Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Psalm 44:23 - Herdenken en vieren

Psalm 44:23

4 en 5 mei

... afgevoerd als schapen voor de slacht.

Schriftlezing: Psalm 44

Het eigene van de dagen

De vijfde mei - in 1945 de datum van de ondertekening van de capitulatie door Duitsland - is de dag geworden waarop jaarlijks de bevrijding van het Koninkrijk der Nederlanden van de Duitse én de Japanse bezetter wordt herdacht en gevierd. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei spreekt inderdaad over ‘herdenken & vieren’ op de ‘nationale dagen’. Maar zijn het ook kerkelijke dagen? Neen. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland komen ze althans niet voor. En in de reeks ‘feest- en gedenkdagen met vaste datum’ in DB I worden ze niet genoemd. Dat de dagen noch in de kerkorde noch in het dienstboek voorkomen, zegt niet alles. Er zijn gemeenten die in het kader van herdenken en vieren in de eredienst samenkomen. Ook wordt ‘de kerk’ (vaak in de persoon van haar voorganger) wel betrokken bij algemene bijeenkomsten. Met het oog daarop wordt in deze Postille een schets aangeboden. Deze is toegespitst op een eredienst dan wel bijeenkomst op 4 mei. Overigens: voor het laatst werden in Postille 41 (1989-1990) bijdragen voor ‘gedenken’ en ‘vieren’ opgenomen

Het specifieke karakter van de vierde (en de vijfde) mei rechtvaardigt een thematische aanpak waarbij niet alleen bijbels-theologische maar ook nationaal-historische overwegingen aan de orde kunnen komen. Het algemene begrip ‘slachtoffer’, dat in de bijbel een geheel eigen kleur heeft, leent zich daar bijzonder goed voor. In deze schets wordt de üjn getrokken van Psalm 44:23 naar Romeinen 8:37, waar de apostel Paulus het psalmvers citeert.

Uitleg

Psalm 44 is een ‘gebed van het verdrukte volk’ (NBG), uit een periode waarin Israël, het Joodse volk, slachtoffer was. De meeste uitleggers (onder wie een aantal kerkvaders en de reformator Calvijn) gaan ervan uit, dat het lied in de Makkabeeëntijd is ontstaan, toen de Joden onder de Syrische koning Antiochos IV Epifanes leden.

Aan het eigenlijke gebedslied (vs. 10-27) gaat een soort ‘introïtus’ vooraf (vs. 2-9). Daarin worden de heilzame daden van God in het verleden, vooral toen het land Kanaan veroverd werd, bezongen. Hoewel: ‘veroverd’? Men kan beter zeggen: ‘verkregen’, want God vormde de slagkracht van Israël. Hierbij moet wel onder ogen gezien worden, dat de psalm een geloofsgetuigenis en niet een objectief verslag behelst. Smelik heeft aangetoond, dat de trauma’s die het Joodse volk in de loop der tijden heeft ondergaan, de visie op geweld en oorlog gestempeld hebben. Dat komt ook tot uitdrukking in een retrospectieve tekst als de onderhavige aangaande de verovering van het beloofde land. De psalmist kan wel geloven, dat zijn volk het land van Godswege verkregen heeft, hij kan toch niet ontkennen, dat Israël zelf op het toenmalige strijdtoneel geopereerd heeft. Overigens: in de inleiding klinkt ook nog vertrouwen op God door (vs. 5-9).

Het hoofddeel van Psalm 44 bestaat uit drie onderdelen. In de verzen 10-17 wordt de nood geschilderd. Het volk wordt door vijanden bedreigd: de legers zijn verslagen (vs. 10). De militaire nederlaag is niet het enige: er heeft een grote plundering plaatsgevonden (vs. 11). Bij dat alles zijn veel slachtoffers gevallen, waar God de schuld van krijgt: ‘U hebt ons als slachtvee uitgeleverd, ons onder vreemde volken verstrooid, u hebt uw volk van de hand gedaan, veel bracht de verkoop u niet op’ (vs. 12). De naburige volken spotten (vs. 14-17). In het tweede onderdeel (vs. 18-23) klinken vragen en klachten, ontkenningen en tegenwerpingen; in het derde onderdeel (vs. 24-27) roept het volk in een viervoudige bede tot God om hulp.

In noodsituaties kwam het volk wel bijeen in het heiligdom, waar een vasten uitgeroepen werd (vgl. 2 Kron. 20:3). Op toonhoogte gebracht door de ‘voorbidder’, zong men een klaaglied (vgl. 2 Kron. 20:6-12). De stem van die voorbidder is in de verzen 5, 7 en 16 van Psalm 44 duidelijk te herkennen. Onduidelijk is, of hij de aanvoerder van het leger of de koning van het volk is. Hij kan ook een ander zijn, hoe dan ook vertegenwoordiger van de gemeenschap.

