Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Wie ben ik als ik preek?

Bronnen en herbronning van het homiletisch zelfbeeld

Samenvatting uit de handelseditie van het academisch proefschrift ‘Wie ben ik als ik preek? – bronnen en herbronning van het homiletisch zelfbeeld’. Marinus Beute promoveerde middels deze studie op 12 september 2016 aan de Theologische Universiteit Kampen.

1. Inleiding

In dit onderzoek staat de vraag centraal: ‘Wie ben ik als ik preek?’ Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de reflectie op de prediking en dan met name aan de theorievorming betreffende de persoon van de prediker. Voor de beantwoording van de vraag naar het zelfverstaan van de prediker wordt de term ‘zelfbeeld’ gebruikt als een soort zoekontwerp. Met behulp van dit begrip wordt de homiletische reflectie op de persoon van de prediker georganiseerd. De focus ligt daarbij vooral op het theologische aspect van het zelfbeeld. Tegen de achtergrond van de moderne aandacht voor het zelf wordt het zelfbeeld van de prediker getekend zoals dat naar voren komt in de moderne homiletiek. Vervolgens wordt dit zelfbeeld door middel van herbronning verbonden aan het zelfbeeld van de prediker Paulus. Op die manier wordt het bestaande zelfbeeld verrijkt en kritisch bevraagd. De hypothese die aan deze werkwijze ten grondslag ligt is dat de homiletiek erbij gebaat is als in een veranderde context opnieuw de verbinding gezocht wordt met de Bijbel als primaire bron van de theologie. Dit onderzoek biedt daarom ook een vingeroefening in het verwerken van bijbelse theologie in de homiletiek.

De hoofdvraag die in dit onderzoek leidend is, luidt: Welk theologisch zelfbeeld ontstaat er wanneer het zelfbeeld van de huidige prediker door middel van herbronning verbonden wordt aan het zelfbeeld van prediker Paulus?

De methode van herbronning die wordt gehanteerd, veronderstelt een bepaalde visie op de Bijbel en de manier waarop die gehanteerd dient te worden in (praktische) theologie die dienstbaar wil zijn aan de christelijke gemeente. Met behulp van de dramametafoor in het werk van met name Kevin Vanhoozer en N.T. Wright en met behulp van Richard Hays’ visie op bijbelgebruik in de ethiek wordt een hermeneutische verantwoording geboden van herbronning. Paulus en predikers vandaag blijken in dezelfde akte van het theodrama te spelen: de akte die begon met Pinksteren en die eindigt met de wederkomst van Christus. Paulus heeft echter een andere, unieke positie in die akte. Dit wordt vooral zichtbaar in het gegeven dat zijn optreden zijn neerslag gevonden heeft in de canon. Het gezag van de Bijbel voor predikers vandaag is niet formeel maar inhoudelijk. Dat maakt het niet mogelijk om bij voorbaat criteria aan te leggen voor de manier waarop Paulus’ zelfbeeld gezag heeft voor het zelfbeeld van de huidige prediker. Het ligt het meest voor de hand om Paulus’ zelfbeeld vooral als voorbeeld (paradigma) gezaghebbend te laten zijn voor predikers vandaag.

