Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Johannes 20:16,17 - Pasen

Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’. Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zegen tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die jullie God is.’

Johannes 20: 16 en 17

Inleiding

In de weken voor Pasen blik ik terug op een eerder gehouden Paaspreek over boven genoemde Schriftlezing. Vanuit deze terugblik geef ik aan welke homiletische bewegingen ik heb gemaakt en geef ik wat exegetische en hermeneutische overwegingen mee.

Lijnen voor de verkondiging

Bij de lezing van Johannes 20 werd ik bijzonder geraakt door Maria, met name door haar verdriet dat als een sluier om haar heen hangt. Ze bemerkt pas bij een tweede bezoek aan het graf de aanwezigheid van engelen in de grafkamer en keert hen al snel de rug toe. Vervolgens ziet ze Jezus en herkent ze hem niet. Ze meent met de tuinman van doen te hebben. Vanuit Johannes 20 heb ik de volgende bewegingen gemaakt in de preek, die cirkelen om de ontmoeting tussen Jezus en Maria.

Ze hebben mijn Heer weggenomen

Maria komt bij het graf als het nog donker is. Schnackenburg ziet in die vermelding van Johannes een verwijzing naar de mensen ‘bei denen der Glaube an seine Auferstehung noch nicht erwacht ist’. Haar Heer is weggenomen en waar Hij is, dat weet ze niet. Het roept een wereld aan wanhoop en verdriet op. Het is een zin die door Maria twee keer wordt uitgesproken. Eerst algemeen, als zij spreekt over ‘de Heer’ (vers 2) en vervolgens persoonlijk, wanneer zij Hem ‘mijn Heer’ (vers 13) noemt. ´In Jezus dood gaat alles ten onder´, schrijft Miskotte in een preek over Johannes 20.

Het verdriet van Maria kan zomaar de herinnering oproepen aan een verlies dat je zelf geleden hebt. Hoewel de treurnis van Maria iets verbeeldt van verloren hoop en verwachting, een verlies dat is samengebald in het verdwenen lichaam van Jezus, kan het wel goed zijn om de lijn te trekken naar de herkenning die haar verdriet oproept. Naar het staan bij een graf, als de plek waar tranen worden gestort om hem of haar die er niet meer is. Een verlies dat zomaar kan worden opgeroepen bij de lezing van het Paasevangelie.

Het donker van de ochtend is het donker van de wanhoop om Jezus die er niet meer is. Niet meer in leven, zelfs niet meer in het graf. De ontreddering als Jezus zijn vertrek aankondigt (Johannes 13: 33) komt op de Paasmorgen ten volle naar voren. Het is een ontreddering die van alle tijden is. Dat we niet weten waar we het zoeken moeten. Waar we Hem zoeken moeten. Geen verwachting en geen hoop meer op het licht van Godswege dat zal doorbreken. En dan maar zoeken bij een graf. De Levende bij de doden. (Lucas 24: 5) Hem zoeken waar Hij niet te vinden is. Het maakt schrijnend zichtbaar dat we nauwelijks nog iets van God verwachten.

Tegelijk klinkt in die kreet van Maria ook door hoezeer het haar te doen is om de persoon Jezus Christus. Zijn nagedachtenis, om het zo maar te zeggen, is haar niet genoeg. Het gaat haar om Christus zelf.

Bij name genoemd

En Hij roept haar bij haar naam. Een ongekende ontmoeting tekent zich voor ons af. Maria, die de engelen de rug toekeert, Jezus aanziet voor de tuinman en in zijn eerste woorden tot haar nog niet hoort wie Hij is. Tot haar naam klinkt. Daar gebeurt het. Niet bij het lege graf. Noch bij het getuigenis van de andere leerlingen of de verschijning van de engelen. Het overtuigt Maria op geen enkele manier. Zelfs de ontmoeting met Jezus niet. Totdat haar ziel wordt aangeraakt en zij de stem van de Opgestane hoort: Maria!

De scheppingskracht van het woord van God (Johannes 1) zet Maria in een ander licht. De dichte sluier van verdriet en geslotenheid breekt open. Maria herkent en erkent Jezus als de Opgestane.

Zo doet God met ons. Hij noemt ons bij name. Zoals Christus met Maria deed, zo doet God met ons, aldus Miskotte in de eerder genoemde preek. De Bijbel bevat daar talloze getuigenissen van. En nog steeds getuigen mensen van die ontmoeting met de Levende Heer. Niet in het minst onze broeders en zusters in vervolging.

Op de catechisaties merk ik hoe tieners daarnaar zoeken en vragen, naar getuigenissen van die persoonlijke ontmoeting met Christus. Het is de kracht van het Evangelie, van het open graf, dat onze God een God van levenden is en dat Hij spreekt en harten aanraakt.

Een nieuwe schepping

Maria keert zich om (vers 16) en erkent Jezus als haar Heer en Meester. Waar zij zich eerst van alles en iedereen afkeerde, is zij nu omgekeerd en voor Jezus komen staan. Rabbouni, erkent ze. In die ontmoeting wordt scherp zichtbaar dat alles anders is geworden. Het donker is verjaagd en de dag is aangebroken. De Heer is waarlijk en lichamelijk opgestaan. Maar Maria mag Hem niet vasthouden (artestai). Het ´houd mij niet vast´ van Jezus kan ook vertaald worden met ´houd mij niet langer vast´. Heeft ze Hem omhelsd, is ze aan zijn voeten geknield? Of duidt Jezus hier op iets anders? Hoe dan ook moet Maria Hem laten gaan, omdat Jezus opgaat naar zijn Vader. Pasen en Hemelvaart vallen samen.

Vanuit Johannes 14 weten we dat Jezus´ hemelvaart geen scheiding betekent, maar uiteindelijk een volledig herstel van de verbondenheid met Jezus en zijn Vader. Jezus gaat heen om een plaats te bereiden voor zijn leerlingen. (Johannes 14: 2, 3) De kruisiging is tegelijk de verhoging en leidt tot verheerlijking (Schnackenburg). Een verheerlijking waarin volgelingen van Jezus mogen delen.

In ´The Ressurection of the son of God´ laat N.T. Wright zien hoe Johannes 20 gelezen moet worden vanuit de proloog en het geheel van het Johannes evangelie. Jezus brengt door zijn opstanding een nieuwe gemeenschap, een nieuwe schepping zogezegd. ´Reading chapter 20 in the light of the prologue, we are thus to understand that Jesus´ death and resurrection have together effected for the disciples the new birth which was spoken of in 1.13 and 3.1-13´. (p. 667)

Liturgische aanwijzingen

Als oudtestamentische lezing kan vanzelfsprekend het begin van Genesis 1 gelezen worden bij Johannes 20. Wat liedkeuze betreft denk ik aan psalm 19, psalm 118 en mogelijk ook psalm 139. Verder biedt het Liedboek voor de Kerken een aantal krachtige Paasliederen waar ook het thema van de schepping in terugkomt, zoals gezang 210 (LvK), gezang 221 (LvK) en gezang 225 (LvK). Bij de tekst sluit gezang 217 (LvK) goed aan.

Geraadpleegd

K.H. Miskotte, Verzameld Werk 3
Rudolf Schnackenburg, Das Johannesevangelium,13-21, (Herders Theologischer Kommentar zum Neuen Testament), Freiburg 1975
N.T. Wright, The Resurrection of the Son of God, Fortress Press Minneapolis 2003