Oude Testament

Nieuwe Testament

Kerkelijk jaar

Onderwerpen

Categorie

Bron

Preekschets Romeinen 6:11

Zo dient u uzelf ook te beschouwen als dood voor de zonde, maar voor God levend in Christus Jezus - Romeinen 6:11

Schriftlezingen

Psalm 119:25-32; Jer. 31:31-34; Rom. 6:1-14

Het eigene van de zondag

In de weken na Pasen is het goed om nadrukkelijk stil te staan bij de betekenis en de gevolgen van de heilswerkelijkheid dat we met Christus zijn gestorven en opgestaan. Met kruis en opstanding in de rug en de komst van Christus voor ogen, worden gelovigen het hele NT door geroepen tot een nieuw leven, een andere manier van doen en laten dan daarvoor, om zodoende gelijkvormig worden haar levende Here (vgl. Rom. 12:1 e.v.; Efeze 2:10; Fil. 3:10-14; Kol. 3:1 e.v.; 1 Petrus 2:19-25; 1 Joh. 3:1-3). Het staan en gaan in deze werkelijkheid maakt de identiteit uit van Christus’ gemeente. Het blijft echter een levenslange oefening om ons dat eigen te maken. Telkens blijkt dat dit lang niet altijd zó tussen de oren van veel gelovigen zit – en daarmee richtinggevend is voor hun leven – als zou moeten. Herinnering daaraan en aansporing daartoe blijven dan ook broodnodig. Het is wel zaak dat niet al klagend en zuchtend te doen, maar de gemeente mee te nemen in de blijdschap van Pasen: we zijn in Hem verlost van oude slavernij en vrij om de liefde van Christus – Gods gerechtigheid volgens Rom. 6:13 – royaal en ruimhartig te leven (Vgl. Gal. 5:1,13,14). In dat licht krijgt de vermaning haar eigen scherpte en kracht.

Uitleg

In een dialogische stijl gaat Paulus in op een veel gehoord misverstand dat de verkondigde genade zou leiden tot een ‘er maar op los leven’ (vs. 1). Zijn reactie is even kort als krachtig: Volstrekt niet! Hoe zouden wij die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? (vs.2). Er klinkt verontwaardiging in door. Tegelijk toont hij begrip voor deze steeds weer opduikende gedachte door stap voor stap duidelijk te maken dat het precies andersom is: juist omdat mensen onder de genade leven, zal de zonde niet over hen heersen (vs. 14). In zijn zorgvuldig opgezette redenering zit een opvallende verschuiving: het verontwaardig weerleggen van verkeerde conclusies wordt tot een hartstochtelijk pleidooi om vanuit Christus te kijken naar jezelf en vanuit die positie te leven.