In vers 23 roept het volk uit: ’Toch worden wij dag na dag om u gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’ Die uitroep komt, nadat het volk in de verzen 18 tot en met 21 benadrukt heeft, dat het God niet ontrouw geweest is. Veeleer is het zo, dat men leed ondervindt, omdat men met Hem verbonden is. Zo roert het lied op sobere wijze het geheim van Israël aan. Overigens: in dat opzicht is sprake van een parallel met het lijden van de rechtvaardige zoals dat elders in het boek der Psalmen en in andere Joodse literatuur te vinden is. In het laatste vers van zijn lied smeekt de ‘opstandige’ psalmist God om op te staan: ’Sta op, kom ons te hulp, verlos ons, omwille van uw trouw’ (vgl. Ps. 7:7).

Paulus citeert de zin ‘Toch worden wij dag na dag om u gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht’ in de passage Romeinen 8:31-39, en wel in vers 36. Het gedeelte wordt gekenmerkt door een hymnische stijl. De apostel slaat de toon van de overwinning aan (vgl. vs. 37: ‘Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk...’), als hij over ‘de zekerheids des geloofs’ (NBG) spreekt, als samenvatting van alles wat hij daarvóór aan de orde gesteld heeft. De briefschrijver vraagt in vers 35: ’Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard?’ Hij vervolgt in vers 36: ‘Er staat geschreven: “Om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’” Kraus ziet het citaat uit Psalm 44:23 in Romeinen 8:36 als een bewijs dat de boodschap van de rechtvaardiging stevig in de oudtestamentische psalmen verankerd is (Kraus, Theologie der Psalmen, 253).

Hoe kan de zin over slachtoffers in een ‘gebed van het verdrukte volk’ (Ps. 44) overgenomen worden in een loflied (Rom. 8:31-39)? Dat heeft alles te maken met het slachtoffer bij uitstek, Jezus Christus. Slachtoffer van mensen en machten, van duivel en demonen. Maar ook: slachtoffer van Godswege, naar Jesaja 53:7: ‘Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open’ (vgl. Openb. 5:6 en 1 Petr. 2:23).

Een vraag die met het oog op de verzen 35 en 36 van Romeinen 8 gesteld zou kunnen worden, is deze: of het om lijden om Christus’ wil (te denken valt aan de martelaren in de kerkgeschiedenis!) of om lijden in algemene zin gaat. Voor de eerste interpretatie spreken teksten als 1 Kor. 15:31 en 2 Kor. 4:10v. Maar voor de verklaring dat ook de meer schepselmatige ellende (vgl. vs. 19) van de condition humaine bedoeld is, valt ook iets te zeggen.

Aanwijzingen voor de prediking

In een eredienst kan de prediker beginnen met royale aandacht voor het begrip ‘slachtoffer’ in relatie tot de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog te vragen. Er is alles voor te zeggen om het menselijke trekken te geven, en wel door diverse categorieën van slachtoffers te benoemen. Bij het lot van het Joodse volk is een parallel te trekken tussen de gevolgen van de tirannie van Antiochos IV Epifanes en die van Hitler. Een vraag die zich hierbij voordoet, is deze: is het wel mogelijk om altijd scherp te onderscheiden tussen slachtoffers enerzijds en daders anderzijds? Uit de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog is duidelijk geworden, dat vaak sprake geweest is van zodanig complexe motieven en ook omstandigheden van politieke, militaire en economische aard, dat een zwart-witbenadering onjuist is. De prediker kan dit aspect aan de orde stellen bij de uitleg van de gelovige kijk van de psalmist op de ‘verovering’ van Kanaan. Het Joodse volk is in de loop van de geschiedenis talloze malen slachtoffer geweest, maar het is ook wel dader geweest. Al zegt de dichter, dat men het beloofde land niet veroverd, maar verkregen heeft.

Daarna kan de prediker stilstaan bij ‘slachtoffer’ in de bijbel. Een hermeneutische kwestie die in dat verband wel enige overdenking vergt, is: wie zijn ‘Gods uitverkorenen’ (Rom. 8:33), die slachtoffers blijken te zijn? Visser schrijft met betrekking tot het gebruik van Psalm 44:23 in Romeinen 8:36: ’Het is heel geweldig dat Paulus dit woord uit Psalm 44 citeert als hij het heeft over de verdrukking en de benauwdheid, de vervolging, honger, naaktheid, het gevaar en het zwaard, die de christenen van zijn dagen van de kant van de antichristelijke mensen overal en vooral in Rome moesten ondergaan. Hij vervolgt dan: dat leed, dat onrecht, die mishandelingen kómen niet van God, maar zijn juist gericht tégen God. Omdat de vijanden van Christus God zelf niet te pakken kunnen krijgen, koelen ze hun woede op degenen die in Hem geloven.’ (Visser, 200). De scribent cursiveert christenen. Maar niet vergeten mag worden, dat het psalmvers over slachtoffers in de eerste plaats op Israël, het Joodse volk sloeg, niet op christenen, van wie de meesten heidenen-van-huis-uit zijn. In dit verband een opmerking van Kroon: ‘Reeds vroeg heeft de christelijke gemeente helaas de aanleiding tot dit citaat vergeten en deze woorden, gelijk heel Romeinen 8, geheel de brief aan de Romeinen, ja, geheel de Schrift, op zichzelve betrokken (en daarmee geannexeerd). (...) Wordt de Kerk trouwens (althans in “het Westen”) “gerekend als slachtschapen”?’ (Kroon, 185).

