Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Genesis 2:15 en delen uit Hooglied - Huwelijk

Twee zijn meer dan één : heeft de single de toekomst?

O ver relatie, seksualiteit, huwelijk en alleen gaan, goed voo r twee kerk- of themadiensten.

De hier aangeboden preekschetsen zijn geschikt voor twee (jeugd- of thematische leerdiensten) die het beste kort na elkaar gehouden kunnen worden. Het verdient aanbeveling om ze als (samenhangend) tweeluik onder de aandacht van de gemeente te brengen. Liefst in combinatie met een paar avonden catechese en/of een nagesprek in het kader van het jeugdwerk.

De eerste preekschets/kerkdienst is een loflied op de beleving van de tweeheid van man en vrouw en de schoonheid van het huwelijk. De tweede preekschets/kerkdienst is een principiële (bijbelse) relativering van datzelfde huwelijk. Het eerste, het loflied, mag er voluit zijn, als het tweede, de relativering, maar tegelijk beseft wordt. Het huwelijk is niet het einde, niet het een-en-al. Zo ergens, dan wel in de christelijke gemeente, weten we dat. Als het goed is.

I. Twee zijn meer dan één – Genesis 2 vers 15vv. en Hooglied (passim)

‘Twee zijn meer dan één’ – weet de Prediker al (Pred. 4 vers 9vv.). Hoe krijgt iemand het anders ooit warm in de koude woestijnnacht? Daarvoor moet je samen zijn. Zoals samen zwoegen méér dan het dubbele oplevert. En nog iets anders, wanneer je bij het werk valt, en je bent alleen, dan ben je nergens. Gelukkig ben je wanneer dan een vriend je overeind helpt.

Twee zijn meer dan één. Bij uitstek geldt dat van de man-vrouw-relatie. Wie het Oude Testament leest, kan er niet om heen: twee zijn meer dan één. Het huwelijksverbond en –contract is een economische, sociale noodzaak. Alleen blijven – of alleen achterblijven – daarentegen is een ramp. De gelovige Israëliet zou het zich niet kunnen voorstellen, dat iemand er voor zou kiezen alleen te blijven. Dan moet je wel een heilige zonderling zijn (Nazoreeër).

‘Het is niet goed dat de mens alleen zij’ (Gen. 2 vers 18) verkondigt het scheppingsverhaal als – scheppend, willend – Woord van God. We lezen dus niet met de NBV ‘… en God, de HEER dacht ….’, als een inkijkje in Gods innerlijke overwegingen. Nee, ‘... de HERE God sprak: “Het is niet goed dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past.”‘ Dat is verkondiging aan de hoorder van het scheppingsverhaal. Zo is het de wil van God. Bij menszijn hoort dat er iemand is die ik kan aanspreken en die mij aanspreekt. Een hulp als tegenover, een maatje, een metgezel, een antwoordschepsel.

Aldus geschiedt. God formeert de dieren uit dezelfde aarde als de mens. Hij voert ze langs bij Adam om te zien hoe deze ze zal noemen. Is ‘de hulp als tegenover’ erbij? Wanneer de dieren bij Adam langskomen, dan geeft hij hen namen naar hun aard. De rentmeester, deze ‘schipper-naast-God’ wijst daarmee de dieren hun bestemming aan. Maar het echte maatje, de echt-genoot is er niet bij. De dieren zijn geen antwoord-schepsels. Ook de hond niet. Je kunt een hond nemen, omdat het ‘zonder je (overleden) partner zo stil is in huis’, maar het antwoord-schepsel is hij niet. En de op slag wereldberoemde aap Bono was voor zijn trouwe bezoekster wel een geducht ‘tegenover’, maar anders dan zij beoogde en doorhad.