2. Zelfbeeld

Verschillende factoren spelen in de betekenisgeving van de prediking een rol. In de tweede helft van de twintigste eeuw wordt het subject van de prediker meer en meer erkend als betekenisvolle factor voor de preek. In dit onderzoek wordt gewerkt vanuit een trinitarische visie op praktische theologie, waarin het menselijk handelen beschouwd wordt als opgenomen in Gods handelen en waarin ruimte is om in de reflectie op de praxis zowel recht te doen aan theologische als menswetenschappelijke kennis. Praktische theologie, die staat in de hermeneutische traditie, moet naast aandacht voor de praxis zelf ook altijd aandacht hebben voor de zingevende context van de onderzochte handeling. Dit sluit aan bij recente theorieën over het zelfbeeld, waarin duidelijk gemaakt wordt dat in ons handelen zelfverstaan tot uitdrukking komt en dat dit zelfverstaan een centrale factor blijkt te zijn voor de betekenis van ons handelen. Het begrip zelfbeeld wordt in dit onderzoek gebruikt als middel om de reflectie op de persoon van de prediker te organiseren. In dit onderzoek wordt met zelfbeeld bedoeld ‘dat wat in gedachte komt als iemand aan zichzelf denkt’. Dit veronderstelt dus een descriptieve hantering van het begrip zelfbeeld, ook wel het actuele zelf genoemd. Het zelfbeeld kent meerdere facetten, zoals het sociale, cognitieve, emotionele, fysieke, spirituele en professionele zelfbeeld. Met name die laatste twee lichten in dit onderzoek op.

De ontwikkeling van het zelfbeeld wordt geschetst aan de hand van drie lijnen: een theologische, een culturele en een menswetenschappelijke lijn.

De theologische lijn maakt zichtbaar hoe christelijk zelfverstaan zich het beste kan ontwikkelen in relatie met het kennen van God. Hiermee wordt aangesloten bij Calvijn die spreekt over de nauwe samenhang van Godskennis en zelfkennis. De mens is geschapen naar het beeld van de drie-ene God. Dit beeld van God wordt relationeel ingekleurd. Theologisch gesproken kan iemand alleen een adequaat zelfbeeld ontwikkelen in relatie tot Christus, het ware beeld van God. Wie zichzelf bekijkt in het gelaat van Christus, ziet zichzelf als iemand die niet op zichzelf bestaat, aangelegd is op relatie en leeft in verbondenheid met God, de ander en de wereld.

Bij het schetsen van de culturele lijn wordt gebruik gemaakt van Charles Taylors beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van het moderne zelf. Centraal voor de westerse cultuur van de twintigste en eenentwintigste eeuw is de reflexieve aandacht voor het zelf. Deze is zo sterk dat gesproken kan worden over het zelf als icoon van de huidige cultuur. Taylor schetst verinnerlijking als een van de belangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van het zelf. Deze ontwikkeling zet in bij Augustinus, die verinnerlijking sterk verbindt aan God: de weg naar binnen leidt naar boven, naar God als de bron van het goede. Dit wordt de theïstische stroom van innerlijkheid genoemd. Daarnaast onderscheidt Taylor de rationele stroom van de Verlichting die het zelf ziet als bepaald door de rede: het gaat alleen om de weg naar binnen, het goede vinden we in onszelf. Dit betekent een onthechte manier van kijken naar het zelf. Tenslotte noemt Taylor de expressieve stroom van de Romantiek die het goede zoekt in de uiting van wat binnen aanwezig is. Originaliteit en eigenheid spelen daarbij een belangrijke rol. Niet langer is de rede maar de natuur bepalend voor het antwoord op de vraag naar de persoonlijke identiteit. De drie genoemde stromen zijn tot op vandaag aanwezig en van invloed op de beleving van onszelf.

Hoe ontstaat ons zelfbeeld? Ook vanuit menswetenschappelijke invalshoek wordt die vraag beantwoord. Dit gebeurt vanuit een invloedrijk metaperspectief op de menswetenschappen, het sociaal-constructionisme. Centraal voor dit perspectief is de gedachte dat kennis niet een individueel bezit is, maar een bijproduct van gemeenschapsrelaties. Een zelfbeeld is nooit een individueel project, maar het is cultureel bepaald en historisch van aard: in de sociale interactie met anderen ontstaat een zelfbeeld.