De prediker kan besluiten met het veertiende couplet van het Wilhelmus, waarin ook - net als in Romeinen 8:31-39 - sprake is van een verwijzing naar Psalm 44:23:

Oorlof, mijn arme schapen
die zijt in grote nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid!
Tot God wilt u begeven!

Zijn heilzaam woord neemt aan!
Als vrome christen leven,
't zal hier haast zijn gedaan!

De zin ‘uw herder zal niet slapen’ (vgl. Ps. 121:3v) is ongetwijfeld het antwoord van de dichter van het volkslied op de oproep aan God in Psalm 44:24 (‘Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig’). In navolging van Israël, het Joodse volk belijdt de christelijke gemeente God als de herder, van wie gezegd wordt ‘Hij zal mij geleiden naar grazige weiden. Hij voert mij al zachtkans aan waatren der rust’ (Gez. 14:1). Die heeft zij leren kennen in de goede herder, die gezegd heeft ‘Ik geef mijn leven voor de schapen.’ (Joh.l0:15).

Overigens: dat in het Wilhelmus over ‘mijn’ schapen gesproken wordt, wijst op de nauwe relatie tussen de prins die hier het woord voert en zijn volk. Den Besten stelt in zijn proefschrift over het volkslied: ‘(...) “in grooten noot” zijn diegenen die in het vaderland zijn achtergebleven, met de dood bedreigd, ondergedoken - “onder het kruis” levend - en tot hun nood behoort óók het feit, dat velen van hun dierbaren zijn gevlucht, wie weet waarheen, ja misschien niet eens meer in leven zijn. Ik moet - alweer - aan Psalm 44 denken: “Gij hebt ons overgeleverd als slachtvee, ons onder de volken verstrooid (...)” (vs. 12). Natuurlijk, de dichter heeft wel aan de ballingen gedacht - was hij zelf niet één van hen? - maar nog veel meer aan het volk zonder leidsman in de Nederlanden. Een kudde zonder herder is bijna per definitie een verstrooide kudde en tot die verstrooide schapen richt hij zich uit naam van de Prins. Zó gezien, is met “uw Herder” dus Willem van Oranje bedoeld’ (Den Besten, 33). De auteur voegt er, verderop, aan toe: ‘Persoonlijk houd ik het ervoor, dat de dichter met “uw Herder” allereerst de Prins op het oog heeft gehad, maar de metafoor bewust doorschijnend heeft willen houden tot op de beide andere gestalten: Christus, God.’

Liturgische aanwijzingen

Gezang 294:6 kan als een echo van Psalm 44:24 gezien worden, de eerste zin van Gezang 294:7 als een verwijzing naar Psalm 44:23. In Psalm 79:1 wordt bezongen hoe ‘de heidenen’ Gods erfdeel in bezit genomen hebben (vgl. Ps. 74), in Psalm 79:5 duidt het volk Israël zich als de schapen die Gods roepstem horen, aan. In Gezang 190:2 wordt Jezus ‘slachtlam’ genoemd (vgl. Gez. 188:1; 254:3; 267:3). In de Gezangen 179:5 en 187:1 wordt gezegd, dat hij als een lam ter slachtbank ging (vgl. Gez. 181:4). In Gezang 110:1 is het eschatologische motief uit Openbaring 5:12 te herkennen. Natuurlijk is er ook alle reden om Gezang 411:4 te laten zingen. In het register van het LB wordt een flink aantal suggesties bij Romeinen 8:31 - 39 gegeven. Het herderschap van Jezus komt in Gezang 75:14 aan de orde. - In het DB I wordt een ‘Voorbede rond 4 en 5 mei’ aangeboden (DB I, 802-804). Wie een gedicht zoekt in verband met 4 en 5 mei kan bijvoorbeeld terecht in: Hans Warren, Mario Molegraaf, Die dag in mei vergeet ik niet. De mooiste Nederlandse bevrijdingspoëzie, Amsterdam 1995 (Ooievaar pocket).

Geraadpleegde literatuur

A.C. den Besten, Wilhelmus van Nassouwe. Het gedicht en zijn dichter, Leiden 1983; Hans-Joachim Kraus, Psalmen 1-59 BK, Neukirchen-Vluyn 1978 (vijfde dr.); Hans-Joachim Kraus, Theologie der Psalmen BK, Neukirchen-Vluyn 1979; K.H. Kroon, ‘Zondag 14 October - Psalm 44:23’, in Postille 7 (1955-1956), 184-187; K.A.D. Smelik, Een tijd van oorlog, een tijd van vrede. Bezetting en bevrijding in de bijbel, Zoetenneer 2005; H.A. Visser, De Psalmen in onze tijd. Het altijd jonge lied deel 2 (Psalm 26-50), ’s-Gravenhage 1989; Kees Waaijman, Psalmen vanuit ballingschap, Kampen 1986; Ulrich Wilckens, Der Brief an die Romer (Röm 6-11) EKK, Zürich, Einsiedeln, Köln - Neukirchen-Vluyn 1980.