Het laatste dier is aan Adam voorbij gegaan, als de avond valt. Nog steeds geen maatje. Wat staat hij daar nog steeds alleen, met zijn rode huid, naakt en kwetsbaar. Nee, het is niet goed dat de mens, de Adam uit de adama, de rode aarde, alleen zij. Maar waar zal zijn hulp vandaan komen? En dan is daar ineens Eva. Adam wrijft zijn ogen uit. Nu is het anders dan gisteren met die dieren. ‘Deze is het – been van mijn been, vlees van mijn vlees.’ Op het moment dat hij haar ziet, gebeurt er iets anders bij en in hem. Op het moment dat zij hem ziet, gebeurt er tegelijk iets anders bij en in haar. Op dat moment wordt de mens – hij – man, en wordt de mens – zij – vrouw.

Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem, zoals ze danst tussen twee reien? Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind! Je heupen draaien sierlijk rond, de schepping van een kunstenaar (Hooglied 7 vers 1b-2).

Zo kijkt hij naar haar. Anderen zien het misschien niet aan haar af, maar hij ziet het wel. En zo gaat dat omgekeerd ook. Anderen zien een gewone, misschien wel wat saaie man, maar zij kijkt met andere ogen, en wat ziet zij?

Zijn benen zijn als zuilen van albast, op voetstukken van zuiver goud. Zijn gestalte is zo fier als een ceder van de Libanonl Zijn mond is zoet – aan hem is alles begeerlijk. Dit is mijn lief, dit is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem (Hooglied 5 vers 15v)!

De bijbelschrijver spreekt er hooggestemd over. De schepping is goed. Aantrekkingskracht is goed. De seksuele gemeenschap is goed. Kinderen die daaruit voortkomen zijn een zegen van God en een bekroning op de nieuw-gevormde gemeenschap. ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten, en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn.’ (Gen. 2 vers 24) Zo gaat het. Dat is de aantrekkingskracht. Hier is niets op tegen en hier is alles vóór. Deze lust is geen last.

Het Oude Testament kan zich niet voorstellen dat je daar anders over zou kunnen denken. Alleen-zijn is niet de bedoeling, alleen komen te staan is een ramp, kinderloosheid is een vloek, kiezen alleen te gaan is onvoorstelbaar. Daartegenover wordt de liefde tussen een jongen en een meisje uitbundig en met voelbaar welbehagen bezongen. Wanneer Adam zijn ogen opendoet en Eva ziet, dan is hij op slag klaar wakker. De kooswoordjes komen als vanzelf. Een verliefd mens wordt op slag een dichter.

Mijn bruid, ga met me mee

Kom mee… Zusje, bruid van mij Je brengt me in vervoering Je brengt me in verrukking Met maar één blik van je ogen Met één flonker van je ketting Zusje, bruid van mij Hoe heerlijk is jouw liefde… (Hooglied 4 vers 8 tot 10)

Onstuimig is hij. Zij aarzelt nog. Daar kun je je iets bij voorstellen. Het is nog maar haar eerste dag in de hof. Maar – misschien past het ook wel meer bij haar dan bij hem – deze terughoudendheid, dit ‘niet té snel’!

Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer jullie bij de gazellen, bij de hinden op het veld. Wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken, voordat zij het wil. (Hooglied 3 vers 5)

Niet voordat zij, de liefde, het wil, eraan toe is. Zo fluistert zij. Hij weet dat, hij voelt dat en hij voelt het aan.

Zusje, bruid, een besloten hof ben jij, een gesloten tuin, een verzegelde bron. (Hooglied 4 vers 12)

Hij overweldigt haar niet. Hij weet van wachten. Echte liefde dwingt de ander niet. Met elkaar verkeren is voor hem, voor hen samen geen premoderne onzin. Zij weten dat een romance tijd vraagt. Zij weten dat verlangen spanning geeft en daardoor juist wordt echte liefde spannend. Hij overweldigt haar niet. Zo kan de liefde ontluiken en worden tot verlangen en hartstocht. Daar is tijd voor nodig, vertraging zelfs. Een laat begonnen lente is vaak het meest overvloedig. Als het dan haar tijd is, hoor dan de bruid, luid en duidelijk. En kijk haar gaan…