De indicatief van de doop, waarin de gemeente met Christus gestorven is en met Hem is opgestaan, leidt tot onontkoombaar tot de imperatief om zich deze genadige realiteit werkelijkheid voortdurend bewust te worden en vanuit die nieuwe identiteit te denken en te doen (vs. 4-6). Door hun overgave aan Gods genade (Rom. 3: 21-25 en 5:1), dat hoorbaar werd in het aanroepen van de naam des Heren en zichtbaar werd in hun doop zijn de gelovigen zo met Christus verbonden geraakt dat zij één plant met Hem geworden zijn. Zij zijn met Hem samengegroeid, zoals een klimop vergroeit met de plant waaraan die zich hecht. Hun leven kan niet meer los worden gedacht van Hem, die stierf aan de zonde en leeft voor God. De verzoening van door Zijn bloed luidde het einde in van het bestaan tot dan toe: het als slaaf dienen van (leven voor) de zonde (vs. 6). De ‘oude mens’ die zich had uitgeleverd aan de zonde en op wie de zonde zodoende aanspraak kon laten gelden, over wie de zonde het rechtens voor het zeggen had, is in Christus’ dood gestorven en begraven. Daarmee vervallen de rechten die de zonde op ons had: op een gestorvene kun je immers geen aanspraak meer maken. En een begravene kun je niet langer voor je laten lopen (vs. 6,7). Het komt er nu op aan dat gedoopte gelovigen zichzelf leren zien als mensen van wie het vroegere bestaan met Christus de dood is ingegaan en die met Hem zijn opgewekt om van nu af aan te leven voor God. Zij worden door Paulus opgeroepen zich deze realiteit voor steeds voor ogen te houden: Zo dient u uzelf ook te beschouwen als dood voor de zonde, maar voor God levend in Christus Jezus. Het een aansporing tot een gerichte oefening om je de gegeven identiteit eigen te maken en met deze realiteit vertrouwd te raken. Elders heet het een ‘je zelf wapenen met deze gedachte’ ((1 Petrus1:4). Door dit te doen verliest de zonde zijn vat op mensen. Bij een dode klopt de zonde tevergeefs aan. Als vanzelf volgt daaruit de indringende vermaan en het radicale (militaire) bevel van vers 12 en 13: Laat dan de zonde niet regeren in uw sterfelijk lichaam om aan de begeerten. En stel uw leden – je ogen, oren, handen, voeten, je hart en mond - niet ter beschikking voor de zonde als wapens van ongerechtigheid, maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de dood levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van de gerechtigheid zijn voor God. Uit deze bewoordingen blijkt dat niks zo voor de hand ligt als dit, maar er tegelijk niets vanzelf gaat. Onvoorwaardelijke genade en volledige inzet gaan bij Paulus hand in hand. Leven uit het ‘volbrachte werk’ maakt mensen niet lui, maar actief: het geeft nieuw te denken en anders te leven. De geschonken vrijheid schept een nieuwe verantwoordelijkheid: ons dood te houden voor de zonde en te leven voor God. Maken wij hier werk van, dan wordt het dankzij de Geest die in ons woont werkelijkheid (vgl. Rom. 8:2 e.v.; Fil. 2:12,13)

Wat Paulus hier schrijft staat niet los van het OT: het is een vervulling van eerder gedane beloften (zoals Jer. 31:31-34) en wordt gedragen door eerder opgezonden gebeden (zoals Psalm 119).

Preekschets

  • Je kunt niet royaal genoeg spreken over de genade. In Rom. 3 pakt Paulus breed uit: we worden gerechtvaardigd om niet, wat er ook is gebeurd en wie we ook zijn. Er wordt geen enkele voorwaarde gesteld. Eerlijk toegeven is het enige dat telt. Daarom kun je vandaag terecht. Het wordt je van Godswege zelfs gebeden... (vgl. 2 Kor. 5:18-21) Het is nooit een vraag of Hij genade wil bewijzen – dat is een belofte met een eed bezegeld! – het is in de Schrift altijd de vraag of wij van deze genade gediend zijn. En zowaar Jezus ons het gebed ‘Vergeef ons onze schulden…’ op de lippen legde, mogen we dagelijks op die genade door leven.

  • Op de één of andere manier vinden mensen, ten tijde van Paulus en vandaag de dag, dat altijd weer net iets te makkelijk. Als het enkel genade is, kun je maar raak leven, suggereren ze. Genade alleen, als bron waaruit je dagelijks leeft, zou te gemakzuchtig maken, ‘lui en goddeloos’ (vgl. Heid. Cat. vr. 64). Dat is niet helemaal uit de lucht gegrepen. De Catechismus antwoordt wat mij betreft dan ook net iets te vlot door dit als een ‘onmogelijkheid’ weg te zetten. In de Schrift blijkt het net wat minder onmogelijk (vgl. Ef. 4:17 e.v.). Bovendien worden gelovigen daar in het licht van de bewezen genade eindeloos vermaand bekende patronen en ingesleten gewoonten (de ‘oude mens’) op te geven, en telkens aangespoord zich een andere manier van doen en denken (de ‘nieuwe mens’) eigen te maken. Ging het allemaal vanzelf, dan zou dat niet nodig zijn. Wie eerlijk is, weet maar al te goed dat het geregeld o zo lastig is, om in plaats van het kwade het goede te doen. En dat de verleiding vaak o zo groot is om het op kosten van Gods genade niet zo nauw te nemen met Zijn gerechtigheid. Genade kan in ons leven zomaar ‘goedkoop’ worden. En het gevaar bestaat dat orthodoxe zinnetjes als ‘dat een mens steeds groter zondaar wordt en al meer op genade aangewezen raakt’ los zingen van de Schrift en een vrijbrief worden om jaar en dag dezelfde te blijven.