In de beschrijving van deze drie ontwikkelingslijnen wordt duidelijk hoe onvermijdelijk de vraag naar het zelf van de prediker is in de eenentwintigste eeuw. De aandacht voor het zelf is niet alleen gegeven met de moderne cultuur, maar vindt zijn oorsprong in de theologie van Augustinus. Voor hem is het aangelegd-zijn op God essentieel voor het zelfverstaan. Kritisch moet daarom gekeken worden naar de hyper-zelfbewuste en hyper-expressieve wijze van zelfverstaan in de Verlichting en de Romantiek. Ook het sociaal-constructionisme plaatst er vraagtekens bij en maakt zichtbaar hoe wezenlijk sociale interactie is voor het zelfbeeld.

3. Moderne homiletiek

Het theologische zelfbeeld van de huidige prediker wordt in kaart gebracht met behulp van theorieën over de prediker uit de moderne homiletiek van het Europese continent, met name de twintigste eeuw. Zo biedt deze stap van het onderzoek een theoretische reconstructie van het zelfbeeld. In de beschrijving van het zelfbeeld van de huidige prediker wordt aangesloten bij de breed geaccepteerde indeling van de geschiedenis van de recente homiletiek.

Een aanloop vanuit de negentiende eeuw laat zien hoe het zelfbeeld van de prediker zich ontwikkelt van principiële kans naar principiële opgave. Voor Schleiermacher en zijn directe navolgers was de preek vooral uitdrukking van de subjectiviteit van de prediker. De authentieke persoonlijkheid van de prediker wordt de manier om het Woord van God gestalte te geven. Duidelijk wordt hoezeer het zelf van de prediker ertoe doet. Optimistisch worden de kansen verkend die dit inzicht biedt. In een volgende fase van de homiletiek, ‘de moderne preek’, slaat dit optimistisch spreken over kansen om in een opgave die meer en meer een zware last wordt voor predikers. De werking van preken komt onder de aandacht en als gevolg daarvan worden allerlei gestandaardiseerde aanwijzingen geformuleerd voor de persoon en het optreden van de prediker. De verwachtingen ten aanzien van de prediker zijn hooggespannen en de prediker wordt opgeroepen zichzelf in te zetten in de prediking. Het zelf komt hiermee expliciet in beeld in de homiletiek. Het ideaalbeeld werkt echter contra-productief, omdat het beleefd wordt als een zware opgave.

De twintigste eeuw kan worden verdeeld in drie fasen: de normatief-deductieve, de empirisch-inductieve en de kritisch-constructieve fase. Deze fasen worden telkens beschreven aan de hand van belangrijke vertegenwoordigers.

De eerste fase, de normatief-deductieve fase, is duidelijk een reactie op de hooggespannen verwachtingen ten aanzien van het zelf van de prediker in de tweede helft van de negentiende eeuw. Homileten in deze fase, zoals Eduard Thurneysen, Karl Barth en K.H. Miskotte, maar ook C. Veenhof en C. Trimp, zien de persoon van de prediker eerder als een hindernis voor de prediking dan als een kans of een opgave. De prediker moet uit beeld raken om ruimte te scheppen voor het spreken van God zelf. Een uitzonderingspositie in deze fase heeft Rudolf Bohren. In zijn spreken over de prediker zijn voorbeeld en eigenheid belangrijke elementen. Tegelijk is ook hij huiverig in positieve zin aanwijzingen te formuleren voor de persoon van de prediker. De prediker moet zichzelf vooral leren verstaan in de waarschuwingen tegen de manieren waarop de prediker een hindernis vormt voor de prediking.