Ik sliep maar mijn hart was wakker Hoor, mijn lief klopt aan! ‘Doe open, zusje, mijn vriendin, mijn duif, mijn allermooiste. Mijn hoofd is nat van de dauw Mijn lokken vochtig van de nacht’ ‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan, moet ik het weer aandoen!?’ (…) Mijn lief stak zijn hand naar binnen, Een siddering trok door mij heen – om hem! Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen. (Hooglied 5 vers 2 tot 5)

Dit is goed. God heeft haar een duwtje. Als het ware leidt Hij Eva naar haar bruidegom. Zoals in een klassieke scène de vader zijn dochter naar het altaar leidt. Adam komt op haar toe. Onweerstaanbaar. ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aanhangen.’ Dit is goed. Die twee worden één in een geestelijke en erotische eenheid, en daarmee vormen zij een veilige basis voor een economische eenheid om samen de aarde te kunnen beheren. Daartoe zijn zij elkaar gegeven. Immers – hoe zou je alleen tegen die taak opgewassen zijn? Inderdaad – twee zijn meer dan één.

Zit het leven echt zo in elkaar? De dienst is hooggestemd. De preek heeft de toon van het loflied. De schepping is goed, zeer goed. Het door God geschonken leven van man en vrouw is goed. Alle gaven die God geeft zijn goed, indien met dankbaarheid genoten. Maar – zit het leven echt zo in elkaar?

Wat staan zij daar kwetsbaar en naakt, deze man en zijn tegenover. Naakt zonder schaamte. Het meest intieme moment dat er is. Dat kan alleen als je met z’n tweeën bent. Naakt zonder schaamte.

Kan dat wel goed gaan in een wereld vol schaamteloos naakt? Vaak is het niet goed gegaan. Al te vaak gaat het niet goed. Al te vaak was en is die ‘heilige staat van het huwelijk’ een waar slagveld, en de erotische aantrekkingskracht verworden tot een ware machtstrijd.

Is ‘niet trouwen’ wellicht beter? En nog wat anders. Hoe klinkt dit alles wanneer je alleen gaat en dat niet koos? Hoe hoor je dit loflied op het huwelijk als dat jou op de lippen bevroren is? Hoe klinkt dit door en door heteroseksuele Lied der Liederen, het Hooglied, wanneer je homoseksueel bent?

En ten slotte nog iets. Is twee nog steeds meer dan één? Heeft hij haar werkelijk (nog) nodig, en zij hem: om economisch, sociaal en cultureel te kunnen leven en te kunnen overleven? Niet echt, toch? Steeds meer jongeren, dus ook jonge vrouwen, gaan bewust (en een leven lang?) alleen. Als keuze. Met andere woorden: heeft de single de toekomst?

II. Heeft de single de toekomst? – I Korintiërs 7

De preek in deze tweede dienst rond ‘relatie, seksualiteit, huwelijk en alleen gaan’ is anders van toon dan die in de eerste dienst. Daar vraagt de thematiek om. En daar vraagt het tekstgedeelte, I Korintiërs 7, ook om. Er is immers heel veel ‘chaos rond eros’. Dat gold toen en dat geldt nog. Daar lopen we niet voor weg. Paulus in elk geval niet. Hoewel hij het er wel moeilijk mee heeft. En wij soms weer met Paulus en zijn uitspraken over het huwelijk. Of begrijpen we hem wel goed genoeg?

Een preek als oefening in luisteren.

Alleen-zijn beter? Wanneer we het Nieuwe Testament lezen vanuit het perspectief van de seksualiteit en de verhouding van man en vrouw, dan horen we (ook) andere tonen dan in Genesis 2 en het Hooglied. Die andere tonen overheersen ook. De continuïteit met wat we – in de eerste preek – hoorden uit het Oude Testament is er ook. Jezus verricht zijn eerste wonder op een huwelijksfeest, waar goed gedronken wordt (Johannes 2 – de Bruiloft te Kana). Paulus bezingt in Efesiërs 5 het geheimenis van het huwelijk in een hooggestemde vergelijking. Het huwelijk is niet minder dan afspiegeling van de gemeenschap van Christus met zijn gemeente. Met andere woorden, ook in het Nieuwe Testament is het huwelijk goed.