  • Zonde en genade horen bij elkaar, maar dat betekent niet dat genade en zonde hand in hand zouden gaan. Als je dat suggereert krijg je Paulus faliekant tegen. Zonder pardon wijst hij die suggestie van de hand: dat zij verre! Al is Gods genade op de ergste zonde berekend, ze verdraagt de zonde niet, geen enkele. Niets doet zo radicaal ‘nee’ zeggen tegen de zonde dan genade. Helaas hebben velen geen idee waarom dat is. Vaak wordt gesuggereerd dat je God zo lief krijgt dat je niet anders wilt en kunt. Maar dat is veel te vroom (of te oppervlakkig!) gedacht. Die liefde valt vies tegen en je kunt en wilt met gemak anders. Dat genade en zonde in je leven niet samen kunnen is niet te danken aan eigen vroomheid, maar heeft alles te maken met wat er in Christus is gebeurd: Weet je niet dat je gedoopt bent in de dood van Christus en opgewekt bent met Hem? Op de dag van de doop – of op het moment dat iemand tot overgave aan Christus komt - worden twee dingen realiteit: je oude ‘ik’ dat heulde met de zonde is met Christus gestorven en begraven en een nieuw ‘ik’ dat leeft voor God is met Hem opgestaan.

Het gaat niet om een gevoel in jou. Maar over een feit buiten jou. Met dat je op Christus gericht raakt, is dat werkelijkheid. Zo kijkt God naar je. Zo zul je kijken naar jezelf.

  • Genadiger kun je het niet krijgen: beschouw jezelf in Christus als een dode voor de zonde en als een levende voor God. Het komt erop aan je te wapenen met die gedachte. Niks dat zo helpt om de zonde van je lijf te houden dan dit. Want elke keer als die schooier dan bij je aanklopt om met je op de loop te gaan, geeft dat power om hem gelijk al bij de deur af te poeieren. Te zeggen: ‘Sorry, maar die man, die vrouw waar jij voor komt, die is gestorven en begraven. Die woont hier niet meer. Er woont nu een ander. Iemand die leeft voor God. En niks heeft met jou. Dus ga maar door…!’

  • Het is een kwestie van oefenen om elke ochtend, als je voor de spiegel staat, vanuit Christus te kijken naar jezelf. Paulus spoort ertoe aan als beste remedie om de zonde (al die oude maniertjes van doen) los te laten en je het goede van God (Jezus' manier van doen) eigen te maken. En hij had gelijk. Het werkt. Echt. Ik moet eerlijk zeggen dat bij mij alle andere manieren om zonden de baas te worden faalden. Maar sinds ik doe wat Paulus hier schrijft, vanuit Christus kijk naar mezelf en bewust bedenk dat mijn oude ik toen en daar gestorven is en ik in het hier en nu ben opgewekt met Hem, ik vrijer ben dan ooit om het kwaad van me af te schudden en te wandelen met God. Nee het is geen gelopen race. Maar met Christus voor ogen en Zijn Geest in mijn hart, die het willen en het doen in me werkt, gaat het de goede kant op. Met vallen en opstaan richting Gods Rijk. Zingend houden we de gang erin (Ps. 119:3):

U dank ik Heer in opgetogenheid
Mijn hart verheugt zich over Uw bevelen
U wil ik die de Allerhoogste zijt
in alles volgen, niet voor U verhelen.
Verlaat mij niet, ik ben U toegewijd
Verlaat mij niet, laat in Uw gunst mij delen

Gebruikte literatuur

Dr. J van Bruggen, Romeinen (CNT)
Dr. A.F.N. Lekkerkerker, De brief van Paulus aan de Romeinen (PNT)
Dr. B. Reitsma, Romeinen (Luisterend Leven)