De aanvankelijke bevrijding die het spreken over de prediker in de eerste fase betekende, werd al gauw als te beklemmend ervaren. De dogmatische insteek maakte aandacht voor de praxis haast onmogelijk. De tweede fase van de moderne homiletiek, de empirisch-inductieve fase, in de twintigste eeuw reageert daarop. De overgang van de normatief-deductieve fase naar deze fase wordt geïllustreerd aan de hand van het werk van Wolfgang Trillhaas. De prediker is meer dan een belasting voor de preek. Het zelfbeeld wordt weer explicieter: een waarachtig iemand die zijn hoorders goed kent en naast hen staat. Ook in het werk van Ernst Lange, Hans van der Geest, Hans-Christoph Piper, Axel Denecke, Manfred Josuttis komt het zelf van de prediker weer nadrukkelijk in beeld. Vanuit de empirie wordt duidelijk hoe wezenlijk de prediker is voor de concrete preekpraxis. Het zelfbeeld van de prediker is in deze fase te typeren als noodzakelijk constitutivum van het preekgebeuren. In deze fase is aandacht voor communicatieve en psychologische theorievorming van buiten de theologie. In zekere zin wordt in deze fase teruggegrepen op de ideaalbeelden uit de negentiende eeuw. Enerzijds worden die idealen gerelativeerd, maar anderzijds wordt de oplossing voor de crisis van de preek eenzijdig gezocht bij de prediker.

De derde en laatste fase van de moderne homiletiek, de kritisch-constructieve fase, deelt met de voorafgaande fase het verzet tegen een eenzijdig dogmatische insteek. De eigenheid ervan wordt gevonden in de kritiek op zelfstandigheid van tekst en hoorder. Het werk van Henning Luther, Wilfried Engemann en Gijs Dingemans wordt besproken. De prediker moet tekst en hoorders op een speelse en creatieve manier in gesprek brengen. De prediker is niet langer een tegenover van de hoorders, maar dienstbaar aan de ontmoeting die de hoorder heeft met de tekst. De subjectiviteit van hoorders moeten volstrekt serieus genomen worden. De prediker mag zichzelf zien als hoorder onder de hoorders die door subjectieve interpretatie en enscenering van de tekst de subjectiviteit van hoorders mogelijk maakt.

De drie fasen van de moderne homiletiek van de twintigste eeuw worden tenslotte getypeerd met een kernwoord. De focus ligt in de normatief-deductieve fase op inhoud, in de empirisch-inductieve fase op relevantie en in de kritisch-constructieve benadering op betekenis.

4. Bijbelse theologie

Om herbronning van het zelfbeeld van de huidige prediker mogelijk te maken is een belangrijke plaats ingeruimd voor bijbelse theologie. Binnen deze stap van het onderzoek wordt het zelfbeeld van Paulus gereconstrueerd aan de hand van zijn twee brieven aan de christelijke gemeente in Korinte. Er wordt gebruik gemaakt van een vorm van bijbelse theologie die een theologische lezing van de Bijbel voorstaat als canon die de kerk erkend heeft als het blijvende Woord van God. Het geselecteerde bijbelse materiaal wordt thematisch geordend aan de hand van het centrale gegeven in Paulus’ zelfbeeld, namelijk zijn apostel-zijn. In zijn spreken over het apostelschap blijkt dat zijn zelfverstaan altijd verbonden is aan het initiatief van God. Voorafgaand aan de nadere verkenning van het apostel-zijn wordt eerst in kaart gebracht hoe Paulus het handelen van God in de prediking ter sprake brengt. Paulus ziet verkondiging primair als Gods werk, waarin hijzelf door God wordt ingeschakeld. Om dat werk te kunnen doen, rust God Paulus toe en begeleidt hij hem en geeft hij zegen op het werk van Paulus.

Het sleutelbegrip ‘gezondene’ wordt vervolgens in drie richtingen verkend. Allereerst is er een subject van Paulus’ zending: hij is gezonden door… Ten tweede kent zijn zending een bestemming: hij is gezonden naar… En tenslotte heeft zijn zending een inhoud: hij is gezonden om iets te doen. De woorden en beelden die Paulus hanteert om zijn gezonden-zijn te typeren worden in de genoemde drie richtingen gesystematiseerd. Gelet op de eerste richting (gezonden door… ) kunnen drie aspecten worden onderscheiden: Paulus ziet zichzelf als dienstbaar aan God, als vertegenwoordiger van God en hij weet dat hij verantwoording schuldig is aan God.