Ook in I Kor. 7. De eerste verzen zijn daarover helder.

Weiger elkaar de gemeenschap niet, of het moest zijn dat u er wederzijds mee instemt u enige tijd aan het gebed te wijden. Kom daarna echter weer samen; anders zal Satan uw gebrek aan zelfbeheersing gebruiken om u te verleiden. (I Kor. 7 vers 5)

Enig nuchter inzicht in hoe deze dingen (niet) werken, kan deze ongehuwde apostel niet ontzegd worden. Het huwelijk is ook voor hem in principe goed. Maar – niet trouwen is beter (I Kor. 7 vers 38).

Een andere cultuur – een ander klimaat Deze uitspraak van Paulus kom je zo in het Oude Testament niet tegen. Dit is nieuw. En het is ook niet een slip of the tongue van de apostel. Zo van: ‘ach, hij had toch al niet zoveel op met de vrouw’. Dat is te kort door de bocht. Er is iets anders aan de orde. We stappen in het Nieuwe Testament in veel opzichten een andere culturele context binnen. Waarin de apostelen leven, en de gemeente ademt. Veel gemeenteleden zijn zelf Griek, heiden van huis uit, en hebben hun achtergrond in deze levenssfeer. Die hele culturele en religieuze context was doordesemd van een scherpe onderscheiding tussen lichaam en ziel, met een sterke onderwaardering, zo niet geringschatting van het lichamelijke. En als er iéts lichamelijk is, is het wel de seksuele begeerte, de aantrekkingskracht van man en vrouw, en de geslachtsdaad. Die vreemde oncontroleerbare drift, opgewekt bij het zien van een vrouw. Dan roert zich het vlees. De vrouw werd sowieso al veel meer aards gezien in de oudheid dan de man. Zij baart kinderen, zij bewerkt de aarde, zij bereidt het voedsel. Wanneer je haar ziet, gebeurt er iets in je lijf. Dat mysterieuze, waar je maar moeilijk stuur op kunt houden. Dus al snel is de conclusie getrokken: zij is het die verleidt.

Kortom – is seksuele onthouding niet het beste? Is afzien van het huwelijk en – als je dan toch getrouwd bent – onthouding binnen het huwelijk niet ‘de hogere weg’? Dat werd bon ton in menige beschavingskring in de oudheid.

Alleen-gaan als keuze raakte ‘in’ bij de Grieken. In dit klimaat ontstaat de christelijke gemeente. In dat klimaat ademt zij. Ook Paulus. Menig gelovige ziet er ook wel wat in, in die ascese, in die onderwaardering van de seksuele relatie. ‘Moeten wij ook niet die kant op’, vragen de gemeenteleden aan de apostel. En daadwerkelijk zijn er christelijke groepen die die keuze al gemaakt hebben. Past het ook niet bij de relativering van het huwelijk waar Christus zelf al van sprak?

De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, maar die waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt (Lucas 20 vers 34-35).

Daar staat toch zwart op wit dat de Heer zelf er ook al over sprak. Is seksuele onthouding niet geboden? Is het niet beter te scheiden van de ongelovige partner? Dat soort vragen spelen, en bereiken Paulus. En hij gaat daarop in, nuchter, zakelijk, maar ook zoekend. De apostel zit er midden in. En hij zit er ook mee. Dat ook. Dat voelen we wanneer we bijvoorbeeld I Korintiërs 7 lezen. Paulus schrijft daar bepaald geen Nieuwtestamentische versie van het Hooglied. Geen lofgedicht op de liefde. We treffen een geestelijke leidsman aan, achter zijn schrijftafel bezig vragen te beantwoorden, en zo richting te geven. Hij schroomt daarbij niet zo nu en dan zijn eigen mening te geven. In die uitspraken proeven we zijn eigen voorkeur voor de ongehuwde staat.

