Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Jesaja 8:23 - Eerste Advent

Jesaja 8:23

Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor het land waarin benauwdheid is.

Schriftlezing: Jesaja 8:11-9:6

Het eigene van de zondag

In de weken voor Kerst volgen we de lezingen voor de kinderkerk uit het programma van Stichting Vertel Het Maar. In het kerstproject staan een aantal lezingen uit Jesaja centraal. In de schetsen voor deze zondagen zoeken we de verbinding tussen profeten en evangelisten, tussen Jesaja's getuigen van Gods belofte en Jezus' zelfgetuigenis over zijn verschijning en werk. In veel kerkelijke gemeenten wordt in de periode van advent avondmaal gevierd, de maaltijd van de verwachting. In de klassiek gereformeerde traditie is er de zondag van de 'voorbereiding': de gemeente bereidt zich voor op de ontmoeting met de Heilige, die in het duister van ons bestaan zijn heil doet lichten. En zo komen we bij onze kerntekst, Jesaja 8:23a: 'Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor het land waarin benauwdheid is' (HSV).

Uitleg

De eerste moeilijkheid die zich bij de uitleg voordoet, is het eerste waar de voorganger in de voorbereiding van de kerkdienst tegenaan loopt: wat wordt de Schriftlezing? De perikoopafbakening is meer dan een exegetische kwestie. In de liturgie zullen reeds bij de Schriftlezing de gedachten van de gemeente zich richten op wat komt. Dat is zeker het geval wanneer op de eerste zondag van advent het luisteren zich richt op het komende Kerstfeest en daarmee op de geboorte van Jezus Christus. Maar, kunnen we in het licht van de Jesajatekst wel zomaar bij hoofdstuk 9 vers 1 beginnen? Hier nemen bijbelvertalingen ook verschillende afslagen. De HSV laat de perikoop in 8:23 beginnen, terwijl de NBV de knoop ergens halverwege het 23e vers doorhakt. En passant lopen we ook tegen een vertaalprobleem op: begint dat 23e vers nu dreigend: wie door de duisternis omsloten wordt, zal niet ontkomen (NBV), of juist hoopvol: er zal geen donkerheid blijven voor het land waarin benauwdheid is (HSV). Voor het goede verstaan zullen we moeten beginnen bij de historische achtergrond waartegen Jesaja 8 klinkt. Het Noordrijk was ca. 735 v.Chr. in de greep van de Assyriërs gekomen en daarmee in de macht van Tiglath-Pileser III. De koning van Juda, Achaz, zocht zijn heil bij de koning van Assyrië, vanwege een dreiging die uit de andere richting kwam, Syrië. Achaz haalde zich daarmee het oordeel letterlijk op zijn hals en liet zichzelf en het volk Israël het juk van de vreemde macht en de vreemde goden opleggen. Achaz liet bijvoorbeeld een altaar uit Damascus namaken, om het daarna in de tempel van Israëls God te plaatsen (2 Kon. 16:7-18). Vlak daarvoor werd Jesaja geroepen tot profeet, een extatische ervaring op de drempel van de tempel waarin de HEER zich in zijn heiligheid aan hem bekendmaakt (Jes. 6). In de tijd van Achaz spreekt Jesaja. Van drie kinderen wordt de naam genoemd als een teken van JHWH's blijvende betrokkenheid, in deze tijd van oorlogen en het aangaan van vreemde verbintenissen: Sjear-Jasjub (7:3); Immanuel (7:14); en Maher Sjalal Chasj Baz (8:3). Als hoofdstuk 9 spreekt over een 'kind dat ons is geboren' (9:5), dan staat ook dit kind in het licht van Gods verbondstrouw. In donkere tijden is er een kleine groep rond Jesaja ('ik en de kinderen die de HEER mij heeft gegeven', 8:18) die blijft vasthouden aan Gods geboden en die de HEER blijft vrezen. Zij houden zich vast aan het eerste onderwijs dat Jesaja had ontvangen en blijven zich richten op God (8:11). Wie meegaat met de gedachten van mensen, zal geen God overhouden. Onze weg leidt tot duisternis, zijn weg breng licht (Oswalt). Jesaja ziet het in het vertrouwen op militaire bondgenootschappen (de samenzweringen in 8:12) en het raadplegen van andere transcendente machten (de geesten uit 8:19). Zo raak je God niet alleen kwijt, Hij zal zich ook tegen je keren. Alsof de Heilige van Israël een boobytrap plaatst voor zijn eigen volk (Snijders): zij zullen zich aan hem stoten als tegen een steen (8:14-15, vgl. Ps. 118:22). En de duisternis zal zo diep vallen dat het werkelijk 'dooddonker' (Buitink-Heijblom) is, een angstaanjagende duisternis blijft over (8:22). En zo kunnen we de vertaling van 8:23 door de NBV goed invoelen: want de duisternis die we over onszelf afroepen is dan ook een onontkoombaar fatum. Toch zou Israëls God zichzelf niet zijn als Hij zich daar bij zou neerleggen. Hij die vernedert is dezelfde die verhoogt, uit zijn barmhartigheid stroomt licht en daarmee heil (Luc. 1:51-55). Jesaja en zijn kinderen met vreemde namen, zijn als een 'latente kerk' (Snijders) die ondanks de door het volk verkozen duisternis, blijft vertrouwen op Gods genade. En zo klinkt dan ook de andere kant van 8:23 in de vertaling HSV: er zal geen donkerheid blijven. Hij die minachting bracht, zal ook eer bewijzen. En het begint in het noorden. Precies daar waar de legers van Tiglath-Pileser hadden toegeslagen, zal God met het licht van zijn heil komen: in Galilea. De komst van het kind dat God toezegt, is tegelijk de ontmaskering van onze eigen leegheid en machteloze woede (8:21) en goddelijk verzet tegen een slavenjuk en de soldatenlaars (9:3-4). En deze God herkennen wij, met Matteüs, in het kind van Betlehem, wiens juk licht is (Mat. 11:30) en die daar verschijnt waar het oordeel is begonnen, in Galilea (Mat. 4:14-17).

