Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Jesaja 40:11 - Derde Advent

Jesaja 40:11

Als een herder weidt Hij zijn kudde: zijn arm brengt de lammeren bijeen, Hij koestert ze, en zorgzaam leidt Hij de ooien.

Schriftlezing: Jesaja 40:1-11

Het eigene van de zondag

Een pastorale tekst voor de derde advent, zondag Gaudete. Verheuging over de God die zich over ons ontfermt. Wat zou er gebeuren als je over de tekst in de adventsperiode preekt terwijl er in de dienst ook gedoopt wordt? De doop is toch wel het teken bij uitstek waarin God zijn herderlijke zorg laat zien. Ook voor schapen van buiten de stal waar Jesaja's woorden klonken. Dichter op kerst roept het beeld van de herder en de schapen de associatie op van de herders uit de kerstliederen.

Uitleg

Als proloog op het tweede hoofddeel van het bijbelboek Jesaja brengt Jesaja 40 alle thema's die volgen al bij elkaar: terugkeer, herstel, einde van de ballingschap. Beuken herkent in de scene 9-11 een drietal strofen: de opdracht tot verkondigen (9a), de inhoud van de verkondiging, namelijk de komst van God (9b-10a), en wie Hij meebrengt (10b-11). Door de verzen zo met elkaar te verbinden, wordt de nadruk gelegd op het feit dat de herder zijn eigen kudde met zich meebrengt (als loon, vers 10), een kudde die hij zich verworven heeft om thuis te brengen. De vergelijking met Jakob die uit Paddan Aram zijn eigen kudden meebrengt naar het huis van zijn vader, ligt voor de hand. In de gegeven situatie is het einde van de ballingschap nog niet zichtbaar. Er is nauwelijks historische of empirische basis om te veronderstellen dat God bezig is te komen om zijn volk te verlossen. Wat zou ik roepen, vraagt de profeet vertwijfeld (vers 6). Het profetische is daarmee helemaal kêrugma: Gods zorg en heerschappij uitroepen, ook daar waar het niet gezien wordt, noch voor de hand ligt. Waar ballingschap ook verstrooiing betekent, is de herder bezig om bijeen te brengen. Meer nog dan op het terechtbrengen van afgedwaalde schapen of op het vinden van nieuwe weidegronden, ligt de nadruk op het samenbrengen van de ene kudde, een nieuwe gemeenschap (Koole). De sterke arm die heerst (10a) en de schoot die draagt (11b) brengen twee aspecten van God bij elkaar: het gaat hier om een herder-koning, in de wereld van het Oude Oosten overigens geen onbekend beeld.

Vier parallelle werkwoorden kleuren de zorg van de herder in: weiden, bijeenbrengen, dragen (koesteren) en leiden (HSV, NB, NBV). De vertalingen liggen hier, op kleine verschillen na, dicht bij elkaar. In deze beeldspraak komt de breedte en diepte van Gods zorg voor zijn volk samen. De verstrooide ballingen worden bijeen verzameld, het zwakke en kwetsbare wordt verzorgd, vermoeiden verkwikt en de hele kudde wordt naar een plaats geleid waar zij tot rust kan komen. Na de heftige oordeelsprediking en de ballingschap die daarop volgde, is Gods arm niet langer tegen zijn volk gekeerd. Zijn arm is hier het beeld voor ontferming. De deur naar de toekomst gaat open. Een nieuwe exodus wordt aangekondigd, waarbij God aankondigt dat hijzelf de Herder is (vers 10). Daarmee is het beeld van de herder binnenbijbels ontdaan van alle romantiek. Eerst Mozes, daarna David, vervolgens God en zijn Messias, om uit te lopen op de zelfopenbaring van Jezus: ‘Ik ben de goede Herder.’ De rode lijn is die van verlossing en bevrijding. Van uitleiding en begeleiding. Naar een nieuw land, dat het oude land is, het land van de belofte. Dit patroon herhaalt zich in de schrift, in Egypte, in Babel. Dezelfde thema's keren terug in de verkondiging van Johannes de Doper, Jezus en de apostelen.