Voor de ongehuwden heb ik geen voorschrift van de Heer, dus ik geef mijn eigen mening, als iemand die door de barmhartigheid van de Heer betrouwbaar is. Ik meen dat het vanwege de huidige beproevingen voor een mens goed is te blijven wat hij is. Hebt u een vrouw beloofd met haar te trouwen, verbreek die belofte dan niet; bent u niet gebonden aan een vrouw, zoek er dan ook geen. Het is weliswaar niet zo dat u door te trouwen zondigt, en ook wanneer een meisje trouwt, zondigt ze niet, maar het huwelijk wordt een zware belasting die ik u graag zou besparen (I Kor. 7 vers 25-28).

De apostel benadert de verhouding van man en vrouw en de seksuele omgang vanuit het perspectief van de nabije eindtijd en de missionaire roeping en zending van de gemeente. Daardoor worden in principe alle aardse verbanden en verhoudingen gerelativeerd. Of je nu slaaf bent of vrije; Of je nu man bent of vrouw; Of je nu gehuwd bent of ongehuwd; Of je nu besneden bent of onbesneden ……

Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd (vers 20) en Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt (vers 29).

Waar het om gaat – vrijheid
Dat is de scopus – je handen vrij hebben voor waar het onder de hoogspanning van de ‘laatste dagen’ op aan komt. Gereed zijn voor de dienst van het Rijk; volledige inzet voor de voortgang van het Evangelie. Laten we daarom zorgen met zo min mogelijk ballast op weg te kunnen gaan. Kortom – bewaar zoveel mogelijk je vrijheid! Vrijheid – dat is het kernwoord waaronder je heel Paulus’ betoog in de Korintiërsbrieven kunt samenbrengen. Vrijheid. En getrouwd zijn betekent nu eenmaal extra zorgen, en daarom verdeelde aandacht. Dus gebondenheid.

Een ongetrouwde man draagt zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen. Een getrouwde man draagt zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, dus zijn aandacht is verdeeld (vers 32-33).

Hetzelfde geldt voor de ongetrouwde vrouw, voor het ongehuwde meisje en voor de weduwe: zij kunnen met lichaam en geest de Heer toegewijd zijn. De getrouwde vrouw draagt zorg voor aardse zaken en wil haar man behagen (vers 34). Zij is gebonden, dus niet helemaal vrij.

Waar het niet meer over gaat Wat opvalt bij de apostel is dat we geen woord lezen over de economische noodzaak van het huwelijk, geen woord over de – gezamenlijke – roeping van man en vrouw tot rentmeesterschap over de aarde. Geen woord ook over de noodzaak van voortplanting. En ook geen verwijzing naar de erotische liefdesuitingen als goed in zichzelf. Niets daarover. Daar is de tijd niet voor, en daar is de tijd niet naar. Aldus de apostel. Het huwelijk is principieel gerelativeerd.

Waar gaat het ons wel aan? Hoe ‘horen’ wij in onze culturele en maatschappelijke context de schriftgegevens van Oude én Nieuwe Testament? Kunnen wij er nu iets mee, met wat de apostel in I Korintiërs 7 zegt? Moeten we daar trouwens per se iets mee kunnen? Of mogen we het misschien ook laten voor wat het is: als een inkijkje in een contextueel bepaalde discussie van lang geleden. Wij leven inmiddels 2000 tot 2500 jaar na de teksten uit Nieuwe en Oude Testament. In een andere cultuur dan in het oude Israël. In een heel ander klimaat dan in de Grieks-Romeinse wereld van de vroegchristelijke gemeente. Moeten we er wat mee kunnen? Voor die vraag staan wij nu op onze manier. Laat zich wat Paulus zegt transponeren naar de gemeente, naar jongeren nu?