Bij de tweede richting (gezonden naar… ) gaat het om de relatie tussen Paulus en de Korintiërs. Wat opvalt, is dat alle beelden die Paulus gebruikt, iets te maken hebben met (door)geven: de vader die leven doorgeeft, de oproep tot navolging waarmee Paulus zijn leven aanbiedt aan de Korintiërs, het beeld van het voeden van zijn hoorders en het beeld van de slaaf. De inhoud van Paulus’ verkondiging bepaalt zijn houding ten opzichte van zijn hoorders. Deze wordt getypeerd als dubbele dienstbaarheid, namelijk dienstbaarheid aan de hoorders om hen het evangelie van Christus te geven maar dan wel ingekaderd door de dienstbaarheid aan de Heer van het evangelie.

De derde en laatste richting (gezonden om te… ) maakt Paulus’ rolopvatting inzichtelijk. Centraal gegeven is 1Korintiërs 1,17: ‘gezonden om te verkondigen’. Veel van de woorden en beelden die Paulus gebruikt om de inhoud van zijn zending te beschrijven, hebben te maken met initiatie. Dat is niet verwonderlijk, omdat Paulus nu eenmaal zendingsreizigier was en apostel van de heidenen. In Paulus’ spreken over de verkondiging komen diverse aspecten aan bod: aansporen, overtuigen, strijden, goed nieuws melden enzovoort.

Een aspect dat al Paulus’ spreken over de verkondiging van het evangelie doortrekt, is de eer van God. Paulus is zich bewust dat zijn optreden voor Gods aangezicht plaatsvindt.

Hoewel Paulus’ zelfbeeld besproken is aan de hand van drie richtingen, valt de eenheid van de beweging op. Paulus participeert in het grote werk van God, waarbinnen hij zich afhankelijk weet van zijn zender. De manier waarop Paulus zijn werk uitvoert, wordt bepaald door het evangelie. Wie de lijdende Christus verkondigt, krijgt zelf ook met lijden te maken.

5. Onzelfstandig zelf

In een volgende stap wordt de reconstructie van Paulus’ zelfbeeld verbonden met het zelfbeeld van de huidige prediker. Deze verbinding wordt gelegd door middel van herbronning. De structuur van het zelfverstaan van de prediker wordt geschetst aan de hand van het theologische begrip participatie. Deze theologische insteek biedt een correctie op de verzelfstandiging van de aandacht voor het zelf in de Verlichting en de Romantiek. Het zelf werd in die beide stromingen losgemaakt van de oorspronkelijke theïstische bron en raakte daarmee op drift. Deze culturele stromingen hebben hun invloed gehad op de homiletische reflectie en leidden tot een te zelfstandige benadering van het zelf van de prediker in met name de negentiende eeuw en in de empirisch-inductieve fase van de homiletiek. Hierdoor moet de prediker zelf wel op de voorgrond treden als meest bepalende factor voor de preek. In reactie op die aandacht voor het zelf van de prediker in de negentiende eeuw sprak de normatief-deductieve fase over het ‘sterven’ van de prediker. Zodoende probeerde men de aandacht voor het zelf te marginaliseren.

De oplossing voor de wisselende aandacht voor het zelf is echter niet gelegen in meer of minder aandacht voor het zelf, maar in een theologische inkadering. De structuur van het zelfverstaan wordt bepaald door de mens die zichzelf theologisch leert zien als ‘in Christus’. Dit is een belangrijke kern van de reconstructie van Paulus’ zelfbeeld. Als gezondene is hij opgenomen in de missie van God naar deze wereld. Participatie helpt om het handelen van God en het handelen van de prediker tegelijkertijd te doordenken en om de individualiteit van de prediker volop recht te doen. In Christus verliest de prediker zijn oude zelf, maar ontvangt hij het nieuwe zelf. Hierin wordt de biografie van Jezus Christus zichtbaar bij wie vernedering en verhoging hand in hand gaan. Aandacht voor het ‘sterven’ van de prediker moet gepaard gaan met aandacht voor het ‘opstaan’ in een nieuw leven van de prediker. Bij Paulus liggen vernedering en verhoging vaak dicht bij elkaar zonder dat er sprake is van een volgorde.