Aanwijzingen voor de prediking

Het beeld van de herder met de schapen is naast romantisch ook tamelijk cliché geworden. Lukt het nog om te preken over dit overbekende beeld, terwijl het in de bijbel zelf toch een belangrijk beeld blijft voor Gods ontferming (Psalm 23; Lucas 15; Johannes 10)? Er zal voor gewaakt moeten worden om in de preek te veel uit te weiden over gedrag van schapen en herders. Veelmeer moet gezocht worden naar de verbinding die vanuit deze woorden gemaakt kan worden met de verschijning van God in het menselijke vlees, de werkelijkheid waar advent ons op voorbereidt en die we met de viering van kerst gedenken. De derde adventszondag geeft ons zo een gelegenheid om te naderen tot het geheim van de incarnatie. Het ‘Ik ben-woord’ in Johannes 10:11 is meer dan een polemiek met anderen die zich hoeders van Gods verbond en herders van zijn volk noemen. Het is ook een zelfonthulling over de eigen aard van Jezus en zijn relatie tot Israëls God die de naam 'Ik ben' draagt. In Johannes is de eenheid van het godsvolk een belangrijk thema: één kudde en één herder (Johannes 10:16; vgl. ook Johannes 17). De verbinding tussen de beide Testamenten kan in de preek wellicht meer langs een theologische dan langs een typologische weg verlopen: in Jezus openbaart dezelfde God zich die in de uittocht als herder (door Mozes) het volk met een sterke arm uitleidde en de God die in de ballingschap de schapen samenbracht en terugleidde naar Jeruzalem en Sion. Deze herder komt opnieuw en in advent kan dat zowel christologisch als pneumatologisch worden vervoegd: ook de apostelen delen in het herderschap (Johannes 21:15-17). Gods zorg voor zijn wereldwijde gemeenschap gaat door, in Christus en door de Geest. Daarmee sluiten we het beeld van de herder niet op in het verleden, maar is het een typering van Gods voortdurende zorg en begeleiding. Het bijbelse beeld van de herder is robuust en bepaald niet kabbelend. En zonder herder blijven wij dwalende schapen. Hier zit naast de troost ook een scherpe rand aan de verkondiging: zonder deze van God gezonden herder, die zijn leven voor ons overhad, zijn wij overgelaten aan onszelf, en komen wij om in de ballingschap waarin de wereld zich sinds de val van de tempel bevindt. Wij zijn aangewezen op de komst van God, en in Jesaja 40:11 breekt het begin van het licht door als de herder zich meldt. Wij hoeven niet alleen te reizen, want God komt. Voor de gemeente in de wereld betekent dat twee dingen. Allereerst een pas op de plaats. Weiden en bijeenbrengen doet God. En daar moeten wij ons in laten meenemen. Maar als de apostelen in de navolging van Jezus geroepen worden om herder te zijn, dan hoort de gemeente daar ook haar roeping. Om zorgzaam te zijn, om te koesteren en te weiden. Nog beter: daar waar de herder zijn kudde samenbrengt is het goed toeven. Laat de gemeente op weg naar kerst een plaats zijn waar het besef leeft dat de herder ons heeft geroepen op zijn weg naar de nieuwe wereld. Laat die vreugde op deze zondag vanuit de gemeente de wereld in gaan.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 23; Lied 23c (NLB); Psalm 78:25; Lied 450 (NLB). NT-lezing uit Johannes 10.

Geraadpleegde literatuur

Zie ook de schetsen van 30 november (Jesaja 8:23) en 7 december (Jesaja 11:5). W.A.M. Beuken, Jesaja deel IIa (POT); J.L. Koole, Jesaja deel II-1 (COT).