Wij leven in de 21e eeuw in een westerse cultuur van individualisering, emancipatie en gelijkwaardigheid van man en vrouw. Velen in onze moderne samenleving gaan – lange tijd – alleen. Voor sommigen is dat een bewuste keuze uit motieven van carrière. Vaak is het niet zo’n bewuste keuze. Het is de culturele trend om langdurige bindingen in het leven steeds later pas aan te gaan, of helemaal niet. Voor velen is de seksualiteit losgemaakt van één vaste blijvende liefdesrelatie.

We ademen sowieso in een cultuur met een andere opvatting over de betekenis van familie en met een andere waardering van het hebben van een gezin. Cultureel en maatschappelijk is iemand die alleen gaat of geen kinderen heeft niet (meer) minder of ondergewaardeerd in onze westerse cultuur. Een economische noodzaak om te trouwen en kinderen te krijgen, is er niet (meer). Integendeel zelfs. Huwelijk en gezinsvorming kunnen ervaren worden als een rem op je toekomst als vrouw of als man en vrouw samen. In deze cultuur ademen wij hier in de westerse samenleving.

Het is helder dat een en ander in een Afrikaanse samenleving weer anders ligt. En alleen al de aanwezigheid van allochtonen onder ons – moslim of christen – stelt vragen bij onze ethiek inzake relaties, seksualiteit. Maar, dat gezegd, voorlopig leven wij als christelijke gemeente in een dominante westerse cultuur. En horen daarin deze soms heel weerbarstige teksten van Paulus. Want weerbarstig zijn ze, en in voorbije eeuwen ook nog eens misbruikt. Of Paulus dat nu wel of niet bedoeld heeft – en ik heb de neiging om te zeggen van niet – het blijft een feit dat er een negatieve sfeer is blijven hangen om huwelijk en (vrouwelijke) seksualiteit. Mede door deze teksten uit I Kor. 7. Ongetwijfeld ligt het Hooglied ons meer.

Maar, dat gezegd: waar raakt hij ons nu, geeft hij ons richting?

Ik denk aan drie dingen: De principiële relativering van het huwelijk in de christelijke gemeente. Getrouwd zijn, de man-envrouw-relatie is niet het enige en het is niet het een en al. Er zit iets non-conformistisch onder wat de apostel hier – en op andere plaatsen over arm-rijk, heer-knecht, enz. – zegt over huwelijk en seksualiteit. ‘Christelijk’ en ‘huisje-boompje-beestje’ of ‘mannetje-vrouwtje-(twee) kindertje(-s)’, staan op spanning. Dat moeten we er wel in houden! Ten tweede vragen deze teksten van Paulus om een herwaardering van het alleengaan uit keuze omwille van het Koninkrijk, omwille van de voortgang van het Evangelie, of omwille van een levensroeping. Anders gezegd, de tijdelijke of levenslange onthouding als keuze in vrijheid. Ten derde nodigt de tekst ons om de eigen culturele context te bevragen op grondnoties uit de Bijbel. Elke tijd heeft immers zijn eigen risico’s voor het welzijn van man en vrouw en kinderen, van homoseksueel en alleengaande. Onze westerse cultuur met zijn grote nadruk op individualisering, emancipatie en zijn grote nadruk op de seksuele identiteit van de individuele mens, vraagt om een andere vormgeving van relaties dan een collectivistischer denkende en levende cultuur. Wij leven hier en niet in Afrika of in het Midden-Oosten. Maar tegelijk kan een verindividualiseerde cultuur niet zonder bijbelse tegenstem. Die tegenstem hoor ik bij voorbeeld ten aanzien van het welzijn van het kind. Dat heeft recht op het liefdesverbond van ouders als een bedding voor vertrouwen en veiligheid.

Het zou wel eens kunnen dat het welzijn van het kind en de zorg daarom, ons weer terug brengt bij die vrijheid van I Kor 7. Nu om te zeggen dat individuele zelfontplooiing van man en vrouw niet het een en al zijn, maar in vrijheid gerelativeerd worden. Omwille van waar het werkelijk om gaat.