Voor de homiletische reflectie betekent dit dat de homiletische drieslag van tekst, prediker en hoorders beschouwd moet worden als het krachtenveld waarbinnen de heilige Geest actief is.

Het eerste resultaat van de herbronning van het zelfbeeld van de huidige prediker heeft inhoudelijk vooral opgeleverd dat het zelf niet langer beschouwd kan worden als een zelfstandige entiteit. Juist het accent dat het zelf participeert in de missie van Christus naar deze wereld biedt een genadig perspectief op het zelfbeeld. Het zelf kan volop in beeld komen, want de mens die preekt doet ertoe. Tegelijkertijd doet de prediker ertoe in relatie tot God en blijft de eindverantwoordelijkheid voor de prediking altijd bij de heilige Geest liggen.

6. Herbronning

De herbronning van het zelfbeeld waar in het vorige hoofdstuk een begin mee gemaakt is, wordt verder uitgewerkt en ingevuld. Paulus blijkt een voorbeeld te zijn voor predikers vandaag, ook in de manier waarop hij zichzelf ziet. Zo wordt een theologisch zelfbeeld voor de prediker geschetst. Dit gebeurt nadat eerst de vraag beantwoord is hoe Paulus’ zelfbeeld gezag heeft voor predikers vandaag. Vanuit de dramametafoor wordt geconcludeerd dat Paulus en predikers vandaag weliswaar in dezelfde akte van het theodrama optreden, maar wel in verschillende scènes. De scène waarin Paulus optreedt, heeft grote betekenis voor de scènes die volgen, vanwege de gezaghebbende interpretatie van de gebeurtenissen rondom Jezus door de apostelen. Deze interpretatie heeft haar neerslag gevonden in het script van de canon. Inhoudelijk is het belangrijkste verschil tussen de scène van Paulus en latere scènes de manier waarop God het theodrama bekend maakt, namelijk door direct onderwijs van Jezus in het geval van Paulus en door het gezaghebbende script van de canon in het geval van predikers vandaag. Dit verschil maakt dat Paulus’ zelfverstaan niet een-op-een kan worden overgenomen door predikers vandaag.

Het zelfbeeld van de prediker vandaag wordt door middel van herbronning ingetekend in de homiletische drieslag. Daarbij is allereerst aandacht voor het gegeven dat de prediker zichzelf mag zien als opgenomen in het krachtenveld van de Geest. Hierbij wordt de relatie tussen prediker en God als primaire actor in de prediking nader verkend. Vervolgens wordt gekeken naar de manier waarop de prediker zichzelf mag zien als onderdeel van het preekproces als geheel. De doelstelling van de prediking als geheel wordt zo betrokken op de prediker. Als derde wordt gekeken naar de relatie van prediker en tekst. De tekst wordt gezien als venster op het evangelie. Tenslotte wordt gekeken naar het zelfverstaan van de prediker in relatie tot de hoorders van de preek.

Belangrijk resultaat van deze herbronning is onder andere het belang van de relatie tussen prediker en hoorders. Deze relatie wordt gekenmerkt door dubbele dienstbaarheid: predikers zijn dienstbaar aan hun hoorders, vanwege de wil van Jezus die nog meer gezag heeft voor de verkondigers van het evangelie.

Op de manier van het voorbeeld heeft het gereconstrueerde zelfbeeld van Paulus gezag voor predikers vandaag. Voor het zelfbeeld van Paulus is voorbeeld eveneens wezenlijk, namelijk in het zichzelf aanbieden als voorbeeld ter navolging. Zo mogen ook predikers vandaag zichzelf zien als voorbeeld voor hun hoorders in de manier waarop zijzelf veranderd worden in het herstelde beeld van God in Christus.