te glijden in de slaap. Maar intussen missen wij dan de glans van de openbaring.

Zoals Mozes’ doxa verdwijnt door het gouden kalf, zo stuit Jezus’ doxa op de slaap van zijn leerlingen. Een volgende hindernis is juist het vast willen houden van die doxa. Vreekamp beschrijft Petrus’ verlangen naar de continuering van dit heerlijke moment. Hij refereert aan de ervaring van het Heilig Avondmaal. Het proeven van de vrucht van de nieuwe aarde, als je die smaak in je mond hebt gekregen, dan wil je die het liefste vasthouden: ‘Niet weer naar beneden, niet weer die woestijn door, oh God, laat het hier gebeuren dat de hemel hier op aarde neerdaalt en dat voorgoed’. Eén van de hoorders van de preek vertelde me hoe dan een moment gebeurt waarin Vreekamp verschillende gemeenteleden, die hij kent, aankijkt en refereert naar wat zij allemaal gezien hebben in hun leven aan lijden en aan moeite, en dat verdiept die ervaring van ‘vast willen houden’:

‘Zoiets kunnen wij ons indenken, bijvoorbeeld bij de viering van het Heilig Avondmaal. Als je proeft de smaak van het brood, de vrucht van die nieuwe aarde, en als je proeft de smaak van de wijn, de vrucht van de wijnstok van die nieuwe aarde: zo anders, zo nieuw, dan zou je daar willen blijven aan die tafel, en niet meer terug willen het leven in, het leven van deze wereld anno 2016. Waar gaan we deze wereld in, welke beroepen vertegenwoordigen we, waar zijn onze gedachten in de zending geweest, we zijn de wereld overgegaan, we hebben veel leed gezien en je zou dan aan die tafel in die vrede van het licht willen blijven zitten.’

Maar dan krijgt de preek juist een vernieuwde kracht. Want Jezus is afgedaald! En dat is Evangelie. Hij is door de lijdensweken naar Goede vrijdag en Pasen gegaan. Dat is het kernthema van beide lezingen en van heel de Schrift: ‘Ik wil onder jullie wonen, tabernakelen’. Het gaat om de bemiddeling van de doxa in het laagland. En daar functioneert ook de theologie van het spreken. In de incarnatie beweegt God zich op ‘vijandelijk terrein’, het Woord is vlees geworden. En dat woord moeten we verstaan als het ‘spreken van God’, ‘het levende spreken van God, dat is vlees en bloed geworden, en het heeft onder ons gewoond’. Het fascinerende is: De preek die gehouden wordt is zelf een gestalte en een continuering van die incarnatie, van dat actieve spreken van God, van ‘onder mensen willen wonen’. En zo wordt de hoorder opgenomen in dat grote gesprek, over de Uittocht, en zo wordt je als hoorder opgenomen in de beweging die jou op het oog heeft, de beweging van Jezus het laagland in. ‘God Zelf daalt neer, en draagt, ons van onderop ons opbeurend uit onze ellende’. Iets van de doxa en iets van de uittocht gebeurt. Daarom kan de prediker eindigen met die opmerkelijke woorden:

‘Welkom in het vernieuwde leven’.

In die vernieuwde hoedanigheid dalen wij zo af van de ‘trappen van de Adventkerk’. Wat een monumentale en ontroerende slotzin.

In deze preek doortrekken de theologie van de glorie en de theologie van het kruis elkaar. De één verlicht de ander. Het is de glorie van de Lijdende dat Hij de doxa van de Vader bewerkstelligt aan het kruis, en zo onder mensen woont, en zo hen doet uittrekken. In deze preek worden, net als in Rafael’s paneel, de extase en het lijden steeds op elkaar betrokken, zonder dat de één de ander opheft. In deze preek is een vorm van praesens waarin hoorders kunnen verwijlen in God’s aanwezigheid, en tegelijkertijd triggert het laagland om het laagland in te gaan. Zijn dat niet dimensies die juist ook in de Paaspreek bij elkaar gehouden willen worden? Is er een vorm van spreken mogelijk die helemaal ingaat en opgaat in de doxa en misschien zelfs in de extase, en die tegelijkertijd volledig rechtdoet aan onze wereld, waarin krijtwitte kinderen staan te schreeuwen?

Ik denk dat in onze contemporaine retorische preekcultuur we juist deze dimensies opnieuw zouden kunnen verkennen: Ook in de prediking je overgeven aan de vervoering. Ook in de prediking je overgeven aan de klacht en de wanhoop die de waanzin van deze geschiedenis veroorzaakt. Is het niet juist in het je durven geven aan deze uiterste zones van het bestaan, die je leest in de Schriften, dat Uit-tocht verwacht mag worden? Ik denk vaak: Mijn preken zijn sterieler dan de Schriften die we lezen. En vraagt schriftuurlijke uitleg en verkondiging niet juist ook een vormgeving, een taalgebruik, een pathos, die daaraan recht doet?

Slot: Persoonlijk

Voor mij is de theologie en de prediking van Henk Vreekamp een voorbeeld van een dergelijk spreken. Het heeft mij persoonlijk veel gegeven, en nog steeds. In mijn eigen ervaringen als hoorder, als hij ergens in de buurt preekte en ik was vrij, dan waren het vaak die twee dimensies die mij mee-namen: de vervoering en het recht doen aan het lijden. Zeker, het was de exegetische originaliteit, de theologische breedte en de existentiele toonzetting van de preken die me aantrokken, maar die kwamen tot mij juist in die dimensies van vervoering en aangedaan-zijn.

Zomer 2013, Dorpskerk in de Bilt, ‘gewoon een zondag’. Ik heb vrij en fiets naar de kerk. Ds Vreekamp preekt over de barmhartige Samaritaan, Lukas 10. In het kindermoment zie ik een dominee die met ernst en lichtvoetigheid contact maakt met kinderen. Als ik me goed herinner zit hij tijdens het kinderlied zelfs hand-in-hand met twee kinderen aan zijn zijde. Na de preek is er de voorbede. In die week is er een kindje gestorven in de gemeente. Ik verstijf. De dood en het verdriet pakt me. Ik word geraakt door het gebed. De predikant raakt aan het drama, maar verliest zich er niet in. In zijn stem is de aangedaanheid te horen, de herkenning, maar ook het vertrouwen: ‘Wij zijn niet alleen. U daalt neer, precies daar waar wij neerzitten in verdriet en tranen. We bidden u…’. Dat trekt me weer naar omhoog.

Christian Möller heeft geschreven over ‘Homiletik als Stimmbildung’, en hij heeft daarin ook gereflecteerd over het ‘fenomeen van de stem’. Ieder mens wordt bepaald door een ‘Stimm-Landschaft’ schreef hij, en als je goed luistert, kun je die horen in een stem. Henk Vreekamp had een eigen stem. In die stem kwam een enorm landschap mee, en door die stem kon ik zelf ook in dat landschap komen. Henk Vreekamp had ook een eigen stem in het ‘Stimm-Landschaft’ van onze kerk en daaromheen. Ik heb het als een voorrecht beleefd die stem, in dienst van de viva vox, gehoord te hebben.

Zeist, maart 2016.

Exodus 34:27-35 / Lucas 9:28-36