Aanwijzingen voor de prediking

Het model van belofte-vervulling heeft een belangrijke functie in de christelijke Schriftuitleg. Het doet recht aan Gods trouw, voedt de christelijke hoop en leert het uithouden als de verwachting nog niet voldragen is. In de prediking tijdens de adventperiode zullen deze aspecten doorklinken vanuit het brede getuigenis van de Schrift. De verleiding bestaat echter om vanuit een (aanvullende) heilshistorische benadering de eigen aard van het Oudtestamentisch getuigenis te laten verbleken. De verkondigende kracht van Jesaja is weerbarstiger en ziet wijder dan de beperking tot de adventsperikoop 9:1-6 suggereert. Het volk dat in duisternis wandelt, heeft zichzelf in de duisternis gebracht. Binnen dat volk is er een 'latente kerk' die blijft vertrouwen en blijft uitzien. De woorden van Jesaja zijn geen verschoten decor waartegen de adventsprediking klinkt. Zij zijn het levendige toneel waarop de komst van God wordt aangekondigd en waarop deze aankondiging wordt bewaard als licht in een duistere wereld of wordt ontkend door de mens die zijn heil elders zoekt en terechtkomt in de cirkel van duisternis en woede. Hier kan de prediker iets benoemen van de duisternis van de mens die het geluk overal zoekt, maar de weg naar Israëls God kwijt lijkt te zijn. De woede die zich richt tegen hen die iets aan alle problemen zouden moeten kunnen doen (8:21) is wel niet een op een te vertalen naar de grote teleurstelling die er is in politiek en wereldleiders, maar de houding is maar al te herkenbaar. Als we de deur naar de hemel niet meer weten te vinden, daalt de duisternis langzaam over ons hart. In die werkelijkheid klinkt nog steeds hetzelfde evangelie: God legt zich niet neer bij onze zelfgekozen duisternis. De verwachting van het kind (9:5) breekt de ban van de duisternis (8:23, NBV), in de zekerheid dat de benauwdheid niet het laatste woord heeft (8:23, HSV). Licht breekt door, vanuit God. En dat brengt de gemeente in de periode van advent ook tot zichzelf (advent is ook een tijd van boete) en herinnert haar aan haar roeping in de wereld: de Heer blijven verwachten.

Liturgische aanwijzingen

De hoofdlezing Jesaja 8:11-9:6 resoneert op diverse manieren in andere bijbelgedeelten, waaronder Psalm 118. Voor een NT-lezing ligt Matteüs 4:12-17 voor de hand. Maar ook Johannes 8:12-20 is mogelijk: het ‘Ik ben-woord’ van Jezus, dat Hij ‘het licht van de wereld' is. Liederen: LB 448 (LbK Gez. 25), 449 en 454 zijn Schriftberijmingen bij Jesaja 9; Psalm 46:3 (Hij verslindt het oorlogstuig) en Psalm 118:6 en 8.

Geraadpleegde literatuur

M.A. Buitink-Heijblom, 'Licht in de duisternis' (Jes. 9:1), in: Verkenningen in Jesaja, Kampen 1991; L.A. Snijders, Jesaja deel I (POT), Nijkerk 1969; John N. Oswalt, The Book of Isaiah (NICOT), chapters 1-39, Grand Rapids 1986.